Korte verhalen uit het niets

Door Distefano gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

korte verhalen

 

 

Verhaal 1... Simon

Mama geeft mij watersandalen. Rood. Ik vind ze direct niet mooi en weiger ze aan te trekken. Ik ben twaalf. We zitten op het strand. Texel. Overbevolkte stranden, Duitsers, luidruchtige en te gespierde mensen geven mij het gevoel van: graag thuis willen zijn. Meeuwen schreien. Zij vliegen laag over het strand en doen zich tegoed aan de restjes voedsel. Ze kibbelen en vechten. Ik haat zwemmen in de zee, ik haat het strand. Overal zie je stoeltje, ingegraven kinderen, zandkasteeltjes en reusachtige strandstoelen. Wit, lavendel, blauw. Bleekroze badgasten dompelen in en uit het water. Meisjes keken naar de wolken. Als de hemel draait en de zon verdwijnt achter de wolken, dan wordt het water pistachenoten-groen. De roze badgasten veranderden van kleur. Meerminnenmelk. Kwallen liggen op het strand. Als pudding liggen zij te rotten in de zon.

Ik teken wat ik zie.
Het schetspapier heb ik half begraven in het zand, zodat het niet wegwaait.
‘’Ga je niet het water in?’’ Vraagt mijn moeder.
‘’Nee,’’ zeg ik recalcitrant.
Als iets mij wordt bevolen dan weiger ik. Ik maak zelf wel uit wat ik doe. Mijn broertje is een waterrat. Hij speelt in het water. Soms verlies ik hem uit het oog. Dan is hij ondergedoken, of bedolven onder de golven maar godzijdank duikt telkens weer op. Mijn moeder en vader houden hem in de gaten. Voor ons zit een gezin op een geblokt, groenrood kleed. Een klein meisje harkt in het zand. Haar vader snurkt (zacht maar hoorbaar) en haar moeder leest een boek.

‘’Papa snurkt.’’

Haar moeder lacht.

 

‘’Wil je een ijsje.’’ vraagt mijn moeder.

Alles behalve softijs denk ik.

Maar goed ik zal het halen. Mijn vader en moeder willen een hoorntje, ik een waterracket en mijn broertje lust er ook wel één. Hij eet alles. Ik krijg een briefje van vijf gulden mee. ‘’Niet verliezen,’’ zegt mijn vader streng.  In de verte naast een theehuisje pal tegen de duinen staat een frietkraam. Friet. Het staat geschreven in creatieve letters op een houtenplank. Het doet wat Californisch aan. Ik bagger over het strand, passeer gezinnen, meisje met borsten en gebruinde jongens in te lange burmuda’s. Elke stap die ik zet voelt warm. In vergelijking met al de andere jongens ben ik maar een iel mannetje en lijk ik nooit bruin te worden. Ik ben een bleekscheet en heb sproeten. Mijn roodhaar zit voor geen meter. Er is niets van te maken. En terwijl ik hieraan denk, sluipt er een gevoel van onzekerheid in mij die ik nooit eerder heb gehad.. Er is geen meisje dat mij aankijkt. Komt het door mijn postuur? Mijn rode haren, gezicht? Deze gedachte maakt mij depressief. Het doet mij beseffen dat ik slechts een persoon ben. Maar ook niet meer. Het zand doet pijn aan mijn voeten. Het brandt. Er staat een lange rij voor de frietkraam. Maar ik zie dat ze geen ijs verkopen. Bij de ondernemer ontbreekt het aan talent. Ik loop verder tot aan het stenenpad dat loopt tot bovenop de duin. Het helmgras staat krom door de zachte wind. Een kraai pikt brutaal naar de restjes friet tussen de tegels. Bovenop de duin heb ik het volledige overzicht.

Mensen worden stipjes. Golven worden lange armen die het strand telkens weer omarmen. Ik tel de tijd die tussen elke golf zit. Één, twee, drie … totdat ik schrik. Er staat een meisje naast me. Zomaar, plots vanuit het niets is zij opgedoken.
‘’Mooi hè dit uitzicht,’’ zegt ze.
Ik kijk haar aan. Ze heeft een moedervlek in haar nek. Haar blonde haren hangen als natte slierten en haar ogen twinkelen. Ze heeft borstjes, klein maar priemen door de blauw met gele stippen bikini. Haar kont is plat.
‘’Jij tekent toch, zegt ze, ik ben je gevolgd. Je kan goed tekenen.’’
Ik bloos. Ze weet mij direct te raken.
‘’Hoe weet je dat?’’ Vraag ik.
Wij zitten achter jullie maar mijn ouders zitten nu even aan het terras. 
‘’Hoe heet je?’’ vraagt ze.
‘’Simon.’’
‘’Leuke naam.’’

Er volgt een stilte. We kijken naar de lucht die bedekt wordt door wit wollige wolken. In de verte danst een containerschip. De containers lijken op blokjes lego. Oranje, blauw en bruin. Ze staan opgestapeld. Ik vraag me af er in een container kan zitten.
‘’Wat zou daar in zitten?’’ vraagt ze.
‘’Waarin?’’
‘’In die containers.’’
‘’Ik weet het niet.’’
‘’Weet je dat,’’ vervolgt ze en ze praat aan één stuk door.
Ik kom er niet of nauwelijks tussen. Haar woorden sla ik niet op en kan niet meer nadenken.
Het is alsof ik enkel oog heb voor haar schoonheid. Hoe oud zou ze zijn? Er gonzen vragen door mijn hoofd die ik niet durf te stellen. Samen lopen we terug en bedenk me dat ik nog ijsje moest halen. Dat doen wij dan ook. We lachen en ik geef haar mijn waterijsje. We delen het. Bij terugkomst geef ik mijn ouders en mijn broertje hun ijsje.

‘’Zo dat duurde lang,’’ zegt mijn moeder met een lach terwijl ze het meisje waarvan ik de naam niet eens weet aankijkt. Het meisje bloost.
‘’Ga je mee zwemmen?’’ vraagt het meisje.
Ik kijk haar aan. Mijn moeder lacht. Ik haat zwemmen, vind het niets maar ik kan niets anders doen dan buigen voor haar wil. Samen, hand in hand rennen wij naar de zee. Als ik nog even achterom kijk zie ik mijn vader zijn hoofd schudden en mijn moeder lachen. En dan naderen wij de zee. Het is groot. De golven lijken op enorme handen. Er zijn er veel. Het schuim borrelt als badschuim op de tegels van een badkamer. We rennen. We rennen in de zee en ik val. Ze lacht. We spelen, pletsen en duiken, spartelen en gieren. Het voelt natuurlijk. Het voelt alsof ik in een eerder leven een vis ben geweest. Ik ben als mijn broertje, een waterrat. Dan plots als ik duik en mijn ogen open doe is haar gezicht dicht bij die van mij. Het groene water om haar heen verandert in hemelgeel en blauw. Ze kust me op mijn mond.  Haar tietjes raken voor een seconde mijn borst. We komen boven. Er blakert een felle zon. Ik kan de bodem niet raken. Ze zwemt van mij vandaan en roept: ‘’kom we gaan!’’

Ik twijfel en voel een druk in mijn onderbuik. Ik maak iets mee wat mij nooit eerder is overkomen. Mijn piemel staat stokstijf. Beduusd blijf ik achter in het water en raak (zo nu en dan) met mijn tenen de bodem. Nog nooit was zwemmen in de zee zo fijn.

 

Verhaal 2. .... Trage dinsdagen

Het is iets voor half zeven op een koude, natte dinsdagavond in februari, als ik mijn lange jas dichtknoop en de kantoordeuren achter mij sluit. Het is een lange dag op kantoor geweest. Morgen ben ik vrij. Het is donker. Studenten op de fiets vechten tegen de straffe wind. Jonge stropdassen lopen met de kraag omhoog, een aktetas in de hand, de fietsers vermijdend en wachtend voor het stoplicht in de hoop dat zij de trein zullen missen. Een oud stel - schouder aan schouder enigszins zwalkend door de sterke wind - vasthoudend aan de koude steel van een zwarte paraplu, zorgt voor oponthoud. Op dit soort avonden heb ik geen haast. Het is een romantisch intens gevoel dat als een kleed mijn lichaam vermangelt.

De stad heeft haast.
Ik glimlach en zie mezelf lopen in de winkelruiten. Mijn lange benen verhullen weinig spannends door mijn grijze panty en mijn lange zwarte jas. Klik klak, klik klak. Ik ben me volledig bewust van dit geluid. De regen loopt over mijn wangen en ik proef de haarlak in mijn mondhoeken. Een blond meisje loopt samen met twee jongens giechelend over straat en staan nu midden op het marktplein. Ze zoeken naar iets. Haar mascara is volledig uitgelopen. Haar haar lijkt op natte wol. Soms stampen zij recalcitrant in de plassen. Voor even kijkt het drietal mij aan, alsof zij zich iets afvragen, alsof ze iets van plan zijn. Ik kijk omhoog. Het puntje van de maan vecht tegen het wolkendek en de sluier van de regen.

Soms heb je avonden dat het je allemaal niets kan schelen. Alsof je geplaagd wilt worden door het weer. Dit is zo’n avond. Vroeger fietste ik op dit soort dagen door de regenplassen, speelde ik eindeloos met vriendjes in de regen. Ik hoorde bij de jongens, ik klom in bomen en voetbalde mee. Een echt meisje ben ik nooit geweest. Stefan speelde vaak het spel: volgertje. Je moest dan net zolang iemand volgen zonder gezien te worden. Frappant dat ik op een avond als deze juist daaraan moet denken. Ik heb niets te doen, geen zin om naar huis te gaan om te zitten in een hol huis voor de buis. Dat laatste rijmt, ik geniet.

‘’Hallo.’’
Een mannenstem plots vanuit het niets.
Onze ogen ontmoetten en we lijken gevangen in een vreemd soort herkenning. Ik woon hier pas een maand, ken niemand behalve mijn buurvrouw en de slager op de hoek. Het gezicht van deze man ziet er ietwat mild misvormt uit – slechte schaduwlijnen - maar niet zijn ogen. Die waren klein, nieuwsgierig en onderzoekend. Een man met karakter. Ik bestudeer hem en schat hem een jaar of dertig. Zijn gezicht is ietwat plat. Ik bedenk mij dat hij wellicht uit Algarije zou kunnen komen. Hij heeft brede kaakbenen, een smalle kin en een lange brede neus. De man intrigeert. Zijn donkerblauwe broek met lichtbruine schoenen en vlot bruin suède jas toont smaak maar is zeiknat. De natte krant in zijn hand vertelt mij dat hij een man van niveau was.

‘’Kent u de weg naar St. Annastraat?’’
Ik mag hier dan pas een maand wonen maar de omgeving ken ik goed.
Hij heeft, ondanks zijn oosters gezicht, van die helgroene ogen waar je in kan verdrinken. Hij hypnotiseert. Een engel is geland. Ik realiseer me dat ik degene moet zijn die de conversatie op weg moet helpen. Misschien zitten wij over enkele minuten wel aan een eettafel met kaarslicht. Ik moet iets bedenken. Hij zou me voor eeuwig dankbaar zijn. Het toneelspel dat ik speel is kinderachtig maar ik kan niets anders bedenken. Ik wil hem zolang mogelijk bij mij houden. Ik vertel hem dat ik het niet zeker wist, maar dat het in die en die richting is.
‘’Weet u misschien hoe laat het is,’’ vraag ik.
Hij vertelt dat hij geen horloge heeft en dat hij zijn mobiele telefoon thuis heeft gelaten. Dit verbaast mij. Geen horloge. Een man van zijn kaliber? Wellicht heeft hij een vrije geest.

Hij keek me vragend aan.
‘’U bent Noord Afrikaans’’? vraagt hij met een Oostblok accent, grenzend aan een vreemde taal maar met een vloeiende tongval.
Ik lach.
''Ik kom uit Egypte.''
''Uw uiterlijk verraad uw afkomst,'' zegt hij met een lach - zijn hoofd licht buigend.
Zijn mooie, grote witte tanden transformeerde zijn piekerend gezicht.
‘’Hoe bent u hier in Nederland gekomen’’? Vraagt hij.
‘’Dat is een lang verhaal’’, zeg ik.
Hij geeft me een nargeestige, wat sombere lach en draait zich om.
Plots eindigt hij het gesprek. Waar zitten zijn gedachten?

Zijn tanden, zijn stem, zijn gezicht hebben mij gevangen, maar de man heeft haast, heeft geen tijd voor koetjeskalfjes praat. Zijn vragen waren puur uit beleefdheid. Hij bedankt mij, steekt een hand op en loopt verder. Beteuterd blijf ik achter. Het begint nu harder te regenen en hij verdwijnt uit zicht. Ik loop door maar draai me om en bedenk me dat het volgspel dat ik vroeger speelde mij in tal van onverwachte situaties heeft gebracht. Ik teer op die wetenschap. Mijn gevoel is sterk. De hunkering naar het onverwachte groots. En dus zet ik mijn ferme passen richting de man die misschien wel de man van mijn leven zou kunnen zijn. Ik zie hem staan bij een oude kiosk waar hij een paraplu koopt. Stokstijf sta ik achter een lantaarnpaal. Ik lijk wel een kind van tien. Maar de spanning voert mij in extase.

De stad beleeft haar druilerige dinsdagavond en ik loop als een tiener, als een soort detective achter mijn toetje aan. Hij is de chocolade op mijn taart. Hoe ik het gesprek zou aanknopen is mij een raadsel. Maar hem kon ik toch zeker niet laten gaan? Mijn onhandigheid in ons eerder gesprek maakt me onzeker, doch, ik ken hier niemand: dus wat heb ik te verliezen.

Hij plopt zijn paraplu uit en loopt verder. Ik volg op een passelijke afstand totdat hij blijft staan bij de winkelruit van een juwelier. Ik draai me om, verschuil me achter een muur en kijk zo nu en dan om het hoekje. Hij loopt door. Achter de winkelruit van de juwelier liggen dure horloges, ringen en andere sieraden als zoete broodjes. Smaak heeft hij, dat is duidelijk. Had hij een ring om zijn vinger? Nee dat had ik niet gezien. Er passeert een taxi. Ik kijk weer richting hem. Hij is een twintig meter van mij vandaag en staat bij een parkeerplaats voor taxi’s. Hij kijkt in het rond, zoekt en voor een seconde kijkt hij mij aan.

Ik ben betrapt!
Hij draait zich om en loopt richting mij.

Ik voel het bloed pompen in mijn hart. Stijf als een plank sta ik in het midden op het voetpad. Het lijkt alsof ik de man met de hamer ben tegengekomen. Mijn spieren werken niet mee. Ik weet niet wat te zeggen. Zijn geblokt gezicht, grof met scherpe lijnen kijken mij aan. Zijn grote passen lijken zich haast te maken. Eigenlijk wil ik wegrennen. Iets klopt er niet. De regen klettert naar beneden.

‘’Mijn naam is Barbel.’’ Zeg ik stamelend als hij bijna voor me staat. Hij kijkt me vreemd aan maar loopt mij straal voorbij. Alsof ik niet besta. Wat gebeurt er? Ik draai me om, naar hem en zie een moedervlek in zijn nek - een dikke haar ernaast. De imperfectie van een mooie karakteristieke man, die waarschijnlijk een heel goede vader zou zijn voor mijn kind.

Maar mijn fantasie blijft fantasie, want in de verte komt een jochie aangerend, een jaar of vijf schat ik hem.

‘’Pappa…pappa!" Hij springt in de armen van mijn toekomstige man. Een vrouw volgt. Ze rent naar hem toe en omhelst hem. De man geeft haar een kus en houdt zijn paraplu boven hen. Een perfect familietafereel. De ironie van hoe het had moeten zijn.

 

Verhaal 3...Kater in de auto

 

Mijn dochter kon niet wachten. Het beestje kwam uit een nest van vier. Hij was de keuze van mijn dochter met volledige toestemming van vrouw. Ik had weinig in te brengen, als altijd. Als ‘’compromis’’ hadden wij een nieuwe Opel Vectra Stationwagon gekocht. Nouja, compromis. We waren drastisch toe aan een nieuwe auto. En zo geschiedde dat wij naar de parkeergarage liepen met een kattenmand in de hand. Mijn dochter was dolblij.

Het begon al goed donker te worden en de parkeergarage stond vol. Wat wil je ook op koopavond, niet het slimste moment om een jonge kater op te halen bij een oud vrouwtje die midden in het centrum van Nijmegen woont. Het vroor. Rode oren, rode neus waren het gevolg en handen die aanvoelden alsof ze in een bak met ijs zaten. Nadat wij onze koop hadden besloten liepen wij terug. Tes, onze dochter liep voor ons uit met een kattenmand in haar had. Mijn vrouw en ik liepen als een gelukkig stel daarachter aan op weg naar de auto. Die wij in eerste instantie niet konden vinden. Een discussie volgde. Waar in hemelsnaam stond die auto? Nadat wij dachten hem gevonden te hebben bleek al snel dat de sleutel niet werkte. Het sleutellampje brandde niet, de deur ging niet open.

Ik had in alle positie gestaan om het slot open te krijgen, maar ik kon niet anders dan de sleutel op de ‘’ouderwetse’’ manier te gebruiken. Ik stak hem in het slot, wrikte en wrikte maar ook dat bleek niet te werken.  Ik wrikte nogmaals en ik keek mijn vrouw ietwat beteuterd aan. U moet weten dat mijn vrouw een erg ongeduldige is en twee linkerhanden heb.
‘’De sleutel werkt niet, schat.’’ Zei ik.

Het geduld van mijn vrouw begon op te raken, en ze graaide de sleutelbos uit mijn hand,
wreef de sleutel tientallen keren over haar jas om hem op te warmen en keek me aan zoals alleen een vrouw kan als zij ongeduldig is en mij een complete nitwit vind.
Ze stopte de sleutel in het slot en begon te wrikken, maakte zich kwaad en zowaar - na wat gehannes - ging het slot open.
‘’Moet ik nu alles doen!’’ zei ze op haar bazige toon zoals alleen zij kan.
Ik voelde me weer die de slemiel van ons gezin. En wat wil je met twee dames boven mij. En mijn dochter maar lachen.
De kat die nog steeds opgesloten zat in haar mandje had van angst zijn ontlasting gedaan. Mijn goede god, u wilt niet weten hoe erg een kat kan stinken.
De ramen gingen open, dat snapt u.
De geur van kattenzeik, maar vooral van zijn natte poep was niet te harden, zelfs niet met de ramen open. Ik probeerde de auto te starten, maar op één of andere manier lukte dat ook niet.
Weer die verrekte sleutel.
‘’Heb je wel de goede sleutel,’’ zei mijn vrouw.
U, kunt begrijpen hoe mijn blik was naar mijn vrouw.
‘’Pap?’’
‘’JA TESS!’’ zei ik ietwat geïrriteerd.
‘’Van wie is dit?’’
Ik keek in de achteruitkijkspiegel.
Tess zwaaide met tennisracket. Mijn vrouw keek me vragend aan.
‘’Heb jij dit opgehangen?’’
Er hing een ketting met een dolfijntje aan de achteruitkijkspiegel en een sjaal van de plaatselijke voetbalclub lag op de achterbank - Weurtse Boys.
En toen besefte ik het.
‘’Dit is helemaal niet onze auto!’’ Riep ik.
Mijn vrouw en dochter barsten in tranen van het lachen.
Ik had het natuurlijk kunnen weten.
‘’Zie je wel,’’ zei ik lachend tegen mijn vrouw.
''De auto staat op de derde verdieping in plaats van de tweede verdieping.'' zei ik tegen haar.

En dus, na een kleine zoektocht zaten we in onze nieuwe auto en zowaar: de sleutel werkte. Verrassend! Afijn…ik startte de auto en maakte een slinger van de derde naar de tweede verdieping en  daar…daar zagen wij een jong stel bij de auto staan waar wij zojuist in gezeten hadden. De deuren stonden wagenwijd, de eigenaar stond kokhalzend tegen de auto en de dame naast haar stond met een kattenmand in haar hand wat verbaasd te kijken.
‘’Tess, slimmerik! Je bent de kat vergeten!’’

 

 

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
leuke, amusante verhaaltjes.