Mijn leven in een achteruitkijkspiegel.

Door Conamore gepubliceerd op Friday 28 September 12:09

Kroegtijgers en ontmoeting door de generaties heen

Kroegtijgers

De wat magere grijze dame in het café liet via non verbale communicatie weten dat de lege kruk naast haar niet voor mij bestemd was. Een iets jongere man van een jaar of zestig, waarvan niet duidelijk was of hij nou wel of niet alsnog op de beoogde kruk ging zitten, gaf mij tenslotte met een bevestigend knikje zijn toestemming. De kruk schoof ik wat naar mij toe, ging zitten en ik zou daar geen spijt van krijgen.
Ik was zomaar een volkscafé binnengelopen, zaterdag net na vijven en half maart, dus geen geschikt moment om het nog aangenaam te hebben op het terras. Binnen in het café zag het blauw van de rook en verder voerde vooral gerimpeld grijs de nogal uitbundige boventoon.
Ik was hier net niet helemaal de jongste maar dat scheelde vast niet veel. Het was druk en er hing een uitgelaten sfeer. De livemuziek en de drank had veel van de ouderen op de been gebracht in een soort dansjes die veel weg hadden van volkse polka’s maar verraadde ook enige rudimentaire scholing, als quicksteps of wat voor soort technische termen daar dan ook verder bij horen.


Geland aan de bar voelde ik mij als een verdwaalde en vreemde eend in de bijt. Ik hield tijdens mijn eerste biertje mijn jas strak aan en vooral ook mijn tas in de gaten. Gewoon omdat ik niks anders te doen had en ik mij nogal ongemakkelijk voelde bij die vragende ogen die ik op mij gericht voelde.


De dame naast mij bleef, tot en met mijn eerste biertje, zeer gereserveerd en niet geneigd  om mij als buitenstaander te accepteren. Ze had een voor de helft gevuld glas chocomel voor zich staan en vroeg de barkeeper om extra ijs. Die kreeg zij volop en tenslotte, verrassend genoeg, ook nog wat extra aanvulling.
Die aanvulling werd de aanzet om tussen ons het ijs te breken. Ik vroeg haar  “oké, dus dat is niet alleen maar pure chocomel…”. Ze lachte samenzweerderig en vertelde plotsklaps vriendelijk dat ze helaas geen andere drankjes meer kon verdragen. Sinds ze was geopereerd aan darmkanker. Dit was zo ongeveer het enige aan gezellige drankjes wat ze wel kon hebben. Ze had zich  geestelijk en lichamelijk redelijk hersteld en van de aardige chirurg – “zo’n dame die gemakkelijk praat, eigenlijk net zoals u” - het advies gekregen om gewoon de draad weer op te pakken. Zo mocht ze het nu vooral naar haar zin hebben, eten en drinken wat ze lekker vond en stoppen met roken was ook niet geen noodzakelijk. De toon was gezet en blijkbaar voelde zij zich in ons praatje op haar gemak. Het leek mij interessant wat zij mij te vertellen had en ondanks de snerpend harde muziek kon ik genoeg opvangen van wat zij ook mij blijkbaar wilde toevertrouwen.
Ze had haar leven lang hard gewerkt en “niet alleen uit noodzaak hoor…, want later ook wel met veel genoegen”. 
Van de nood blijkbaar een deugd gemaakt – dacht ik bij mijzelf - zoals veel mensen van haar generatie dat ogenschijnlijk met een dosis souplesse vaak hadden kunnen opbrengen.
Op zeventienjarige leeftijd had zij haar eerste kind gekregen en de tweede volgde binnen een paar jaar. Doch, haar toenmalige man had haar zo jammerlijk mishandeld dat haar tweede kind vroegtijdig gehaald moest worden. Toen de baby eenmaal geboren was bleek haar man vertrokken. Dit tweede kindje had door de opgelopen beschadigingen nog een half jaar in het ziekenhuis door moeten brengen.
Zij zelf en haar oudste kind waren inmiddels ingetrokken bij haar moeder. Een situatie die voor die tijd niet uitzonderlijk was, want “ja, uitkeringen bestonden er toen gewoonweg niet”. Een moeder dus, die in haar gescheiden staat van dienst werd opgevangen door weer haar moeder, die op haar beurt haar man ook jong verloren was. Hij was omgekomen in de strijd en wel in de slag om de Grebbenberg. “Het leek allemaal zo uitzichtloos in die periode…”, verzuchtte ze.


De dame naast mij pakte gretig haar kans om datgene te vertellen wat ze wilde en draaide zo tussendoor haar shagjes. Ik deed dapper mee en bestelde mijn volgende biertje en trok mijn jas maar uit.


Om toch in haar onderhoud en dat van haar kinderen te kunnen voorzien had ze voor ’s avonds werk gevonden in de horeca. Dat werd gelukkig zwart betaald en overdag zorgde ze ervoor dat een aantal kantoren er weer spik en span uitzagen. “Natuurlijk was dat afzien, maar het resulteerde tenslotte wel in een sleutel voor haar eigen woning, in het jaar dat haar zoontje, de oudste van de twee, zes geworden was.”  Kort daarna was zij zelfs in de gelegenheid om een eigen horecazaak te beginnen, midden in het centrum van de stad. Die zaak had ze lange tijd gehad en een paar jaar geleden met een aardige winst verkocht.
Het was altijd haar droom geweest om op haar oude dag naar Frankrijk te verhuizen, “naar een klein huisje op het platteland en dan een beetje rommelen in de groetentuin”. Helaas was het daar niet meer van gekomen, dat kwam door die enge ziekte die ineens bij haar werd vastgesteld.
Ik hoefde maar heel weinig te doen om de onophoudelijke stroom aan informatie te laten uitrollen. Het ging als van zelf en ze kwam op thema’s die voor mij – al dan niet in wat andere nuanceringen – zeer herkenbaar waren. Zo vertelde ze mij dat ze heel blij was dat het haar kinderen goed ging en ook met haar enige kleinzoon. Hij belde haar wel eens, maar ja, verder hadden ze allemaal hun eigen leven en bleek er maar weinig tijd over voor een beetje meer contact met haar. Dat contact verliep vaak via de telefoon en dat vond ze wel een beetje onpersoonlijk. “Ja, ze had het natuurlijk goed en met het geld uit haar zaak kon ze nu doen wat ze wilde” en dat deed ze dan ook. Zeker een keer in de veertien dagen ging ze bijvoorbeeld langs de Turk om daar een afhaalmaaltijd te bestellen. En voor haar dagen had ze een vaste invulling kunnen vinden. Vooral om bezig te blijven en het gevoel van eenzaamheid een beetje naar de achtergrond te schuiven. Iedere dag stond ze vroeg op en zorgde er voor dat haar huishouding schoon en netjes op orde bleef. Om half een zette ze dan voor zichzelf nog eens een lekker kopje koffie en deed een paar uur aan invullen van kruiswoordpuzzels, “van die doorlopers weet u wel?”
Al naar gelang ze daar zin in had ging ze dan om een uur of drie naar buiten, ook voor de boodschappen. Een paar cafeetjes in de buurt kende haar als regelmatig terugkerende gast en zij zag vaak vaste bezoekers van vroeger terug, nog uit de tijd van haar eigen zaak. Die waren dan inmiddels ook in het Oude Noorden neergestreken. Eigenlijk vond ze wel dat Nederland in het algemeen en Rotterdam in het bijzonder, toch wel erg was weggegeven. Overal waar woningen tegenwoordig leeg kwamen zag zij Turken en Marokkanen hun intrek nemen en die waren niet eens bereid om wie dan ook te groeten in het portiek.
Het was een klinkklare mening die naar mijn idee wel erg bij deze wat oudere en misschien wat angstigere generatie thuishoorde. In haar duidelijke ongenoegen vertelde ze dat ze eens had geïnformeerd naar een plek voor haar in een nog te bouwen seniorencomplex, maar kreeg te horen dat ze daar niet voor in aanmerking kwam. “Enkel en alleen omdat ze niet van buitenlandse afkomst was.” 
Ja, daar stokte ons gesprek voor een momentje. Gek genoeg was ze zelf heel snel in staat om haar vaste ideeën ook weer wat te verzachten en zwaaide uitbundig naar een Turkse man aan de andere kant van de bar. Ze kende hem blijkbaar goed en, nagenoeg naadloos op haar gedane uitspraak, volgde het oordeel  “dat er ook best wel goede mensen waren onder al die buitenlanders”. Maar, in het bijzonder voor Antillianen en Marokkanen, daar kon ze maar weinig goede woorden voor verzinnen. “Die jongeren hingen maar hele dagen een beetje rond op een leeftijd dat ze of naar school zouden moeten of aan het werk.” 
Om de zaak niet verder op de spits te drijven gooide ik het voorzichtig over de vorige boeg en het lukte mij het gesprek terug te voeren op haar kinderen. “Ach ja,met mijn kinderen gaat het goed, en ik zou ze zeker niet willen missen, maar als ik alles over moest doen dan zou ik er nooit meer aan beginnen”. Er kwam een vastberadenheid boven die, gecombineerd met de inhoudelijk boodschap vol zere bitterheid, bij mij aankwam als een heftige elektrische stroomstoot. Ze leek zelf ook even in een verwarde tweestrijd door deze eerlijke uitgesproken bekentenis en dronk – een beetje schuivend op haar kruk - maar gauw een slok van haar opgepimpte chocomel. “Tja, ik heb mijn leven lang gewerkt om goed voor mijn kinderen te zorgen, maar ja, op alle schoolgesprekken stond ik er toch alleen, en eigenlijk moest ik altijd alles zelf en in mijn eentje beslissen. Er is geen klankbord en je weet nooit of je het nou wel of niet goed doet.  Uiteindelijk kreeg ik dan ook nog te horen dat de kinderen zich te kort gedaan voelden, omdat er voor hen geen vader was. Je bent zo geneigd om je dat soort dingen aan te trekken en je dan daarom nog eens zoveel meer schuldig te voelen.”  Er schoot mij,  ondanks mijn slok van het derde biertje, een flinke brok in de keel. Want was dit niet precies wat ik zelf ook als alleengaande moeder van een dochter zo verschrikkelijk lastig had gevonden? Het voelde alsof ik via een denkbeeldige achteruitkijkspiegel heel helder in mijn eigen leven keek. De moeizame combinatie van het uit en thuis drie slagen in de rondte werken op een kaal bestaansminimum en daar niet of nauwelijks begrip voor terug zien van wie dan ook in je omgeving.
Het dubbele van er zo maximaal te willen zijn voor een kind, tegen de achtergrond dat je tekort schiet, en daarnaast nog eens de extra pijn dat je - én alleen én machteloos staat - voor alles wat een kind aan leed wordt aangedaan en/of zo maar overkomt.
Het was voor mij onmogelijk om zo maar over deze enigszins vergelijkbare en nu gezamenlijk gedragen gekwetstheid en teleurstelling heen te stappen. Een paar dikke tranen, die de laatste weken al vaker zo vlak achter de façade verstopt zaten, rolden zonder mankeren en schaamteloos over mijn wangen en ik had nog een nieuw biertje nodig om de zaken voor mijzelf weer wat luchtiger te kunnen zien. Gelukkig gaf zij totaal geen aandacht aan mijn persoonlijke geraaktheid en kon ik mij bedwingen in het toegeven aan mogelijk nog meer dreigende vloeibare emoties. Want, een beetje voluit gaan zitten janken in een café, te midden van zoveel joligheid, zou ik mij – ondanks mijn gewonde waardigheid -  natuurlijk niet kunnen permitteren.
Mijn barbuurvrouw kwam over als een ietwat gedistingeerde dame die in haar verschijning uiting kon geven aan haar persoonlijke smaak met daarbij behorende eenvoudige ingehouden stijl. Ze heette Cornelia en had de respectabele leeftijd bereikt van 73 jaar, was gekleed in een effen lichtblauwe pantalon, daarop een lichte bloesje met pastelkleurige bloemetjes. Aan beide ringvingers droeg ze in totaal vier gouden ringen, waarvan er eentje met een opvallende turkooizen steen. Ze had vandaag vermoedelijk met veel zorg besloten tot deze outfit en zich zo goed voorbereid op haar zaterdagse uitje. In de zilverkleurige sandaaltjes zaten bescheiden voetjes in een vleeskleurige panty en haar neutraal gelakte teennagels waren ook lichtglanzend zichtbaar.
De chocomel liet ze nog maar eens bijvullen en ze keek fier om zich heen vanuit de overtuiging dat zij zich hier thuis mocht voelen in het café en benadrukte dat door de wijze waarop ze regelmatig andere cafégangers heel enthousiast begroette. 
Het brede repertoire aan voorbijkomende schlagers kon zij tussendoor en nagenoeg foutloos meezingen,  van Corrie Konings “mooi was die tijd” tot en met Astrid Nijgh  “ik doe wat ik doe” en ze verontschuldigde zich omdat dit nou eenmaal de liedjes zijn in een café en indertijd ook in haar zaak werden gedraaid. Persoonlijk had zij meer met bijvoorbeeld Edith Piaff en andere vooral Franstalige zangers en zangeressen. 


In mijn poging haar vriendelijk tegemoet te komen prees ik haar met haar kracht en karakter, omdat ze zo goed voor haar kinderen had kunnen zorgen en ook voor haar goede smaak in de door haar genoemde en geliefde muziek. “Ach zei ze, sterk ben ik wel hoor, maar ja ook een kreeft hè. Die lijkt naar buiten toe strak en aangepast aan precies zoals het hoort, zeker in zaken, maar van binnen is die o zo gevoelig. Daarvan laat ik eigenlijk liever helemaal niks zien. En ja, die goede smaak die heb ik meegekregen van een bevriend homostel. Een prachtig penthouse hadden die met zijn tweeën en ik zorgde voor de post als ze in het buitenland waren. De hele woning hadden ze aan alle kanten tot in de puntjes ingericht, van prachtig kristal tot moderne kunst”. Daar had ze haar ogen uitgekeken en veel van geleerd. Zij konden ook bijvoorbeeld zo maar tegen haar zeggen  “ja, zo’n jurk dat kan nou wel de trend zijn, maar als het je niet staat, dan moet je daar gewoon niet voor kiezen”.
Ik bleef met aandacht naar haar luisteren en herkende in zowel de bondig geschetste kreeftentrekjes, alsook de stylingcapaciteiten van het homostel, nogal wat raakvlakken rond zaken uit mijn eigen recentelijk en botweg platgebombardeerde relatie.
Vanuit de opkomende behoefte nog meer persoonlijks met haar te delen vertelde ik over de onzekerheden die ook mij kort geleden qua gezondheid hadden overvallen. Dat ik volgende week opnieuw naar het ziekenhuis zou moeten vanwege een onderzoek naar mogelijke borstkanker. Ook hierin gaf ze aan direct te begrijpen wat voor impact dat kon hebben. “Ja, ook al is er helemaal niks aan de hand, je zit dan opgescheept met de dagelijks terugkerende gedachte dat er toch echt van alles mis is. Het gaat tussen de oren zitten en dat gaat er niet meer uit”. Ik vond het verbluffend hoe snel en nauwkeurig zij kon verwoorden wat er op dat gebied onomkeerbaar voor mij binnengeslopen was.
Het voelde steeds meer als een bijzondere en ook goed getimede ontmoeting en dat nog eens extra toen ik mijzelf samen met haar (nu nog) uit volle borst mee hoorde zingen bij een ‘gouwe ouwe’ van Doris Day: “Oue sera sera, whatever will be will be… the future’s not ours to see, que sera sera…”
Na het vijfde biertje was het welletjes voor mij en tijd om af te rekenen en nam afscheid van deze sterke mevrouw, die mij tenslotte nog als een soort aardige aanmoediging zou vragen “Nou kind…, heb je het een beetje naar je zin gehad?”
Daar had ik zeker een antwoord op, ik gaf haar welgemeend een warme hand en als aanvulling twee dikke zoenen, voor elke eenzame wang een.
 

Reacties (4) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
erg mooi, dikke duim
Erg mooi geschreven! Duim van vlindertje73
Een plus erbij.
Wat mooi geschreven, de complimenten! Graag gelezen.