x

Inloggen

Je bent nog niet ingelogd. Aanmelden of een nieuw account Registreren

Paar korte verhaaltjes

Door Distefano gepubliceerd op Friday 28 September 12:12

korte verhalen

"Clair obscure "

Met een snelheid van ruim twintig knopen spleet de driemaster ‘De Amsterdam’ met zijn machtige voorsteven het groene water van de Noordzee. Onder leiding van kapitein Willem Klump zou het schip de zuidwester Texelstorm niet overleven. Kapitein Klump kon het schip niet veel verder brengen dan de baai bij het Engelse Hastings. Daar raakte het schip een zandbank en verloor het roer. Toen de storm maar niet ging liggen, zag de kapitein zich genoodzaakt de Amsterdam op het strand te zetten, om zo te proberen de rest van de bemanning en het schip van de ondergang te redden. Aan boord was de vijftig jarige Markus Hesselaar, een natuurwetenschapper, die ternauwernood kon ontsnappen aan de Engelse plunderaars die zich tegoed deden aan het zilver, specerijen en andere goederen. Over het strand, onder het gerommel, gebulder en regen van boven vluchtte hij over de duinen naar een klein dorp dat een vijf kilometer achter die duinen lag. Hij bonsde op een houten deur van een klein arbeidershuis. Daar werd hij binnengelaten door een oude man met lange grijze haren, en een grijze baard. Een schilder. Zijn huis stond vol met verfspullen, kwasten in potten, doeken, half afgemaakte doch imposante landschappen en schilderijen van mensen van adel. Na een bad, wat brood en een flinke scheut rode wijn kwamen de twee in gesprek aan een houten tafel voor het raam. Het licht van de olielamp speelde met hun schaduwen, en als de wind toenam, hoorde je hoe krakkemikkig het huisje was. Markus keek naar buiten en constateerde een op- en aankomen van mensen met kisten in hun handen. De regen nam toe en het zicht werd slechter. Behalve het pikkedonker en soms een olielamp die bungelde in de hand van een passant zag hij niets.

‘’Mijn naam is Markus,’’ zei hij in zijn beste Engels, je kan mij Mark noemen en hij schudde de hand van de oude man.
‘’Ik bedank je voor jouw gastvrijheid, ik heb alles verloren.’’
‘’Mijn naam is Benneth, maar je mag mij Ben noemen. Wees welkom, zei hij, ik begrijp dat je van de gestrande driemaster afkomt. Wat was je taak op het schip?’’
‘’Ik ben natuurwetenschapper en zou mij in Azië vestigen bij een drietal andere wetenschappers. Daar zou ik de vervulling van mijn studie afmaken. De Amsterdam, het schip dat nu gestrand is, zou mij daar brengen, zei Mark, ik heb ruim honderd zilveren florijnen moeten betalen voor overtocht.’’

‘’Waarom Azië,’’ vroeg de oude schilder.
‘’Het licht is daar anders,’’ zei Mark terwijl Ben de houten bekers vulde met rode wijn.

‘’Het licht?’’ Interessant. Zei Ben, met zijn schildergedachten die strandde bij zijn laatst gemaakte schilderij. Het schilderij toonde de donkere zee, zwart- groene lucht met hoge rotsen waar de zee haar lichaam tegenaan sloeg. Er volgde een bedachtzame stilte. Ook Mark keek naar het schilderij en zei: Rembrandt schilderde vaak met het licht van schuinboven om zo een gezicht anders te belichten. Clair obscure noemen we dat. ‘’Wij Nederlanders wenden ons vaak naar het licht, dat komt door de platte ligging, de wateren die het licht, de zon weerspiegelen, en de vlakheid van ons land doet belichten. Licht is een drijfveer voor Hollandse schilders, schrijvers en veel dichters, licht gaat hand in hand met de schilderkunst als je het mij vraagt, en wordt vaak te weinig en goed gebruikt door schilders, vervolgde Mark, en wees naar een zelfportret van Ben. Als je kijkt naar schilders in andere landen is het opmerkelijk te zien wat een schilders muze, inspiratie is. Neem bijvoorbeeld de Italianen, die zijn gedreven door verhalen, mystiek en mythes. De schilderijen van Michellangelo zijn daar een goed voorbeeld van. De spanjaarden worden vaak gedreven door hun gemoedstoestanden terwijl de Nederlander veelal gedreven wordt door licht, oud Hollandse scenes zijn een goed voorbeeld, maar ook polderschappen etc etc. Bij het aanschouwen van een schilderij van een Nederlandse schilder zal je oog te allen tijde wenden naar een lichtbron.’’ Nogmaals dit komt door de ligging van ons land. Wij, Nederlanders zijn enkel een plat land gewend en ons oogpunt zal te allen tijde zich richten naar een lichtpunt. Rembrandt had deze constatering door, maar ik wil juist weten hoe licht zich beweegt, en omdat te weten te komen hoe licht zich gedraagt wil ik naar een hoog gelegen plek. In Azië heb je veel bergen. Ik zal daar, in Azië het licht bestuderen. Enzo…ratelde Mark maar door, de verslagenheid van uren daarvoor te hebben vergeten, en vergeten dat een oude schilder die waarschijnlijk zijn gehele leven hier woonde, leefde van brood en wijn en zijn leven had gewijd aan het bestuderen en schilderen van de natuur en het licht. Er hing, die avond, een ontdekking in de lucht en die ontdekking was dat van een schilder die erachter kwam dat licht, het uitgangspunt was.

Het gesprek ging uren door en na een nacht slapen ontwaakte Ben in een oud bed, met jutten zakken als dekens. Die ochtend was de schilder nergens te vinden. Er lag een handgeschreven brief op de houten tafel naast de lege wijnkruik en houten bekers. Mark las ietwat slaperig de brief: Vergeef mij, ik heb de schilderkunst al die tijd verkeerd begrepen, maar ik heb het Licht eerder ontdekt als jij, stond er in de brief. Mark keek ietwat verbaasd, de inhoud van de brief niet begrepen, door het raam en maakte vervolgens de deur van oude woning open. Er stond een jongen met een grijze stoffen pet en een kniebroek die werd omhoog gehouden door bretels. Hij riep: ‘’Hij is dood, hij is dood.’’ De jongen sprintte richting een boerderij. Ietwat verontrust liep Mark de jongen achterna en daar, achter die boerderij in het midden van een grote wei, waar enkele schapen zich tegoed deden aan het gras, hing vredig aan een stuk touw vastgeknoopt aan een boom, Benneth. Dood. De zon straalde zwak door de witte stapelwolken.

 

"Flessenpost"

Vrij- en onafhankelijkheid bestaan niet in dit universum. Of, misschien, enkel in de gedachten van de intellectueel. Met deze filosofische gedachtegang keek hij naar zijn wandelstok die rustte tussen zijn benen. Hij zat op een rots aan een oceaan. Tien jaar geleden was hij hier neergestreken, weg van iedereen, geen mens die hem zou storen. De dagen gingen traag en plots was hij grijs. Een meeuw vloog over. Onderaan de rots speelden drie naakten negertjes in het water. De zee rolde met zijn lichaam. Verder was er enkel de wind, die zo nu en dan een sprint trok en het duinzand deed opwaaien, het helmgras deed rillen, de zeesmaak aan zijn lippen deed zouten. Wat is de tijd gevlogen, waar is al die tijd gebleven? dacht hij, terwijl hij opstond. Zijn botten waren broos, voorzichtig liep hij, leunend op zijn wandelstok over het zandpad omlaag naar het dorp. Er stonden krotten, houten schuurtjes waar hele families sliepen. Trotse vissers liepen met hun vangst bungelend aan visdraden in hun hand.  Vanavond was er een feestmaal maar niet voor hem. Hij hield niet van de warme gezelligheid en ondanks zijn verhoedde pogingen om te integreren, wist hij nimmer te aarden, werd hij gezien als vreemdeling. Maar och, als je die inlanders toch zou mogen zien met hun geschilderde gezichten, lappen stof rond hun schaamdelen en de onverzorgdheid van hun tanden, dan zou je zeggen: dat het nog bestaat.

Die nacht, liep hij, zoals elke avond over het strand, over het natte zand met het zeewater soms tot aan zijn enkels. Hij prikte met zijn wandelstok naar de kwallen op het strand. Voor even bleef hij staan, hoorde hij de trommels, het gelach en gejoel van het avondfeest. Hij keek naar de absolute leegte, het heelal, en keek naar de maan die schaamteloos in vol ornaat haar maanlichten liet dobberen op zee. De sterren fonkelden als kleine lampjes. Er spoelde een oude wijnfles aan. De fles was bedekt met slierten wier en zeemos. In de fles zat een brief. Hij schroefde het verroestte draaidop eraf en vingerde de brief naar eruit. Hoe wonderlijk dacht hij – hoe wonderlijk dat op dit  eiland, dat verstopt lag in de wijde oceaan, flessenpost aanspoelt. De brief in de fles was vergeeld en hij las: Beste Opa, sinds je dood ben ik verdrietig. Was getekend: je dochter.

De woorden in de brief staken hem en na het lezen viel hij op zijn kont in het natte zandstrand. De golven spoelden tot aan zijn voeten en hij ging liggen op zijn rug. Hij keek naar de kraters van de maan. Wat mooi zou het zijn, dacht hij, wat mooi zou het zijn om daar, op de maan te staan. om zo, met een stift de sterren te verbinden, gewoon om te laten weten dat hij ergens zwierf.

 

Leven

Er blies een gure wind, traag. De wereld leek gerimpeld, aanhoudend, zover het oog kon zien; de golven, het zand, de duinen, zelfs de lucht, alles leek gekreukt. Er kroop witgelend schuim over het water dat zijn weg zocht naar het strand, waar het als badschuim op de tegels van een badkamer in elkaar kromp. Een meeuw vloog over. Soms een paar. De lucht was donkerder dan de groengrijze zee. Over het strand, in rubberen laarzen liep ik. Ik volgde een spoor. Het leek op de sporen van een grote hond (de sporen leken eerder op die van een enorme leeuw). Er was daar vrijwel niets anders te zien dan eindeloos zand, water en een grauwe lucht. In de verte spartelde een kapotte roodgele vlieger over het strand als een halfdode vis. De wind nam toe, de golven in die lichtgevende grijsgroene zee veranderde in gebogen, witte mannen, met immens grote armen. Zij zochten naar hun vrijheid en verlossing. Ik liep verder totdat ik in de verte hem zag staan toen ik keek door mijn verrekijker.

Er stond een huis, een houten huis op palen tegen de groene helmduinen aan. Het deed mij verlangen naar mijn pensioen. Ik zou in dat huis oud worden, verdwalen in mijn gedachten, genieten en zitten op mijn veranda. Ik zou saaie stoffige boeken lezen, eindeloos mijmeren, nietszeggende notities maken zoals nu, en op mistige dagen zou ik de traagheid van de druppels bestuderen op de ramen. ‘s Avonds zou ik een dikke sigaar roken. Ik zou hem aansteken met een lange lucifer, de krant openslaan en een nip van een goede, oude rode wijn nemen, dicht, knus, bij mijn openhaard. Voor minuten lang staarde ik naar dat huis, naar het water, naar de oliegekleurde schelpen en kwallen op het strand: was ik in gedachten bij wie weet - mag het zeggen. Toen een windvlaag mijn gedachten verstoorde ware de voetprinten van de leeuw verdwenen, ze waren weggespoeld door de golven en naarmate doorliep en ik dichterbij de vlieger kwam realiseerde ik mij; dat de alcohol uit mijn bloedbanen en de vlieger dood was. Op het rimpelig strand stond ik, met mijn gezicht naar de zee, de harde wind in mijn haren en rug. Ik had mijn piemel in mijn hand en pieste persend hard in zee. Maar niets kon het schuim, de zee stoppen, niets, helemaal niets. Ik besefte dat de wereld niet om mij draaide, niet zoals; het leven. Ik liep verder over het strand, totdat ik bij de vlieger kwam. Het lag half begraven in het zand, dood, en ik realiseerde mij; dat de leeuw hem misschien wel uit de lucht had geslagen, gewoon om ermee te spelen.    

 

 Monsters van de nacht

Ook al stond hij stil als een oude discobal met zeepbellen daaromheen, hij kon haar niet of nauwelijks zien. Hij zag door de scheuren van het dak haar gebroken licht. Vreemd genoeg zag hij geen schaduw, zo troebel was het water. Toch, toen hij een been van een reiger zag staan, vluchtte hij. Ik zat op een brug, liet mijn armen rusten op de reling en mijn benen bungelden boven het water en zag, net als hem, de reiger. Zo nu en dan tipte ik met mijn schoen in het water. Er werd gejaagd in dit water, kleine visjes sprongen op de vlucht. Een straatlantaarn scheen ietwat flauw zijn fletse licht. Een vlieg of tien cirkelde daarom heen. Er heerste daar, aan dat kleine stukje natuur een serene rust. Het was alsof de wind sliep.

Ik keek op mijn telefoon. 03:23 uur. Hij zal zo wel komen. Tussen de rietstengels zwom een rat. De stilte werd doorbroken door het geluid van een auto. Ik stond op, deed mijn schoenen aan en liep door het gras, over een pad, door een klein bos richting een verlaten weg. Een uil keek mij aan. Op de weg stond een zwarte BMW. Het raampje aan de passagierskant ging open en ik reikte twintig euro aan de bestuurder. Er kwam geen woord aan te pas. Mijn dealer reed weg en ik liep terug, richting de brug waar ik eerder zat. Ik ging weer zitten op de brug, met de armen op de reling, met mijn schoenen raakte ik wederom het water. Voor tien minuten keek ik naar het pakketje in mijn hand, naar de witte poeder daarin en naar de sleutel waarmee ik het poeder kon opschrapen. Maar ik snoof er niets van. In plaats daarvan strooide ik het poeder in het water want dit leven moest maar eens ophouden! Het poeder dwarrelde als sneeuwvlokjes naar beneden. De sneeuw ging met de stroming mee. De reiger was nergens meer te bekennen maar toen ik de rat zag vluchtten wist ik dat er een jager in de buurt was. Ik besloot te wachten op een glimp en na enkele minuten sprong de vreemde vis met zijn: lang, olijfgroenig lijf, doorschijnende vinnen en kleine tanden naar boven. Hij moest minstens één meter zijn. Zijn immense sprong verstoorde de rust! Hij zorgde voor commotie in het water, een slachtpartij. Kleine vissen sprongen omhoog, vogels tjirpten en de krekels klaagden van angst! Dit ging door voor minstens een minuut. Een vreemd gezicht ... een vreemd tafereel.

Maar hoe vreemd dit alles ook klinkt. Hoe zou deze jager naar de maan hebben gekeken? - heel anders was de maan, zoals hij waarschijnlijk dacht. Zoals hij het zag vanaf de bodem van de troebele sloot. Misschien dacht hij: dat het een gapend gat in het dak was maar veel groter dan de andere gaatjes in het heelal.

 

 

 

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Leuke korte verhalen.
Duim!
U bent niet ingelogd. Wilt u nu inloggen of een account aanmaken?