Online magazine over het leven, de samenleving, vrije tijd, sport, entertainment en spellen.
Onafhankelijk sinds 2011

Wie bezit de schuld van een land?

Rond de staatsschuld van grote landen bestaat een beeld dat vrijwel niet uit te roeien is: dat een ander land de schuld in bezit heeft en die op een ongelegen moment kan opeisen. Dat beeld is onjuist, en waarom het onjuist is, wordt duidelijk zodra je weet hoe zulke schuld ontstaat en wie hem in handen heeft.

Hoe een staat leent

Een staat leent niet bij een bank met een leningsovereenkomst, maar geeft schuldpapier uit: obligaties en kortlopende papieren met een looptijd en een rente. Die worden op een veiling verkocht aan wie erop biedt, en daarna zijn ze vrij verhandelbaar.

Dat laatste is de sleutel. Wie zo'n stuk papier koopt, heeft recht op de rente en op terugbetaling aan het eind van de looptijd — niets meer. Hij kan geen betaling vooraf eisen, geen voorwaarden stellen en geen bezittingen opvragen. Wil hij van het papier af, dan verkoopt hij het aan iemand anders op de markt, en dat raakt de staat niet.

Wie de houders zijn

Grofweg vijf soorten, en de eerste wordt bijna altijd vergeten.

Het grootste deel zit binnenlands. Pensioenfondsen en verzekeraars hebben staatspapier nodig omdat ze langlopende verplichtingen hebben en zeker moeten weten dat er geld is als dat moet worden uitbetaald. Banken houden het aan omdat toezichthouders van ze eisen dat ze veilige bezittingen op de balans hebben. Particuliere spaarders bezitten het indirect, via een pensioenregeling of een beleggingsfonds.

Daarnaast houden overheidsinstellingen zelf schuldpapier aan — sociale fondsen die tijdelijke overschotten ergens moeten parkeren — en kopen centrale banken het op als onderdeel van hun beleid.

De buitenlandse houders vormen de laatste groep. Daarin zitten centrale banken van andere landen die deviezenreserves aanhouden, staatsfondsen, en gewone buitenlandse beleggers. Reserves van centrale banken zijn er niet om invloed uit te oefenen maar omdat een land iets liquide en veilig wil bezitten voor als het zijn eigen munt moet verdedigen.

Waarom dat geen wapen is

Omdat de houder net zoveel te verliezen heeft als de uitgever. Dumpt een grote buitenlandse houder zijn papier plotseling, dan drukt hij de prijs van precies de stukken die hij zelf nog bezit; hij schrijft zijn eigen reserves af. Bovendien moet hij de opbrengst ergens anders onderbrengen, en voor de omvang waar het om gaat, bestaan maar weinig markten die dat kunnen opnemen.

Daarnaast is er een technisch punt. Een staat die in zijn eigen munt leent, kan zijn eigen munt niet opraken; het risico is dan geen faillissement maar inflatie en een hogere rente. Landen die in een vreemde munt lenen, zitten in een volstrekt andere positie — en het is dat onderscheid dat in discussies over schuld het vaakst wordt overgeslagen.

Wat werkelijk van belang is

Niet wie de schuld bezit, maar drie andere dingen: de verhouding tussen schuld en de omvang van de economie, de rente die betaald moet worden, en de looptijden — hoeveel er op korte termijn moet worden geherfinancierd. Een land met een grote schuld tegen lage rente en lange looptijden staat er beter voor dan een land met een kleinere schuld die telkens opnieuw moet worden geleend.

Wie een schuldbedrag ziet, kan er dus weinig mee zolang die drie ontbreken. Dat is minder spannend dan de gedachte dat de rekening ergens klaarligt om te worden ingeleverd, maar het is de manier waarop het werkt.