Een serveerster verteld: Alcohol in het spel

Door Niet-gereserveerd gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

Koks, consumenten, recensenten van restaurants en cafés, de afgelopen jaren komt iedereen aan het woord. Wat moeten we eten en bij wie, waar haal je de mooiste en lekkerste ingrediënten vandaan, wie heeft de beste service, welke tent moet je boycotten en waar wil je gezien worden? Het is allemaal in overvloede te vinden op het net. Vanaf vandaag is daar een ervaringsdeskundige bijgekomen: een serveerster verhaalt van haar jarenlange ervaringen in de Amsterdamse horeca.

Alcohol in het spel

Een harde klap van uiteen spattend glas klinkt over het terras. Geschrokken steek ik mijn hoofd naar buiten. Alle mensen aan de terrastafeltjes kijken naar de stoep voor het restaurant. Er ligt een vrouw op de tegels, te midden van allemaal kleine stukjes glas. Diamanten, denk ik onwillekeurig. Dan ren ik op haar af.
Ik ga op mijn hurken bij de vrouw zitten. Ze ligt nogal ongemakkelijk op haar zij en probeert haar hoofd op te tillen. Dat gaat moeilijk. Wanneer ik haar vraag hoe het met haar gaat, draaien haar ogen weg en murmelt ze iets onverstaanbaars.
Ik leg een hand op haar arm. Ze is gekleed in een veel te groot fleece vest en een mannen joggingbroek. Haar kleding ziet er grauw en vettig uit. ‘Blijf maar even liggen,’ zeg ik.
Ze wil meteen overeind komen, maar ik duw haar terug. ‘Gewoon even op adem komen, mevrouw.’
Ik draai me half om naar het terras, en zie twee dames van middelbare leeftijd naar ons toe lopen.
‘Kunnen we iets doen?’ vraagt een van hen.
Ik knik. ‘Kunt u even bij haar gaan zitten en zorgen dat ze gewoon blijft liggen?’
De vrouw op de grond kreunt en mompelt dan weer iets. Ze is duidelijk niet in orde en heeft pijn. Ik vermoed dat ze alcoholist is, maar weet dat natuurlijk niet zeker.
‘Dan bel ik een ambulance,’ beslis ik dan, en maak plaats voor de twee dames. Ze gaan allebei heel zoet in kleermakerszit aan weerskanten van de vrouw zitten. Om de stukjes glas malen ze niet.
‘En ik kom zo terug met een stoffer en blik,’ zeg ik, terwijl ik wegloop.
Binnen in het restaurant bel ik een ambulance. Aan de telefonist geef ik aan dat ik een EHBO-diploma heb, en dat het slecht is in te schatten hoe het met de vrouw gaat. Met een ‘Ze is duidelijk niet helemaal bij,’ eindig ik het gesprek. Ze komen er aan.
Met een stoffer en blik loop ik terug naar de vrouwen op de stoep.
‘Ik kom zo bij u!’ zeg ik tegen iedereen aan de tafels waar ik langs loop. De meeste klanten wuiven vriendelijk terug. Het is een prachtige zomeravond en iedereen heeft de tijd. Bovendien stort er niet elke dag iemand voor je neus neer.
Bij de vrouwen aangekomen, laat ik stoffer en blik uit mijn handen vallen. Ik kan nog net op tijd het glas water uit de hand van een van de twee dames grissen. Ze stond op het punt de vrouw op de grond een slokje water te geven.
‘Geen water,’ zeg ik zacht, en de twee vrouwen kijken me niet begrijpend aan. De vrouw op de grond heeft haar ogen gesloten en kreunt. ‘Sorry lieverd, je moet even wachten tot de ambulance komt. Straks mag je wat drinken. Nu niet.’
De vrouw komt half overeind en valt dan weer terug op de stoep. Haar hoofd komt hard op de tegels neer. Geschrokken trekt de vrouw naast me haar vestje uit. Ze vouwt het tot een kussentje, en ik til het hoofd van de vrouw op zodat ze het eronder kan schuiven.
‘We dachten dat een beetje water wel goed zou zijn?’ zegt de tweede vrouw.
Ik schud mijn hoofd. ‘Als ze in shock is, kan het haar flink ontregelen,’ leg ik heel summier uit. Ik wil niet teveel zeggen waar de vrouw op de grond bij ligt. ‘We moeten tegen haar blijven praten.’
Rustig kletsen we de vrouw de minuten tot de ambulance komt door. Ze is nog steeds bij kennis als de auto met luide sirenes de hoek om komt scheuren. De ambulance stopt op enkele meters afstand, en er stappen twee broeders uit.
Ik leg de mannen uit wat er gebeurd is. Voor ik klaar ben met mijn verhaal, hoor ik weer sirenes. Niet veel later bonkt er een politieauto de stoep op. Er stappen drie agenten uit, een vrouw en twee mannen.
‘Goedenavond,’ zegt een van de mannen vrolijk. ‘Hoe is de sfeer?’
Ik loop terug naar de drie vrouwen op de grond en gebaar de twee oudere dames dat we plaats moeten maken voor de broeders. De vrouw op de grond wrijf ik even zachtjes over haar arm. ‘Het komt goed hoor, ze zijn hier voor jou,’ zeg ik tegen haar. Dan staan we op en gaan terug naar het terras.
De twee vrouwen ploffen op hun stoelen en grijpen gelijktijdig naar hun wijnglas. Ze nemen een flinke slok en zijn even stil.
‘Bedankt dames, voor jullie hulp,’ zeg ik en loop dan naar de andere tafels. Ik heb de klanten zeker tien minuten laten zitten. Niemand vindt het erg.
Terwijl de broeders met de vrouw bezig zijn, hervat het terras weer het plezier van een zwoele zomeravond. Er wordt weer onbezorgd gelachen en gekletst, en de gesprekken gaan al gauw weer over andere zaken.
‘Je vestje,’ hoor ik na een paar minuten de ene vrouw tegen de andere zeggen. Ik zie de andere vrouw haar schouders ophalen.
Er komt nog een politieauto aanrijden, en een minuut later nog een. Ineens staat de stoep vol blauw, met in het midden twee felgekleurde pakken over een grijze, haast vormeloze massa heen gebogen. Ik zie de politiemannen, want op de vrouwelijke agent na zijn het allemaal mannen, ontspannen met elkaar praten. Er lachen er zelfs een paar. De politievrouw staat iets van hen af en zegt niets. Ze houdt een vuist tegen haar mond en kijkt geconcentreerd naar de twee ambulancebroeders.
Even later komt ze naar me toe. ‘Heeft u misschien een stoel over?’
Ik knik en haal er een uit het lege restaurant.
‘Hoe gaat het met haar?’ Ik geef de agente de stoel.
‘Kent u haar?’ vraagt ze.
Ik schudt mijn hoofd.
‘Ze woont hier verderop. Zwaar aan de drank. We rukken elke maand wel een keer voor haar uit.’
Ze zegt het zo toonloos, dat ik er niet uit kan opmaken wat ze ervan vindt.
De vrouw wordt door de broeders voorzichtig op een stoel gezet. Ze lopen naar de agenten toe en bespreken het voorval met ze. Ik zie nu een vrouw onderuitgezakt op een stoel zitten, midden op een brede stoep. Achter haar een ambulance, naast haar drie politieauto’s. Meters verderop staat een groep agenten te grinniken om het verhaal van twee broeders. Vreemd.
Een van de agenten doet een paar passen richting het terras, en grijnst. ‘Ja, zo ziet u maar, dames en heren, waar een glaasje toe kan leiden. Misschien moet u maar niet meer drinken!’ Hij zegt het zo luid, dat de vrouw op de stoel het wel moet horen.
‘Dat maken we zelf wel uit!’ zeg ik bits. ‘Hebben jullie niets beters te doen?’ Ik wapper met mijn hand naar de groep lachende ambtenaren. ‘Lijkt me een duidelijk gevalletje van overbezetting!’
Achter me hoor ik iemand in zijn handen klappen. Voor ik het weet, applaudisseert het hele terras. De agent, die toch al niet wist wat hij moest antwoorden, druipt af. Niet veel later rijden alle auto’s weg. De vrouw is met de ambulance mee. De lege stoel blijft midden op de stoep achter.

Ik zie de vrouw nu bijna dagelijks langs het restaurant sloffen. Ze was me nooit eerder opgevallen. Nu zwaait ze iedere keer vrolijk naar me.


Reacties (6) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
zeer leuk en mooi neergeschreven artikel ! duim en fan erbij en ook welkom op xead !
Mooi geschreven, komt vast nog wel meer hier over je belevenissen. Fan erbij en duim.
goed artikel! duim
Goed verhaal; over afstomping voor menselijk leed gesproken ... Duim.
Leuk zo'n agent die je nering komt verzieken. Met veel plezier gelezen. Duim.
Welkom bij xead, mooi geschreven ;-)