De Bijbelse geschiedenis van Gods ware aanbidders

Door Sophia24 gepubliceerd op Thursday 09 April 15:42

Veel nadenkende mensen in deze tijd erkennen dat de grote christelijke en niet-christelijke godsdiensten weinig doen om de mensheid te helpen. Sommigen zijn het erover eens dat religies door hun leerstellingen en hun gedrag een verkeerd beeld geven van God en daardoor niet zijn goedkeuring kunnen hebben. Maar ze geloven ook dat er in alle religies oprechte mensen zijn en dat God die opmerkt en ze beziet als zijn aanbidders op aarde. Ze vinden het niet nodig om valse religie de rug toe te keren om God te gaan aanbidden als een afgescheiden volk. Maar hoe is Gods kijk hierop?

Al in de twintigste eeuw v.Chr. had God een afzonderlijk volk op aarde. Abraham, die „de vader van allen die geloof hebben” wordt genoemd, stond aan het hoofd van een  huisgezin van honderden personen. Regeerders in Kanaän bezagen hem als een machtig overste en behandelden hem met respect. God sloot een verbond met Abraham en zijn nakomelingen. Hij zei tegen Abraham: „Dit is mijn verbond dat gijlieden zult houden, tussen mij en ulieden, ja, uw zaad na u: Al wat mannelijk onder u is, moet besneden worden. En het moet dienen tot een teken van het verbond tussen mij en u” (Gen. 17:10, 11). Abraham en „alle mannen van zijn huisgezin” werden vervolgens besneden. Besnijdenis was een fysiek teken dat Abrahams nakomelingen kenmerkte als het enige volk dat een verbond had met Jehovah God.

Abrahams kleinzoon Jakob, die later de naam Israël kreeg, had twaalf zonen. Uiteindelijk zouden zij de hoofden van de twaalf stammen van Israël worden (Hand. 7:8). Vanwege een hongersnood gingen Jakob en zijn huisgezin naar Egypte. Een van zijn zonen, Jozef, was daar de voedselbeheerder en rechterhand van Farao geworden (Gen. 41:39-41; 42:6). Jakobs nakomelingen waren uitgegroeid tot een groot volk.

De nakomelingen van Jakob verbleven ruim tweehonderd jaar in Egypte, in een regio in de Nijldelta die Gosen heette. Ze woonden in kleine steden en weidden hun kudden. Het lijkt erop dat ze ongeveer de helft van die periode in vrede samenleefden met de Egyptenaren. Ze waren ooit hartelijk ontvangen door Farao, die veel waardering had voor Jozef. De Egyptenaren zelf keken neer op mensen die schapen hoedden. Maar ze moesten Farao gehoorzamen en de aanwezigheid van de Israëlieten tolereren (Gen. 46:31-34)

Maar de situatie van Gods volk veranderde ingrijpend. „Na verloop van tijd stond er een nieuwe koning op over Egypte, die van Jozef niet meer af wist. Hij dan zei tot zijn volk: ’Ziet! Het volk van de zonen van Israël is talrijker en machtiger dan wij.’ Dientengevolge dwongen de Egyptenaren de zonen van Israël onder tirannie slavendienst te verrichten. En zij bleven hun het leven bitter maken met harde slavenarbeid in leemmortel en bakstenen en met elke vorm van slavenarbeid op het veld, ja, elke vorm van slavenarbeid van hen waarvoor zij hen onder tirannie als slaven gebruikten” (Ex. 1:8, 9, 13, 14).

De nieuwe Farao gaf zelfs het bevel alle Hebreeuwse jongetjes bij de geboorte te doden (Ex. 1:15, 16). Het was in die tijd dat Mozes geboren werd. Toen hij drie maanden oud was, werd hij door zijn moeder, Jochebed, in het riet van de Nijl verborgen. Hij werd gevonden door Farao’s dochter, die hem later adopteerde. Door goddelijk ingrijpen mocht de moeder van Mozes hem de eerste jaren van zijn leven opvoeden, en hij werd een trouwe aanbidder van Jehovah (Ex. 2:1-10; Hebr. 11:23-25). Jehovah zag het lijden van zijn volk en besloot dat hij ze door bemiddeling van Mozes van hun onderdrukkers zou bevrijden (Ex. 2:24, 25; 3:9, 10). Op die manier zouden ze een volk worden dat „losgekocht” was door Jehovah (Ex. 15:13)

Hoewel Jehovah de Israëlieten nog niet tot een natie had georganiseerd, erkende hij ze als zijn volk. Mozes en Aäron kregen daarom de opdracht om tegen Farao te zeggen: „Dit heeft Jehovah, de God van Israël, gezegd: ’Zend mijn volk heen, opdat zij mij in de wildernis een feest vieren’” (Ex. 5:1).

Om de Israëlieten van onderdrukking te bevrijden, bracht Jehovah tien plagen over Egypte en vernietigde hij Farao en zijn legers in de Rode Zee (Ex. 15:1-4). Nog geen drie maanden later sloot Jehovah bij de berg Sinaï een verbond met de Israëlieten en deed hij deze historische belofte: „Indien gij mijn stem strikt zult gehoorzamen en mijn verbond inderdaad zult onderhouden, dan zult gij stellig uit alle andere volken mijn speciale bezit worden, een heilige natie” (Ex. 19:5, 6).

Toen de Hebreeën in Egypte waren — voordat ze tot slaven werden gemaakt — werden ze georganiseerd tot een maatschappij bestaande uit stammen die bestuurd werden door familiehoofden, oftewel patriarchen. Deze familiehoofden hadden net als Jehovah’s aanbidders die vóór hen leefden, de rol van regeerder, rechter en priester (Gen. 8:20; 18:19; Job 1:4, 5). Maar via Mozes gaf Jehovah de Israëlieten een wetsstelsel dat ze zou onderscheiden van alle andere naties (Deuteronomium 4:5-8; Ps. 147:19, 20). De Wet voorzag in een afgezonderde priesterschap. Daarnaast werd er rechtgesproken door „de oudere mannen”, die gerespecteerd werden vanwege hun kennis en wijsheid (Deut. 25:7, 8). De Wet gaf structuur aan het religieuze en sociale leven van de nieuwe natie.

Net voordat de Israëlieten het beloofde land binnengingen, herhaalde Jehovah zijn wetten. Mozes zei: „Wat Jehovah betreft, hij heeft u heden laten zeggen dat gij zijn volk zult worden, een speciaal bezit, juist zoals hij u heeft beloofd, en dat gij al zijn geboden zult onderhouden, en dat hij u hoog boven alle andere natiën die hij heeft gemaakt, zal verheffen, tot lof en roem en luister, terwijl gij u een heilig volk voor Jehovah, uw God, betoont” (Deut. 26:18, 19).

Hoewel Jehovah nu een uitverkoren natie op aarde had, stond hij toe dat er niet-Israëlieten onder zijn volk waren. De Bijbel zegt dat „een groot gemengd gezelschap” van niet-Israëlieten, onder wie ook Egyptenaren, Gods volk vergezelden toen hij ze uit Egypte bevrijdde (Ex. 12:38; vtn.). Zo vreesden sommigen van „Farao’s dienaren” ten tijde van de zevende plaag Jehovah’s woorden (Ex. 9:20). Ongetwijfeld maakten zij deel uit van het gemengde gezelschap dat Egypte samen met de Israëlieten verliet.

Net voordat de Israëlieten de Jordaan overstaken om Kanaän in bezit te nemen, zei Mozes dat ze „de inwonende vreemdeling” die bij hen verbleef, moesten liefhebben (Deut. 10:17-19). Gods uitverkoren volk moest een buitenlander die bereid was zich aan de basiswetten te houden, in hun gemeenschap opnemen (Lev. 24:22). Sommige inwonende vreemdelingen werden zelfs aanbidders van Jehovah en hadden dezelfde gevoelens als  de Moabitische Ruth, die tegen de Israëlitische Naomi zei: „Uw volk zal mijn volk zijn, en uw God mijn God” (Ruth 1:16). Deze inwonende vreemdelingen werden proselieten, en de mannen lieten zich besnijden (Ex. 12:48, 49). Jehovah aanvaardde ze graag als leden van zijn uitverkoren volk (Num. 15:14, 15).

Toen de tempel van Salomo aan Jehovah werd opgedragen, werden er regelingen getroffen voor niet-Israëlitische aanbidders. Dat blijkt uit het gebed van Salomo: „En ook naar de buitenlander, die geen deel uitmaakt van uw volk Israël en die wegens uw grote naam en uw sterke hand en uw uitgestrekte arm werkelijk uit een ver land komt, en zij komen inderdaad en bidden in de richting van dit huis, moogt gíȷ́ dan vanuit de hemel, vanuit uw vaste woonplaats, luisteren, en gij moet doen overeenkomstig alles waarom de buitenlander tot u roept; opdat alle volken der aarde uw naam kennen en u vrezen, evenals uw volk Israël, en weten dat uw naam uitgeroepen is over dit huis dat ik heb gebouwd” (2 Kron. 6:32, 33). Elke niet-Israëliet die de wens had om Jehovah te aanbidden, wilde zich aansluiten bij Zijn verbondsvolk, zoals dat in Jezus’ tijd nog steeds het geval was (Joh. 12:20; Hand. 8:27).

De Israëlieten aanbaden hun God, Jehovah, terwijl andere naties hun eigen goden aanbaden. In de tijd van de profeet Jesaja vergeleek Jehovah de wereldsituatie met een rechtszaak. Hij daagde de goden van de naties uit getuigen op te roepen, zodat die hun goddelijkheid konden bevestigen. Hij zei: „Laten de natiën allemaal op één plaats bijeengebracht worden en laten nationale groepen vergaderd worden. Wie [van de goden] onder hen kan dit vertellen? Of kunnen zij ons zelfs de eerste dingen doen horen? Laten zij hun getuigen verschaffen, opdat zij rechtvaardig verklaard mogen worden, of laten zij horen en zeggen: ’Het is de waarheid!’” (Jes. 43:9).

De goden van de naties konden niet bewijzen dat ze goddelijk waren.  Het waren gewoon afgoden die niet konden praten en niet konden bewegen (Jes. 46:5-7). Maar Jehovah zei tegen zijn volk Israël: „Gij zijt mijn getuigen, ja, mijn knecht die ik verkozen heb, opdat gij het weet en geloof in mij hebt, en opdat gij begrijpt dat ik Dezelfde ben. Vóór mij werd er geen God geformeerd, en na mij bleef het zo dat er geen was. Ik — ik ben Jehovah, en buiten mij is er geen redder. Daarom zijt gij mijn getuigen, en ik ben God” (Jes. 43:10-12).

Jehovah’s volk moest als het ware getuigen in een universele rechtszaak over de vraag: ’Wie is de allerhoogste God?’ Ze moesten ervan getuigen dat Jehovah de enige ware God is. Hij noemde ze „het volk dat ik mij heb geformeerd, opdat zij mijn lof zouden verhalen” (Jes. 43:21). Ze waren een volk dat zijn naam droeg. Omdat ze door Jehovah losgekocht waren uit Egypte, hadden ze de morele verplichting om zijn soevereiniteit hoog te houden te midden van de volken om hen heen. Ze moesten net zo’n houding hebben als Gods volk in deze tijd; de profeet Micha beschreef die houding als volgt: „Alle volken, van hun kant, zullen elk in de naam van hun god wandelen; maar wij, van onze kant, zullen wandelen in de naam van Jehovah, onze God, tot onbepaalde tijd, ja voor eeuwig” (Micha 4:5).

Het is triest te zien dat de Israëlieten hun God niet trouw bleven. Ze lieten zich beïnvloeden door de naties die goden van hout en steen aanbaden. In de achtste eeuw v.Chr. schreef de profeet Hosea: „Israël is een verwilderende wijnstok. Hij heeft zijn altaren vermenigvuldigd. Hun hart is huichelachtig geworden; nu zullen zij schuldig bevonden worden” (Hos. 10:1, 2). Ongeveer anderhalve eeuw later schreef Jeremia wat Jehovah tot Zijn ontrouwe volk zei: „Ik had u geplant als een uitgelezen rode wijnstok, in zijn geheel een waar zaad. Hoe zijt gij dan jegens mij veranderd in de ontaarde scheuten van een uitheemse wijnstok? Waar zijn uw goden die gij u gemaakt hebt? Laten ze opstaan indien ze u kunnen redden ten tijde van uw rampspoed, Mijn eigen volk, zij hebben mij vergeten” (Jer. 2:21, 28, 32).

Israël had goede vruchten moeten voortbrengen: de ware aanbidding beoefenen en optreden als Jehovah’s trouwe getuigen. Maar dat deden ze niet. Ze brachten de rotte vruchten van afgoderij voort. Jezus zei daarom tegen de schijnheilige Joodse leiders in zijn tijd: „Het koninkrijk Gods zal van u worden weggenomen en aan een natie worden gegeven die de vruchten daarvan voortbrengt” (Matth. 21:43). Wie zouden deel gaan uitmaken van die nieuwe natie? Jehovah had via de profeet Jeremia „een nieuw verbond” voorzegt. Alleen degenen die in dat verbond opgenomen waren, konden deel gaan uitmaken van de nieuwe natie: het geestelijke Israël. Jehovah had over de geestelijke Israëlieten geprofeteerd: „Ik wil hun God worden en zíȷ́ zullen mijn volk worden” (Jer. 31:31-33).

Nadat het vleselijke Israël ontrouw was geworden, maakte Jehovah in de eerste eeuw dus het GEESTELIJKE ISRAEL tot zijn volk. Maar wie of wat is nu het Geestelijke Israël?

Velen denken dat het hedendaagse land Israël nog steeds het verbondsvolk van God is. Maar uit de Bijbelse geschiedenis blijkt dat dus niet zo te zijn!

Sophia

vervolg ( wie of wat is het Geestelijke Israël )

www.jw.org/nl

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Velen, ook Jehovah's Getuigen hebben een 'verkeerd' beeld van wie of wat GOD in werkelijkheid is. Alleen zij die 'vrijzinnig' zijn, niet dogmatisch en ook buiten de bijbel kunnen doordenken en leren, komen verder in hun spirituele ontwikkeling. Jehovah's Getuigen en sommige andere zogeheten 'christelijke' denominaties'met inbegrip van de orthodoxe Rooms Katholieke en Protestantse kerkinstituties zijn blijven stilstaan in hun spirituele ontwikkeling. Zij geloven nog in een Duivel/Satan, en of Hel, Paradijs en of zelfs in een drieenige God! Sommigen beweren dat de bijbel 'het woord van God' is, terwijl het een boek van menselijke verhalen is, wat meestal symbolisch moet worden gelezen en opgevat, als het om niet bewezen feiten, gebeurtenissen en omstandigheden gaat. Het is dan ook naïef, en conservatief, achterhaald en ouderwets om niet kennis te nemen van nabijbelse feiten, gebeurtenissen en omstandigheden. De bijbel is om het eens zo te zeggen gedateerd. En er zijn geen ultieme bewijzen, hoogstens terke aanwijzingen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden. Bovendien is van de oorspronkelijke bijbel weinig originele tekst meer over. Veel teksten zijn veranderd, aangepast, verwijderd, en of verloren gegaan in de loop van de geschiedenis. En zij die denken te weten wat God van ons mensen wil en vraagt moet men wantrouwen. Want zij denken de wijsheid in pacht te hebben, net als vroeger de theologen van de kerkinstituties. Om nog maar te zwijgen over corruptie, macht, misbruik! De RK kerk weet er inmiddels alles van. De aflatenpraktijk (diploma's) voor rijken om in de 'hemel' te komen, waar het Vatikaan van is betaalt. Onzedelijke praktijken van gefrustreerde pedofiele en of homoseksuele RK geestelijken. En ga zo maar door. En nog zijn er die geloven dat het kwaad in de mens en de wereld van de Duivel/Satan in eigen persoon (gevallen Godsengel) komt! En nog geloven goedgelovige naïevelingen in het paradijsverhaal dat de érfzonde door Adam en Eva heeft plaatsgevonden, door het eten van een 'verboden'vrucht een appel van een boom van kennis van goed en kwaad'. Dit is een van de vele door bijbelschrijvers bedachte verhalen, waar in mensen nog steeds in geloven, dat deze feitelijk waar zijn! Absurd voor woorden!
Jehovah (Jahweh) en of JHWH en of Allah: deze God(en) bestaan niet, maar zijn een projectie van menselijke gedachten over het begrip goed en de Duivel/Satan, bestaat evenmin en is ook een projecties van menselijke gedachten over het begrip kwaad. Het zijn gewoon afgoden!
De mensheid zou er goed aan doen om te ontdekken wie of wat GOD in werkelijkheid is, de AL-GEEST, wat alles te maken heeft met spirituele warmte en licht en overal in en buiten de mens en leven aanwezig is!
Er zijn er zoals Jehovah's Getuigen die geloven dat de mens zelf niet in staat is een betere wereld te scheppen. Het Koninkrijk van God komt er niet zonder inbreng van de mens! En zeker niet door passiviteit en geen betrokkenheuid en solidarityeit met arme mensen, anders dan in eigen kring! Jehovah's Getuigen weten wat ik hiermee bedoel. Zij zijn het die gewapende vrede door anderen laten gebeuren, en zelf met mooie vrome praatjes aan de kant blijven staan! Maar ondertussen profiteren zij in de door helden bevochten vrije democratie van hun vrijheid om te mogen evangeliseren huis-aan-huis, en dat doen ze ongevraagd en vrijmoedig zonder rekening te houden met gevoelens van a-religieositeit en of weerzin tegen deze opgedrongen vorm van getuigenis van de bijbel!
mvg Co Meijer (Teleskoop Magazine op PLAZILLA)
Of die exodus daadwerkelijk heeft plaatsgevonden is overigens nooit bewezen. Zoals ook niet het bekend is om welke Farao het dan wel zou gaan.

Je artikel op zich is wel mooi gemaakt. En voor wie er in geloofd zal het wel zo zijn gebeurd. Alleen zijn er dus geen aantoonbare bewijzen van.