Online magazine over het leven, de samenleving, vrije tijd, sport, entertainment en spellen.
Onafhankelijk sinds 2011

Van Watergate tot elk nieuw -gate

Elk politiek conflict van enige omvang krijgt vandaag binnen enkele dagen een naam die op -gate eindigt. Dat gebeurt zo automatisch dat de naam soms eerder bestaat dan het bewijs. Waar dat achtervoegsel vandaan komt, en wat je erover kunt zeggen zonder partij te kiezen, is een leerzaam stukje mediageschiedenis.

Waar het vandaan komt

Van één gebouw. Watergate was de naam van een kantoor- en hotelcomplex in Washington waar werd ingebroken in het campagnekwartier van een politieke partij. De zaak groeide uit tot een onderzoek naar het afdekken ervan, en eindigde met het aftreden van een Amerikaanse president.

Wat die zaak tot een blijvend patroon maakte, was niet de inbraak maar de structuur: een klein feit, een poging het te verbergen, journalisten die dooronderzochten, en uiteindelijk vergaderingen, opnames en documenten die het verhaal hard maakten. Sindsdien is de naam van het gebouw synoniem met precies die structuur.

Waarom het achtervoegsel zo makkelijk werkt

Omdat het in één lettergreep een verhaal belooft: hier wordt iets verborgen gehouden en het gaat hoger reiken dan nu blijkt. Dat is een aantrekkelijke belofte voor een kop, en ze is onweerlegbaar zolang er nog niets is opgehelderd.

Taalkundig is het merkwaardig: het deel gate betekende in het oorspronkelijke woord niets anders dan poort. Toch is het als achtervoegsel volledig zelfstandig geworden en wordt het in vele talen gebruikt, ook voor zaken die met politiek niets te maken hebben — sportzaken, bedrijfszaken, ruzies binnen een televisieprogramma.

Beschuldiging en schandaal zijn niet hetzelfde

Hier zit het probleem met het gemak van de naamgeving. Een schandaalnaam suggereert een vastgesteld feit, terwijl er in veel gevallen een beschuldiging ligt die nog moet worden onderzocht. Dat geldt voor beschuldigingen van alle politieke richtingen, en het geldt voor zaken die later worden bevestigd net zo goed als voor zaken die instorten.

Vier vragen helpen om ze te scheiden. Wat is het concrete feit dat wordt gesteld, los van de conclusie? Welk controleerbaar materiaal ligt eronder — documenten, opnames, verklaringen onder ede? Is er een onderzoek door een instantie die niet zelf partij is, en wat heeft dat vastgesteld? En: wat zou aantonen dat de beschuldiging onjuist is?

Die laatste vraag is de scherpste. Een bewering die door geen enkele uitkomst kan worden weerlegd — elke ontkenning is bewijs van de doofpot — is geen onderzoek meer maar een geloof.

Wat de geschiedenis leert

Dat beide uitkomsten voorkomen. Er zijn zaken die met een spottende naam begonnen en waarin later werkelijk misstanden zijn vastgesteld, en er zijn zaken met een even sprekende naam die na onderzoek niets bleken. Van buiten zijn die twee in het begin niet te onderscheiden, en dat is precies waarom de naam niets bewijst.

De praktische les is bescheiden maar nuttig: gebruik zulke namen als aanduiding van een zaak en niet als samenvatting van het oordeel. Wacht op wat er wordt vastgesteld, en let daarbij op wie het vaststelt. In de oorspronkelijke zaak kwam de doorslag niet van de kop in de krant maar van de opnames en van getuigen onder ede — en die volgorde is sindsdien niet veranderd.