Een Amsterdamse serveerster vertelt: De huisjunk

Door Niet-gereserveerd gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

Koks, consumenten, recensenten van restaurants en cafés, de afgelopen jaren komt iedereen aan het woord. Wat moeten we eten en bij wie, waar haal je de mooiste en lekkerste ingrediënten vandaan, wie heeft de beste service, welke tent moet je boycotten en waar wil je gezien worden? Het is allemaal in overvloede te vinden op het net. Vanaf vandaag is daar een ervaringsdeskundige bijgekomen: een serveerster verhaalt van haar jarenlange ervaringen in de Amsterdamse horeca.

De huisjunk

Het is koud buiten.
Binnen is het druk. Nog geen tien minuten geleden begon het te hozen, en nu werpt half Amsterdam ongeduldige blikken op het koffieapparaat. Enigszins opgejaagd maak ik cappuccino’s tot ik scheel zie.
Als iedereen van koffie is voorzien, zie ik dat de grote ramen naast de deur helemaal zijn beslagen. Niemand kan er nog iets doorheen zien, laat staan dat men buiten ziet hoe reuze gezellig het hier is. Ik pak een trekker onder de bar vandaan en van een haak naast het koffieapparaat wip ik een doek. Het ding is half nat. Ik zal het ermee moeten doen, de waszak in de kelder zit vol vuile doeken. De lap in mijn handen heb ik vanochtend in de gauwigheid uit mijn eigen keukenkastje gegrist.
Met een brede grijns en hier en daar een ‘Sorry, personeel!’, wurm ik me tussen de klanten door. Vandaag doet iedereen zijn best zo min mogelijk sjoege te geven, lijkt het. Na wat doeltreffende zetjes die ik uiteraard per ongeluk gaf, stap ik op de radiator onder een van de ramen. Ik moet op een been balanceren om de trekker zo hoog mogelijk tegen het raam te zetten en niet tegen de rug van Rogier, onze trouwste klant, aan te vallen. Het is een aardige man die hier zeven dagen per week de deur plat loopt tussen tien uur en half elf en altijd in het hoekje naast het raam wil zitten. Maar dat is natuurlijk geen reden om hem nu als ruggensteun te gebruiken.
Ik doe een schietgebedje, God zegent mijn greep en ik trek snel het raam droog. Wanneer ik van de verwarming af wil stappen, voel ik een hand onder mijn elleboog. Rogier laat me rustig terugstappen op de grond en draait zich dan met een knikje weer naar de krant voor hem. Galant, denk ik, als ik zie hoe zeiknat de vloer is. Ik had een flinke uitglijer kunnen maken.
Ik houd mijn buik in en schuif langs twee zakenmannen die aan de bar hangen. Ze staan zo breeduit en schreeuwen elkaar zo veel ‘poe’s en ‘ha’s toe, dat ik niet anders kan dan concluderen dat ze wel vreselijk succesvol moeten zijn in wat ze doen. Wat dat dan ook moge zijn.
Ik haal in het achterlangs gaan van de mannen snel de trekker over de ruit van de deur en sta dan verbaasd stil. Ik kijk recht in het gezicht van Gaatje, de huisjunk. Staand op het stoepje heeft ze haar neus tegen de ruit gedrukt. Ze staart me woest aan. Gaatje, die haar bijnaam dankt aan haar mond vol rotte tanden, is kwaad. Op mij, weet ik. Omdat ik vandaag aan het werk ben. Op een koude dag als deze is het niet eerlijk dat ze niet naar binnen mag en alle alcoholische drankjes van onze klanten in een teug achterover kan slaan. Want dat mag Gaatje niet van mij, weet ze. Sinds mijn geduld met haar op is en zij gevoeld heeft hoe dat voelt, of liever, hoe dat valt, komt ze niet meer binnen als ik werk. Bang dat ik haar weer aan haar jas door de zaak sleur en over de drempel de stoep op laat struikelen. Haar knieën zagen er wekenlang paarsblauw uit.
Andere dagen mag Gaatje wel binnenkomen, hoor ik van boze klanten. Mijn collega’s zijn watjes. Ze gaan wel anders piepen als onze bazin haar belofte houdt en de drankjes die Gaatje opzuipt van de tippot aftrekt.
Ik probeer de schade te beperken door mijn armen over elkaar te slaan en heel streng terug te kijken. Gaatje ontploft bijna. Haar neusvleugels gaan wild heen en weer, maar ze blijft stil tegen het raam aan staan.
Ineens draait ze zich om. Ze loopt niet weg maar duikt wat ineen. Ze frunnikt aan haar kleren, zie ik. Dan valt haar broek op haar enkels, en ik kijk tegen twee vuile spillebenen aan. Gaatje haakt haar duimen achter de stof van een gore en veel te grote onderbroek, en duwt ook deze naar beneden.
Verassend snel laat ze haar bovenlijf helemaal voorover vallen. Ik hap naar adem. Op kaarsrechte benen perst ze een dikke straal pies zo! tegen de deurruit. Ik kan het niet helpen en brul het uit van het lachen. Achter me valt meteen de hele zaak stil, en ik ga dichter tegen de deur staan om iedereen het zicht op Gaatje te ontnemen. Het voelt obsceen.
Naast me hoor ik een kuch, en ik kijk Rogier aan. Hij zit diep over zijn krant gebogen en zijn lijf gaat bijna onmerkbaar op en neer. Zijn lippen heeft hij stijf op elkaar geklemd. In stilte zit hij zijn slappe lach uit. Ik zie zijn hoofd langzaam rood worden.
‘Emmertje water erover, niets meer aan doen,’ grinnikt hij als hij uitgehikt is. Gaatje is de hoek alweer om. ‘Ik wist niet dat vrouwen dat kunnen.’
Ik ook niet.

 

Een paar weken later val ik een middag in achter de bar van een kroeg van een vriend van mij aan de Nieuwezijds. Het is een donkere tent met hippe kunst aan de muur, die maar met moeite te zien is in dit licht. Buiten is de postzegelmarkt, binnen zitten de handelaren elkaar voor astronomische bedragen af te troeven. Ze eten niets en doen een uur over één biertje. Ik heb niet veel te doen en terwijl ik wijnglazen poleer, luister ik de gesprekken aan de tafels voor me af. Mijn oren wapperen van de waarde die men toekent aan stomme stukjes klevend papier.
In het halfdonker zie ik vanuit mijn ooghoeken plotseling een schim het café in schieten. Ik kijk op en zie Gaatje langs de tafels sluipen. Schichtig kijkt ze of er een biertje binnen handbereik is. Het ziet er raar uit, al die serieus kijkende mannen en dat frêle vrouwtje dat om hen heen cirkelt. Ze hebben haar niet in de gaten.
Ik glimlach en pak een geopende fles rode huiswijn. Dat drinkt ze het liefst. Ik zet een glas op de bar, schenk hem tot de rand toe vol en wacht tot Gaatje me ziet. Pas als ze vlak voor me langsloopt, kijkt ze even vlug naar me op. Stomverbaasd laat ze haar mond openvallen. Ik schenk haar een stralende glimlach. En voor ze kwaad kan worden, schuif ik het glas rode wijn voorzichtig naar haar toe. ‘Hier,’ zeg ik. ‘Voor de schrik.’

 

Reacties (5) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Goed geschreven!
Superleuk geschreven! Duim en fan erbij!
Heel leuk verhaal. Tip: doe er voortaan een paar foto's of toepasselijke plaatjes bij, dat verhoogt de kwaliteit (en het cijfer) van je artikel. Wel duim en fan erbij.
Met veel plezier gelezen. Ga alsjeblieft door met schrijven!
Duim en voor de volle honderd procent fan!
Een duim omhoog. Hard werken lees ik. Suc6 op Xead.