Ga nou maar! (Deel 3)

Door A-S-S gepubliceerd op Sunday 15 October 18:11

Tintelingen gaan over mijn hele lichaam. Overspoeld, met een ongekend groot gevoel. Beginnen mijn tranen, als een waterval, over mijn wangen te stromen. Mijn armen trillen, mijn benen, is de kracht ontnomen, om recht op te blijven staan. De kracht, om als sterke, onafhankelijke zakenvrouw, door het leven, te gaan. Hij ontnam het allemaal, toen hij mijn naam, na al die jaren, vol liefde, uitsprak. Was het maar uit woede gedaan, dan had ik het nog kunnen begrijpen.

Voorzichtig, laat ik mijn handen, die de hele tijd zijn ogen bedekten, zakken, er valt  nu toch niks meer te bedekken. Mijn benen, dreigen het nu echt op te geven, zonder nog iets te zeggen, ga ik naast hem zitten.

Voor ons, ligt de oneindig grote zee, achter ons, is het feest nog in volle gang, en naast mij, zit mijn grootste liefde, waar ik jaren terug, voor weg ben gelopen. Toen ik voor Phil koos, de man, waar ik niet meer voor voelde, dan goede vrienden, maar hij kon mij, rust en zekerheid bieden. In de hoop, dat ik met de tijd, meer voor hem zou gaan voelen, heb ik degene die echt mijn hart had gestolen, achter me gelaten. En dat, alleen maar voor het welbekende sprookje. Huisje, boompje, beestje, en ze leefde nog lang en gelukkig. Eigenlijk is er niks boeiends aan, merendeels hang je voor de beeldbuis, tot je in slaap valt, maar goed, dat is achteraf praten.

Wanneer ik iets bij mijn haar voel, haal ik mijn hand door mijn haren, maar op dat moment, voel ik mijn masker los gaan. Geschrokken, kijk ik naast mij, waar Steven zit, met mijn masker in zijn handen.

‘Die heb je niet meer nodig.’

Versteend, blijf ik hem aankijken, zelfs mijn stem, is versteend. Mijn spieren, spannen samen, mijn handen kunnen niet meer stoppen met trillen. Niet wetend, wat ik moet zeggen, laat ik mij achterover vallen, in het gras. En probeer ik mij te focussen, op de prachtige sterrenhemel, boven mij.

‘Wat brengt jou eigenlijk hier?’

‘Een drammerige, irritante zus, die veel te vaak haar zin krijgt.’

‘Nina?’

‘Ja’

‘Nooit gedacht, dat ik haar ooit nog dankbaar zou zijn.’

Glimlachend, kijk ik zijn kant op. Ook hij is gaan liggen, wanneer ik recht in zijn ogen kijk, draai ik mijn hoofd snel weer om, na de veilige sterrenhemel.

‘Tja, ach, ik had ook zoveel nooit verwacht.’

‘Zoals?’

‘Uhm, dat ik rond zou lopen, als een gekleurde kip, die door de glitters is gerold.’

‘Tja, alles moet de eerste keer zijn.’ Zegt hij glimlachend.

‘Misschien wel, en wat brengt jou hier?’

‘De boot.’

Vreemd kijk ik hem aan, maar vraag niet verder, hem bewust aankijken, maakt al genoeg los, bij mij.

‘Gisteren, kwamen wij hier aan wal, en morgen moeten we weer verder.’

Mijn adem stokt, het is voor mij nog niet duidelijk, of ik er nou blij mee moet zijn, of juist niet. De onrust die mijn lichaam, opnieuw is binnen getreden, laat mij op staan.

‘Lang?’

‘Zeven maanden.’

Mijn ogen, glijden over het water. Zeven maanden lang, zal hij daar zijn. Zeven maanden, op die oneindig grote zee. Eigenlijk zou ik blij moeten zijn, maar ik kan het niet. Hoe kan ik opgelucht zijn, dat ik nogmaals, bevestigt krijg, dat hij gewoon onbereikbaar is voor mij. Dat dit maar een momentopname is. Dat mijn leven straks, gewoon weer zoals vanouds verder zal gaan. Niet dat ik ongelukkig ben, met mijn leven, maar nu ik zou dicht bij hem ben geweest. Zo dicht bij mijn droom, die ik gewoon weer uit elkaar zie spatten, kan ik gewoon niet opgelucht zijn. Waarom heb ik toch ook naar Nina geluisterd? Als ik hem nooit had gezien, was het niet zo moeilijk geweest.

Steven, zijn armen, voel ik om mij heen gaan. Tranen dringen zich opnieuw op. Dit kan niet. Dit mag niet. Het gaat gewoon niet. Met enige tegenzin, haal ik zijn armen weg.

‘Phil?’

Mijn hart, verscheurt, bij elke seconde, met mijn hoofd schud ik ‘Nee.’  Op een andere manier antwoorden, lukt mij niet. Omdat ik opnieuw mijn controle dreig kwijt te raken. Begin ik te lopen, al snel, loopt Steven naast mij.

‘Heeft hij het uitgemaakt?’

Nogmaals schud ik ‘nee’, als ik hem vertel, van Phill, en hij weet dat ik ‘vrij’ ben, zal ik mij nog minder op mijn gemak voelen. Ik heb geen zin, om voor eenmalig, zijn nachtelijk avontuurtje te zijn, om hem dan met het ontbijt weer los te moeten laten. Ik zal het moeilijk vinden, om ‘nee’ tegen hem te moeten zeggen, maar alles beter dan hem opnieuw kwijt te moeten raken, als hij zo dicht bij is. De kippenvel staat ondertussen, op mijn armen, deels van mijn gedachten, maar het is ook in een korte tijd, snel afgekoeld.

‘Koud?’

‘Een beetje frisjes.’ Zeg ik, terwijl ik nog ver in gedachten ben, pas wanneer ik iets op mijn schouders voel, kijk ik op. Steven, heeft zijn overhemd, uitgedaan, en over mijn schouders heen gelegd.

‘Dat is niet nodig. Straks wordt hij vies.’

‘Ja, of kwijt. Is niet erg, dat ben ik al gewend.’

Voelbaar worden mijn wangen roder, ik weet waar hij op doelt, en zijn steek onderdoor, doet zijn werking goed.

‘Je vesten. Wil je ze terug?’

‘Terug? Heb je ze nog?’

Glimlachend, kijk ik naar zijn verbaasde gezicht. Waar ik uiteraard, heerlijk van geniet.

‘De meeste wel. Degene, waarvan Phill, dacht dat ze van mij waren…… maar die tijd is voorbij….’

Zijn verbaasde gezicht, gaat van een glimlach, terug naar verbaasd, ik besef, dat ik weer veel te veel heb gezegd, maar inplaats, van verder te vragen, gaat hij voor me staan, en haalt zijn overhemd, weer van mijn schouder af. Verbaasd kijk ik hem aan, maar ook ik durf niks te vragen. Zijn bedoeling, word al snel duidelijk, als hij hem, liefdevol, zorgvuldig, teder, en vooral langzaam,  bij mij aan trekt. Zijn miniscule aanrakingen, maken mij gek, mijn lichaam en hoofd slaan op hol. Hoeveel knoopjes kunnen er op een overhemd zitten? Dat kunnen er toch nooit zoveel zijn? Om sneller van hem af te zijn, wil ik hem helpen, maar hij haalt mijn handen al weg, voordat ze nog maar een knoopje hebben bereikt. Mijn huid staat rood gloeiend, mijn hart gaat als een razende tekeer. En zijn houding, helpt mij echt niet verder.

‘Wat is er?’

Snap je dat dan echt niet? Ik sta op springen. Ik wil je, nu, maar dan ook voor altijd. Ik kan je niet nogmaals toelaten, om je dan weer te moeten verlaten. Laat me met rust, asjeblieft, anders komt het niet goed.  Ondanks mijn gevoelens, op dit moment, weet ik ze toch nog redelijk te verbergen, om in iedere geval een normaal antwoord te kunnen geven.

‘Niks. Hoezo?’

‘Ik dacht dat er wat was.’

‘Nee, hoor.’

Wanneer hij dan eindelijk klaar is, loop ik verder. Ik moet bij hem uit de buurt blijven, zo ver mogelijk. Als ik niet beter zou weten, had ik nu het ijskoude water ingesprongen, om af te koelen.

‘Je bent niks veranderd.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Gewoon, zoals ik het zeg’

‘oke, de meeste zeggen juist, dat ik heel veel ben veranderd, sinds….’

Geschrokken hou ik mijn mond, dit was niet de bedoeling.

‘Sinds?’

‘Een poos.’

‘Ik ben niet zoals de meesten.’

‘Nee.’

‘En wat bedoel je daarmee.’

‘Gewoon nee.’

‘Ja, daarom zeg je dat zo sarcastisch als maar kan. Waar ben je bang voor?’

‘Nergens! Waar zou ik bang voor moeten zijn?’

‘Je liegt, glashard.’

Opnieuw laat ik mij in het gras zakken. De zee zit weer voor mij. Vroeger mijn grootste vriend, nu mijn ergste vijand. Die morgen mijn geliefde weer mee zal nemen. En ik, ik kan er niks tegen doen. Het is zijn thuis.

‘Sylvia….’

‘Ik loog niet. Verzweeg alleen iets. Ben ik dan verplicht om alles te zeggen? Maar als je het echt zo graag wil weten! Sinds Phill dood is, ben ik veranderd.’

Ik zie hem schrikken, zoekend naar de juiste woorden. Geïrriteerd sta ik op, ik wil het er niet over hebben, met niemand niet, maar vooral met hem niet.

‘Ik ga terug naar mijn hotel. Ik ben echt moe.’

‘Sorry. Ik wist het niet.’

‘Geeft niet. Ik wil het er gewoon niet over hebben, iedereen kan al nergens anders over hebben, dan over Phill.’

‘Sorry, ik zal het niet meer over hem hebben. Beloofd.’

‘Het is al goed, maar ik ga echt terug. Ik ben kapot.’

‘Ik loop wel even met je mee.’

‘Dat is niet nodig hoor.’

‘Dat weet ik, maar wel een stuk gezellig.’

‘Dat zeg jij.’

‘Is het niet zo dan?’

‘Wat is de definitie, van gezellig?’

‘Een goede sfeer…’

‘Oo, en die straal jij natuurlijk uit?’

‘Nou…, ik heb je nooit horen klagen.’

‘Misschien, heb jij gewoon nooit goed geluisterd.’

Op dat moment gaat hij recht voor mij staan, ondanks dat hij mij niet aanraakt, loopt mijn themperatuur weer hoog op, een warme gloed, gaat als ware over mij heen.

‘Wat heb je gezegd dan?’

‘Dat ik moe ben, en daarom terug naar mijn hotel wil.’

‘Ja, dat heb ik gehoord, ja.’

‘Nou wat staan we hier dan?’

‘Jij zegt dat ik misschien niet goed heb geluisterd, en dat zou best kunnen, omdat ik vandaag nogal snel ben afgeleid.’

‘Nou ik wist niet dat ik zo saai was, maar bedankt.’

‘ Je kan het ook als compliment zien.’

Het duurt even voordat het kwartje bij mij valt, maar zodra hij gevallen is, hoopte ik dat het nooit gebeurt was. Onrustig, en niet wetend, hoe ik mij moet gedragen, loop ik om hem heen, en vervolg mijn weg, naar het hotel, maar hoe dichter bij ik kom, hoe langzamer ik ga lopen.

Voor de hoofdingang blijf ik staan, afwachtend, op wat hij zal doen. Ik haat het, om afscheid te nemen, en doe dat dan ook meestal, op een professionele manier, zolang ik gewoon Sylvia, de zakenvrouw ben, kan ik mijn emoties goed, onder controle houden. Alleen, lukt dat niet in zijn aanwezigheid, zenuwachtig speel ik wat met mijn sleutel. In de hoop dat hij snel iets gaat doen, maakt nog niet eens uit wat, als het maar iets is.

‘Ga nou maar.’

‘Maar…’

Het lukt mij, niet meer, om mijn zijn af te maken, ik wil geen afscheid van hem nemen, ik wil niet dat hij weg gaat, ook al weet ik dat het moet, ik kan het niet, ik wil het niet.

‘Ga nou maar. Zo moeilijk is het niet, gewoon omdraaien, en weglopen, zonder iets te zeggen…….. dat heb je eerder gedaan, dus zal je nu ook wel lukken.’

Woedend kijk ik hem nog geen seconde aan, dan draai ik mij om, en loop ik van hem weg,mijn tranen kan ik niet meer tegen houden. Vragen vliegen door mijn hoofd heen. Waarom zei die dat nou? Waarom, hij was toch niet boos meer? Of was het gewoon allemaal een spelletje? Hopeloos, en vooral machteloos, kijk ik achterom. Waar hij nog steeds op precies dezelfde plek staat, zijn ogen, zijn leeg, net als die van een zombie, levenloos, staart hij voor zich uit. Ik kijk weer weg, ik kan dit niet aan zien, die blik, die ogen, die heb ik al eens eerder gezien.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.