Er is nog iets, wat je moet weten. (Deel 4)

Door A-S-S gepubliceerd op Sunday 15 October 18:12

Zonder verder na te denken, draai ik mij toch om, en ren harder dan ik ooit eerder heb gedaan, en vlieg hem om zijn hals.

‘Je moet gaan. Anders wordt het alleen maar moeilijker.’

Zijn stem, is niet meer kil, en koud, maar juist zacht. Zijn handen, die de mijne proberen los te maken, trillen.

‘Sorry,… Ik kan het niet, niet nog een keer.’

‘Het moet…. Morgen ben ik weg.’

‘Ik weet het…. Ik weet het…., maar niet nu, niet zo. Laat me…. Nog heel even bij je zijn. Dan zal ik straks….. afscheid van je nemen.’

‘Jij haat afscheid nemen.’

‘Eens moet de eerste keer zijn.’

Opnieuw probeert hij mijn handen los te maken, ditmaal laat ik het toe. Zijn ogen zijn vochtig, zijn handen trillen nog steeds. Ondanks dat hij zich groot probeert te houden, merk ik dat het voor hem, net zo moeilijk is.

‘Niet huilen.’

Was het maar zo makkelijk om te stoppen met huilen. Met zijn hand probeert hij mijn tranen weg te vegen, maar voor mijn gevoel heeft het niet veel nut.

‘Kom.’

Gelijk als hij dat zegt, pakt hij mijn hand, en begint te lopen.

‘Wat gaan we doen dan?’

‘Ik wil je iets heel belangrijks laten zien,… Let jij nou maar goed op, hoe je er naar toe moet gaan.’

Opletten, hoe kan ik nu op de weg letten, die vol gestouwd is met dronken, feestende mensen, waar hij mij in een rap tempo, door heen weet te slepen.  Van alles gaat door mij heen, toch probeer ik mij te focussen op de weg, zodat ik even vergeet, wat ons te wachten staat. Na een poosje, word het om  ons heen steeds rustiger, hij is naast me komen lopen, maar heeft nog steeds niks gezegd. De plek, waar we nu lopen, is voor mij bekend, hier liepen Nina en ik, altijd als we naar het strand hier gingen, maar begrijp nog steeds niet waar hij naar toe wil. Wat zo belangrijk zou moeten zijn. Dan steekt hij ineens over, en loopt hij een trappenhuis in, na vier trappen om hoog, blijft hij heel even staan, en kijkt mij aan, maar hij zegt nog niks, wel pakt hij opnieuw mijn hand, en loopt dan weer verder.  Bij de laatste deur, links, waar het nummer 128 op staat, blijft hij staan.

‘Als je ooit in nood ben, en je heb hulp nodig in welke vorm dan ook, zet je trots opzij, en ga hier naar toe.’

‘Maar,’

‘Niks te maren, beloof me dat, asjeblieft.’

‘Oké. Wie zijn huis is dit dan?’

‘Mijn huis.’

Verbaasd kijk ik hem aan, waarom moet ik naar zijn huis gaan, als ik hulp nodig heb, hij is haast nooit thuis.

‘Mijn zusje, Jacqueline, woont er, als ik op zee ben. Ik zal haar op de hoogte stellen, ze weet wie je ben.’

‘Weet wie ik ben? Ik heb jou zus nog nooit gezien.’

‘Niet belangrijk.’

‘Ik kan toch niet zo maar bij je zus aankloppen, die ik niet ken.’

‘Alles kan, maar ik zal haar nummer even voor je opschrijven, misschien dat het dan makkelijker is.’

Met rollend ogen, loopt hij naar binnen. Nog wat terug houdend, blijf ik netjes achter de drempel staan, maar laat mijn ogen wel door de kamer heen gaan. De flat, is vele malen groter, dan hij van de buitenkant er uit ziet.

‘Wil jij je gezicht niet gelijk even wassen? Je mascara is helemaal uit gelopen. De badkamer is daar.’

Aarzelend loop ik naar de deur, die hij aanwijst. Twijfelend, of het wel zo wijs is, om bij hem naar binnen te gaan.  Als ik mijn gezicht, in de spiegel zie, verschijnt er een kleine glimlach. Het is maar goed, dat Nina mij nu niet kan zien, al haar uren werk, is verloren gegaan, door een volgens haar, onnozele huilbui. Echte liefde, bestaat alleen in sprookjes, volgens haar. En ik, ach, ik weet het niet. Ik weet hoe liefde voelt, maar eigenlijk is dat gewoon kut. Geen enkele pijn, doet meer pijn, dan de pijn, die is aangebracht, door de persoon, waar jij zielsveel van houd. Ongeacht, de relatie, die je met die persoon heb. Ik heb ondertussen, mijn gezicht, al meerdere malen gewassen, maar onbewust, blijf ik er mee door gaan. Pas als ik, Steven via de spiegel achter mij zie staan, merk ik, dat hij ook de badkamer is in gelopen. Mij vast houdend aan de wasbak, blijf ik staan.

‘Sorry. Voor net, in het hotel. Ik meende het niet. Ik weet hoe erg jij afscheid nemen haat. Ik weet hoe verrot dat is. Ik hoopte dat je boos op mij zo worden, waardoor het makkelijker voor je zou zijn, als je kwaad op mij ben.’

‘Is al goed. Alleen het maakt niet uit, of ik nou kwaad op je ben, of niet. Afscheid nemen, blijft gewoon kut, maar ik weet, dat jij morgen terug naar huis zal gaan, en ik zal je daarom ook laten gaan, nadat ik afscheid van je heb genomen, hoe erg ik dat ook haat.’

‘Maar, als…’

Snel draai ik mij om, door zijn ogen weet ik wat hij wil zeggen. Iets, wat hij nooit moet doen, niet voor mij, niet voor een ander, voor niemand.

‘Niet zeggen. Ik weet,… dat als ik jou zou vragen, om te blijven, en de mogelijkheid bestond, dat je het dan zou doen, maar dat moet je niet doen…. De zee, het water, is jou Thuis, hoe moeilijk ik het ook vind,… ik zal straks afscheid van je nemen, en je laten gaan. Jij hoort daar, als jij nu hier blijft, voor wie dan ook, dat zal de eerste tijd goed gaan, maar later, zal je kapot gaan van heimwee. Dat wil ik niet,… ja, ik zal je missen…. ik hou van je, maar juist daarom,… wil ik dat je gelukkig ben. En nu, wil ik er over op houden, wou het juist allemaal even vergeten.’

Mijn ogen, worden opnieuw vochtig, ook mijn handen beginnen weer met trillen. Dit is zo verdomd moeilijk, maar ik weet dat het moet, hoe graag ik het ook, zo anders had willen zien. Dat is zijn leven, zijn thuis, zijn droom, die hij al sinds zijn twaalfde heeft. Met zijn handen haalt hij mij, naar zich toe, en slaat zijn armen om mij heen,  zijn warmte, geur, en hartslag, brengt mij tot rust, heel even, ben ik weer thuis, het gevoel dat ik veilig ben, dat ik niet alleen ben, zorgt er voor dat ik heel even alles, om mij heen vergeet.

‘Wil je wat te drinken?’

Teleurgesteld laat ik hem los, stiekem hoopte ik dat dit eeuwig, zou kunnen duren.

‘Wat heb je?’

Zonder te zeggen, wat hij in huis heeft, loopt hij van mij weg. Daar sta ik dan, als een standbeeld, alleen in de spier witte badkamer, ik haat wit, maar zou nu niks anders liever willen, dan dat mijn gedachten, net zo blanco waren, als de muren om mij heen. Ik weet waarom Steven, totaal onverwachts om drinken ging, daar waren geen woorden van uitleg voor nodig, de blik in zijn ogen, sprak al voor duizend woorden. Eigenlijk zou ik nu gewoon weg moeten gaan, dat is veiliger voor allebei, maar op een of andere reden, word ik alleen maar meer, en meer tot hem toegetrokken.

‘Is het hier gezelliger?’

‘Huh? Nee, sorry, ik kom er aan.’

Enkele seconden, nadat Steven terug naar de keuken is gelopen, loop ik ook naar de keuken. Op een redelijk veilige afstand van Steven, ga ik op het aanrecht zitten. Peinzend over wat ik nou het beste kan doen.  Net op het moment, dat ik wil zeggen, dat het beter is, dat ik er vandoor ga. Komt hij voor mij staan,  met zijn handen, om mijn enkels heen geklemd .zoveel verlangens, zoveel tintelingen, komen opnieuw  naar boven drijven.

‘zenuwpees.’

Zacht fluister ik ‘Sorry’ tot nu, had ik zelf geen erg in mijn getik, maar weet, dat ik dat wel vaker wil doen, uit zenuwen. Zijn handen, gaan losser, maar verlaten mijn benen niet. Langzaam, gaan ze stukje voor stukje verder naar boven. Terwijl hij mij recht in mijn ogen aankijkt, mijn lippen bijt ik kapot, en het aanrechtblad, had ik fijngeknepen, als het niet van sterk materiaal was gemaakt.  Happend naar adem, kijk ik van hem weg, om mezelf weer onder controle zien te krijgen, spring ik ongecontroleerd, en zonder na te denken, van het aanrecht af.

Ik moet gaan.

Zijn vingertoppen gaan rakelings langs mijn bovenbenen, zijn armen, proberen mij nog tegen te houden, maar boos en gefrustreerd om mijn eigen gevoelens, dus ik hem hard handig van mij af.

‘Ik moet gaan’

‘Is dat echt wat je wil?’

Ik hoor zijn voetstappen achter mij, een zacht geluid, wat op dit moment net zo zenuwwekkend is, als de balansballen die een psychiater vaak op zijn bureau heeft staan. Die bij elke aanraking, een geluid maken. Stug loop ik door, naar de deur, ik moet hier weg, en wel nu.

‘Wat ik wil, kan niet.’

‘Maar,…. ik kom terug.’

‘Dat weet ik,… en daarna ga je weer weg…. Ik kan het niet. Ik kan niet, elke dag in onzekerheid afwachten. Bij elke storm op zee,… mijn hart vast houden, hopend en biddend, dat mijn lief het overleeft, ik kan het niet…. Ik kan niet, elke ochtend wakker worden, in een leeg bed. Niet wetend, wanneer jou plek weer gevuld word. ‘

Vol schaamte, kijk ik naar beneden, dit is al de tweede keer, dat ik hem af wijs. En zeg asjeblieft niet, alles wat je nodig heb, is liefde. Dat is echt niet waar. Ik hou ontzettend veel van hem, maar ik kan het gewoon niet. Soms is er meer nodig, dan alleen liefde.  Met mijn vingers al om de deurklink heen, kijk ik naar beneden, zijn schoenen, staan niet ver van mij verwijderd, en als ik nu de deur open doe, zal ik zover na achteren moeten, dat ik in zijn armen terecht kom. en dat is wel het laatste wat ik nu moet doen, ik moet juist afstand van hem behouden, zodat het niet nog moeilijker wordt voor ons beide. Voorzichtig, draai ik mij, met mijn hoofd nog steeds naar beneden, om. Ik kan hem niet aankijken, ik schaam me dieper, dan diep, maar het is nu echt het beste.

‘Ik begrijp je. Al zegt mijn hart iets heel anders, ik begrijp je wel.’

Hij legt zijn hand, tegen mijn linkerwang aan, zijn vingertoppen, gaan spelend door mijn haren heen.  Mijn verlangen, naar hem, brand steeds hoger op. Snakkend naar adem, probeer ik mijn ademhaling onder controle te krijgen. Alles is zo verdomd tegenstrijdig. Ik wil hem, en niemand anders, maar tegelijkertijd weet ik ook, dat hij onbereikbaar is voor mij. De zee, het water, heeft jaren terug zijn hart al gestolen.

‘Er is nog iets wat je moet weten.’

‘Wil ik het weten?’

‘Ik denk het wel.’

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.