De dolle stratenmakers.

Door Leonardo _1 gepubliceerd op Thursday 15 March 19:43

De dolle stratenmakers

 

De heer en mevrouw de Groot waren rustige, erg op zich zelf levende mensen. Meneer de Groot werkte  in ploegendienst in Zaandam bij een grote voedingswaren fabriek. Ze woonden in der ouder wijken van de stad, niet zo heel ver van het stadscentrum   Heer de Groot was een man die veel prijs stelde op een goede nachtrust en absoluut ongestoord  wilde opstaan en aankleden. Herrie tijdens zijn eerste schreden op de meestal koude en klamme met linoleum bedekte slaapkamervloer, kon hij absoluut niet velen. Maar die dag dat dit in dit verhaal beschreven voorval zich afspeelde werden de heer en mevrouw de Groot plotseling des morgens gewekt door het onaangename geronk van machines voor hun huisdeur. Toen de heer de Groot zich voldoende had geërgerd aan de rotherrie voor zijn huis, rukte hij geërgerd de gordijnen van de slaapkamer open en wierp een blik naar buiten, teneinde zich van de oorzaak van het geluidoverlast op de hoogte te stellen. Tot zijn verbazing zag hij een grote geel gekleurde shovel welke voor hun huis de straatklinkers uit het wegdek haalde.

   ‘Krijg nou wat,’ zei hij, terwijl hij een snelle blik op de klok wierp die op de spiegeltafel in de slaapkamer stond. Zijn echtgenote uitte meteen met een geagiteerde kreet haar ongenoegen over de herrie buiten en het openen van de gordijnen.

  ‘Doe verdomme die rot gordijnen weer dicht en hou je kop, Koos. Laat me verdomme nog effe slapen,’ schreeuwde ze met een schorre stem.

   Het was pas zeven uur en nog wat schemerig buiten.

  ‘Ja, dat zal wel. Maar ik moet er uit vanwege die kolere herrie buiten.’

  ‘Zeg tegen die zakkenwassers buiten, dat ze die tering radio zachter zetten.’  

  ‘Ja hoor, lieverd. Ik zal het ze zeggen.’

  ‘Fijn…’

  ‘Wat een gedoe trouwens, om die twee kuiltjes in de straat te dicht te maken,’ zei hij bij het verlaten van de slaapkamer. ‘Verkwisting van overheidsgeld is het, dat zeg ik je,’ orakelde Koos tegen zijn echtgenote Ans die zich inmiddels had omgedraaid en de dekens over haar hoofd had getrokken.

   Hij liep met een pesthumeur de slaapkamer uit en begaf zich naar beneden om een ketel water op te warmen.

  ‘Potverdomme, een half uur eerder uit mijn nest uit. Een half uur slaap gemist, verdomme,’ gromde hij tegen de poes die bij de keukendeur zat te miauwen. Met een boze kop trok hij de keukendeur open en liet de poes naar buiten.

   Intussen waste hij zich even snel in de badkamer en rilde bij de aanraking van het koude water. Toen de fluitketel aangaf dat het theewater gereed was hoorde hij buiten opeens een geluid dat hij die moren nog niet eerder had waargenomen. Hij liep in zijn  hemd en onderbroek naar het woonkamerraam, trok de grote veloursgordijnen open, en keek naar buiten.

   Een soort vierkante open kist stond op het trottoir voor hun tuinheggetje. Die kist liet om half zeven in de ochtend een keiharde bonk, bonk, bonk, van een basedrum horen. De grote ruit van de woonkamer trilde op de klanken van een, voor de heer de Groot, onbekend soort muziek of geluid, dat door de straat galmde.  Het werk van de stratenmakers kon kennelijk alleen op het ritme van de ,,Hip Hop,, plaatsvinden. 

  ‘Koos…!’ schreeuwde Ans van boven naar hem. ‘Laat ze potverdomme die rotherrie zachter zetten. Ik word hier helemaal compleet gek van. Het is nondesju nog maar zeven uur. Zijn die gasten nu helemaal van de pot gerukt!’

  Meneer Koos de Groot zette zijn net ingeschonken kopje thee neer, trok zijn tot op de knieën afzakkende pantalon op en liep op zijn pantoffels en in zijn witte, over zijn pantalon hangende hemd,  naar buiten teneinde de heren stratenmakers te verzoeken minder herrie te maken.

 Toen hij de voordeur open deed viel zijn mond van verbazing open. Een drietal stratenmakers, of wat daar voor door moest gaan,  stond op het ritme van de basedrums te shaken op het trottoir. De straat lag reeds een paar meter open. Een oudere stratenmaker, een man van rond de vijfenvijftig jaar oud, was als enige aan het werk om straatstenen in het zand te leggen. De andere drie waren duidelijk van Antilliaanse afkomst. Donkere koppen die een sigaret of, te ruiken aan de lucht om hen heen, al zo vroeg in de morgen een jointje rookten. Hun lichamen bewogen zich, op de plaats staande,  ritmisch heen en weer terwijl ze hun ogen gesloten hielden.

  ‘Hé, stelletje eikels…,’ schreeuwde de man die wel aan het werk was. ‘Krijg ik nu eindelijk nog wat zand of moet ik het verdomme zelf gaan halen,’ . 

   ‘Yes mon,’ riep een van de drieling op het trottoir, terwijl hij zich moeizaam bukte om de omgevallen kruiwagen te vatten. Hetgeen pas na enkele pogingen lukte. Hij liep er waggelend mee weg naar de iets verder gelegen zandbult.

    Er kwamen ondertussen wat meer omwonenden op het tering geluid af. Sommige mensen raakten met de stratenmaker in het zand gelijk in een felle discussie verwikkeld.

  ‘Sorry mensen, jullie moeten met de klachten niet bij mij wezen. Ik kan er ook niets aan doen dat ze me deze drie eikels hebben meegegeven,’ verontschuldigde de oudere stratemaker zich. ‘Als u klachten heeft moet u maar even openbare werken bellen. Dan wordt het misschien opgelost en krijg ik misschien ook echt personeel om me te helpen in plaats van deze halve gare verslaafde rasta gasten.’

 

  Er was intussen wat meer herrie van passerend verkeer gekomen wat voor de dansers aanleiding was het geluid van de radio nog wat harder te zetten. Het leek wel of ze in Paradiso zaten in plaats van op de straat voor de woningen. Terwijl de discussie hoog opliep en de radio wisselend uit en aan werd gezet kwam opeens de opzichter van de gemeente een kijkje nemen.  Juist op het moment dat een van de dansers met een halfvolle kruiwagen met zand aan kwam zwingen. Hij moest het zand bij de stratenmaker neer kiepen maar dat was echt teveel gevraagd. Uiteindelijk had de man al tien stappen gelopen en was reeds zichtbaar moe.  Met een nieuwe joint in de mond kieperde hij de voorraad zand dan maar gewoon op het trottoir,  juist voor het tuinhekje van meneer de Groot.

  ‘Hé…, klootzak, wat doe je nou?’  schreeuwde meneer Koos de Groot. ‘Dat moet je niet bij mij neer donderen maar daar verder op. Daar, bij je chef… Daar in het midden van de straat, stomme eikel,’ schreeuwde de heer de Groot boos uit. Zijn gramschap was wel terecht net als de verontwaardiging van de stratenmaker in het zand van het openliggende wegdek, alsmede de verbazing van de gearriveerde opzichter van de gemeente.  Na enig heen en weer bellen werden de drie nietsnutten afgevoerd. Ze bleken in het kader van een werkproject voor voormalige Antilliaanse medeburgers als hulpjes te zijn aangesteld door de gemeente. Werken wilden ze en konden ze niet. Blowen echter des te meer.

  ‘Het is, zoals ik steeds tegen iedereen zeg, mensen. Verkwisting is het. Gewoon verkwisting van overheidsgeld. Dat is het, zeg ik je,’ schreeuwde Koos de Groot, boos tegen de nog aanwezige belangstellenden, die echter hun schouders ophaalden en vervolgens hun huizen weer binnen gingen. 

 

©  Leonardo

15-3-2018

 

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.