Spannend verhaal: 'De wraak van oom Harry'

Door Daniel De Boer gepubliceerd op Tuesday 21 August 20:21

Daar lag ik dan. Alleen. Het leek eerst alleen maar een droom. Maar nu, terwijl ik hier lag, kwam ik erachter dat het helemaal geen droom was. Ik probeerde zover mogelijk terug te denken, maar het lukte niet. Het leek dat er een mist op mijn gedachten hing, die maar niet wilde optrekken. Ik herinnerde me alleen nog die zwarte mannen die onze villa binnenstapten. ‘Vandaag is de mooiste dag in jullie leven’, zei hij. Het sarcasme droop van z’n stem. ‘Wie zijn jullie?’ vroeg mijn vader met een benepen stemmetje, ‘en wat willen jullie?’ ‘Wij willen… Verder kwam hij niet. Mijn moeder begon namelijk plotseling vreselijk te gillen. ‘Bek dicht’, beet de man haar toe. Ondertussen had hij een klein, zwart revolvertje gepakt. Echt zo’n eng ding dat ook wel eens in films voorkomt. Het hielp wel, want het gillen van mijn moeder was abrupt gestopt. ‘Wij willen’, begon de man opnieuw. Hij wachtte even. ‘Wij willen jullie zoon!’ Vanaf dat moment wist ik niets meer.

 

Toen ik bijkwam lag ik hier. Hoelang? Ik zou het niet weten. Ik hoorde iets. Het was een stem. De stem van de man die ook bij ons thuis was geweest. ‘Hè hè, eindelijk bij?’, kom mee!’, snauwde hij. Ik volgde hem. Ik hoorde een soort geruis om me heen en ik snapte steeds minder waar ik beland was. Trouwens, ik ben ook bang. Heel bang. Hé, wat was dat? We stonden voor een zwart, donker  gat. De man duwde mij. Ik gilde en viel in het donkere gat. Ik hoorde nog een schaterlach – was het van de man? – en toen werd het stil. Ik suisde naar beneden. Opeens, een felle ruk aan mijn borst. Boven me zag ik iets wits ontplooien. Daar hing ik dan.

 

Lijkbleek zaten Louise en Willem op de luxe sofa. ‘Wat nu?’ zei Louise verdrietig. ‘De politie bellen’ , zie Willem resoluut. ‘Nee, nee, doe het niet! Die mannen hebben toch duidelijk gezegd dat dat absoluut niet mocht.’ Het was even stil. Met een klap zette Willem toen zijn kopje – dat hij de hele tijd al vasthield, op tafel. ‘Ik ga wel maatregelen nemen’ zei hij terwijl hij opstand. Hij pakte zijn jas van de kapstok en met een klap sloeg de deur dicht.

 

De grond naderde nu snel. Wat moet ik doen?!, dacht ik in paniek. 13 was ik, en met 13 jaar is het niet vanzelfsprekend dat je ooit aan een parachute hebt gehangen. Plof! Een pijnscheut trok door mijn benen. Ik verwachtte dat het weer zwart om me heen zou worden, maar het werd wit voor mijn ogen! Het witte voelde ook nattig aan. Sneeuw, flitste het door me heen. Ik wilde opstaan, maar zodra ik het maar probeerde kreeg ik een gevoel in mijn benen alsof er iemand onophoudelijk messen in mijn benen aan het steken was. ‘Doorzetten’, zie ik hardop tegen mezelf, ‘Kom op, je kunt het.’ Toen het weer niet lukte, raakte ik in paniek. ‘Ik blijf wel hier liggen tot ik dood ga!’ Ik schreeuwde het uit. Maar dat wil ik helemaal niet, en al helemaal niet hier, in deze wildernis, niemand zou me hier namelijk ooit zoeken! Ik werd radeloos en het werd bijna weer zwart om me heen tot ik me plotseling realiseerde dat ik honger had. Ik dwong mezelf rustig te worden, wat helaas maar half lukte. Ik keek om me heen. Er moest hier toch iets eetbaars in de buurt zijn? Wat ik zag was niet erg hoopvol. Ik bevond me in een witte wereld. Om mijn honger te stillen begon ik maar wat sneeuw te eten. Het smolt op mijn tong. Anders zou ik het verschrikkelijk smerig hebben gevonden maar nu begreep ik het spreekwoord pas goed: ‘Honger maakt rauwe bonen zoet.’ Of beter: ‘Honger maakt smerige sneeuw lekker.’ Nadat ik mijn honger wat gestild had, begon ik na te denken. Waar  en waarom was ik hier? ‘Knerp, knerp, knerp.’ Ik schrok. Wat was dat?

 

Het volgende moment stond ik oog in oog met een reusachtige beer. Ik gilde het uit! Ik begon alleen maar harder te gillen toen de beer zich verhief op zijn achterpoten. Wat moest ik doen!? Plotseling: een knal en een beer die met zijn volle gewicht  op mij viel. Mijn kreet werd gesmoord en de zachte vacht van de enorme beer. Ik stikte bijna.

 

Een paar honderd meter verderop stonden een paar mannen. Hun schaterlach echode tegen de hoge bergwanden. ‘Mooi schot Harry! Hij ligt onder een vette beer!’ De man die dat zei keek ondertussen naar de man die met een norse blik z’n sniper weer op zijn rug hing en geboeid keek naar een jongen die een eindje verderop vocht voor zijn leven om onder de beer uit te komen. ‘Hij moet zo lang mogelijk lijden’, gromde hij.

 

Ik hapte intussen naar adem. Het was me eindelijk gelukt onder de beer vandaan te komen. Ik was uitgeput. Waar kwam dat verlossende schot vandaan? De kogel was dwars door de vlezige huid van de beer gedrongen en het beest was op de slag dood geweest. Het maakte me eigenlijk niet eens meer uit. Langzaam werd het weer zwart voor mijn ogen en niet veel later sliep ik als een os.

 

‘Dat joch vindt zwart blijkbaar een mooie kleur! Man, man, man. Hij is ik weet niet hoe vaak bewusteloos of aan het slapen.’ ‘Jij zou het niet anders gedaan hebben’, snauwde Harry.

 

Langzaam wordt het weer licht om me heen. Een indringend geluid teisterde mijn oren. ‘Rot wekker’, bromde ik. Ik probeerde hem uit te slaan, maar mijn hand maaide in het niets en het geluid bleef doorgaan. ‘Stom ding!’ Ik schreeuwde nu. Plotseling realiseerde ik dat het helemaal niet het vertrouwde geluid van mijn wekker was en langzaam drong het ook tot me door dat ik ook niet in mijn bed lag. Ik was door en door koud en ook nog eens verschrikkelijk nat. Ik kon me wel voor mijn hoofd slaan. Ik was midden in de natte sneeuw gaan liggen! Ondertussen hield het geluid aan. Het was een irritant, zoemend geluid. Hé, maar waar geluid is, zijn vaak ook mensen! Ik begon te rennen in de richting van het geluid. Bam! Ik schreeuwde het uit van de pijn. Ik was met mijn slaperige hoofd recht tegen een steile rotswand aangelopen. Verwildert keek ik om me heen. Het geluid kwam toch echt hier vandaan! Of zou het van binnen uit de rots komen? Met een bonkend hoofd liep ik langs de rotswand, op zoek naar een ingang. Die was er ook, in de vorm van een heel smal en klein tunneltje in de rotswand. Het geluid werd steeds sterker. Ik kroop het tunneltje in dat uitkwam in een enorm grote, schemerige holte. Ik keek naar boven, waar het zoemen vandaan kwam. En daar zag ik iets, wat ik nog nooit gezien had. Boven mijn hoofd krioelde het van de vleermuizen, die het akelige, zoemende geluid maakten. Ik rilde. Bah, wat griezelig. Weg hier! Ik kroop terug door het tunneltje. ‘Wat!’ Ik schreeuwde het uit van machteloze woede. Het tunneltje was geblokkeerd met een grote kei! In paniek kroop ik terug in de tunnel en begon in de holte een andere uitgang te zoeken. Ik rende door de grot, die verrassend lang bleek te zijn. Plotseling hield de holte echter op. Ik was bijna weer tegen een rots aan gebotst, maar ik kon me gelukkig nog net inhouden. Ik keek om me heen en zag tot mijn vreugde ver boven me een vage lichtvlek. Daar was de misschien wel de uitgang! Maar hoe kan ik daar ooit komen? Ondanks dat ik verschrikkelijk moe was en ook al 24 uur niet gegeten had, probeerde ik de rotswand op te klimmen. Tot mijn verrassing bleek dat niet eens zo heel moeilijk. Na een kwartiertje intensief klimmen, was ik eindelijk boven gekomen. Boven gekomen zag ik alleen nog dat ik in een heel ander dal terecht gekomen was. Daarna plofte ik van honger en vermoeidheid neer op de grond en verloor mijn bewustzijn.

 

‘Aha, daar is m’n bestelling!’ Willem moest schreeuwen om boven het geraas uit te komen. ‘Mijn helikopter.’ Langzaam cirkelde de helikopter wat rondjes boven het rotsplateau, waar vader Willem met nog wat mannen op stonden. De heil daalde neer en kwam met een schok in aanraking met de onzachte grond. Het geraas van de motors werd langzaam minder.

 

‘Moeten we hem nu niet iets gaan ondernemen? Dat joch licht nu al uren te maffen!’ zei hij, terwijl hij nog eens door zijn verrekijker tuurde. ‘Straks, nu nog niet. Ik wil weten of hij nog bijkomt.’ Dat was Harry. ‘O, je moet het ook zelf maar weten, het is tenslotte jouw… Op dat moment werd hij onderbroken door een donderend geluid. ‘Hè, wat is dat?’ Harry vloekte binnensmonds. ‘Dat zie je toch sukkel. Een heli!’ ‘Sorry hoor’, mompelde Harry’s handlanger. ‘Hij is geloof ik wakker geworden.’ ‘Joh, wie wordt er nu niet wakker van zo’n grommende vogel. Zelfs een slapende, hardhorende opoe met oordopjes in wordt wel wakker van dit geluid! Maar een helikopter betekent niet veel goeds. Laten we eens even gaan kijken wat dat ding hier doet.’

 

‘Dat joch’ is inderdaad wakker geworden. Ik wreef in mijn ogen en keek met samengeknepen ogen naar de helikopter die ver boven me langs vloog. ‘Huh, wat deed die hier nu weer in deze wildernis? Mijn verbazing werd nog groter toen de helikopter neerdaalde op een plateau, niet eens zover bij me vandaan. Ik wilde opstaan om daar even te gaan kijken. Een helikopter kom immers mijn redding betekenen! Maar ik stond nog nauwelijks, toen ik alweer door mijn knieën ging en neerplofte op de grond. Ik kreunde. Ik kon echt werkelijk niets meer! Ik ging weer liggen. Ik vocht tegen de slaap, om te zien wat er verderop bij de helikopter gebeurde, maar het lukte niet. Niet veel later sliep ik als een os.

 

Ik schrok wakker van een donderend geraas. Ik voelde dat ik opgepakt werd en voorzichtig neergelegd werd op zacht matras. Ik hoorde iemand een paar keer ‘Willem’ zeggen, ik ving wat op over ziekenhuizen, en ik voelde dat we loskwamen van de grond. Toen werd het weer zwart.

 

Ik kwam langzaam bij in een groot, niet onzacht, wit bed. Met slaperige ogen keek ik om me heen, recht in de ogen van mijn ouders. ‘Hij komt bij, hij komt bij!’ Hé, dat was mijn moeder! ‘Eindelijk’ hoorde papa zeggen. Ik veerde op. ‘Pap! U heeft me gered met een helikopter! Maar waar ben ik toch geweest en wie heeft mij dit allemaal aangedaan?!’ Het gezicht van mijn vader versomberde. ‘Een oom van je, Harry. Een slechte man. Ik heb hem een keer wat aangedaan wat hij minder leuk vond en nu heeft hij blijkbaar wraak genomen. Hij kon ook nooit verkroppen dat ik rijker was dan hij.’ ‘Maar pap’, zei ik, ‘hoe wist u nu waar ik was?’ ‘O, dat.’ Papa wuifde met zijn hand. Ik had Harry gebeld omdat ik al een vermoeden had dat hij hier wel is achter kon zitten. Tot mijn verrassing nam hij nog op ook. Daardoor kon mijn detective traceren waar hij was. Waar hij was, kon jij ook zijn. Ik ben dus met een paar mannen naar Canada gevlogen en jou met een helikopter gaan zoeken. Ik heb jou gered en Harry gearresteerd.’ Het is een poosje stil. Dan zeg ik grijnzend: ‘Die Harry was dus niet zo’n beste man, maar schieten kan ie wel!’

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Leuk verhaal!