Zij die in het licht wandelen

Door Jan Cornelis gepubliceerd op Sunday 10 September 17:02

     Veronderstel eens dat u in de dagen van Jezus had geleefd en in zijn nabijheid had vertoefd. Veronderstel dat u Hem had horen onderwijzen, dat u de wonderen had gezien die Hij verrichtte en door de Geest de kracht van het getuigenis gevoeld had dat Hij van zichzelf gaf, dat Hij in de wereld kwam om de wil van zijn Vader te doen en dat Hij daarbij ook zijn leven moest geven. Veronderstel verder dat u ooggetuigen was geweest van zijn opstanding en het voorrecht had gehad en waardig genoeg was geweest om zijn wonden te zien en te betasten die Hij tijdens zijn zoenoffer had opgelopen, onder anderen ook voor uw zonden. Hoe zou u dan tegenover de Heiland staan? Hoe zou u dan denken over een lering die onder een aantal christenen opgang deed, namelijk dat Jezus niet werkelijk voor iemands zonden leed, maar alleen maar de indruk wekte? En dat Hij verder niet werkelijk deel had aan de sterfelijkheid, dat dát alleen maar uiterlijke schijn was en dat het stoffelijke lichaam dat de Heer na zijn opstanding toonde een zinsbegoocheling was? Dat was het probleem waar de apostel Johannes mee te kampen had.

     Het blijkt dat een aantal christenen een vroege vorm van het gnosticisme hadden aangenomen en leerden dat Jezus niet echt een lichaam van vlees en beenderen had kunnen aannemen, omdat God heilig is en niets te maken kon hebben met een dergelijke verderfelijke materie. Om de tegenwoordigheid van de Heiland op aarde te verklaren brachten de gnosticisten twee argumenten naar voren: ofwel Christus uiterlijk naar de schijn van een mens ofwel de geest die het sterfelijke lichaam van Jezus bewoonde daalde in de mens Jezus neer op het moment van zijn overgave aan God bij de doop en verliet het lichaam weer vlak voor zijn lijden aan het kruis. Aldus leed Christus niet werkelijk voor onze zonden. Het was slechts de mens Jezus die gekruisigd werd. De eerste van deze filosofieën is bekend onder de naam Docetisme, zo genaamd naar het Griekse woord dokeo, “schijnen of lijken”, en de tweede theorie stond bekend als het Cerinthianisme, genoemd naar Cerinthius, de voornaamste verdediger hier van.

     Johannes schreef onder andere om dergelijke denkbeelden de kop in te drukken. Let op de hardnekkigheid waarmee hij beweert dat hij persoonlijk “het woord des levens” had aanschouwd en “betast”, (1 Johannes 1:1,2) een steek onder water aan het adres van het Docetisme. Let ook op de uitspraak die er beslist niet om liegt, dat “wie loochent, dat Jezus de Christus is” een leugenaar is (1 Johannes 2:22), een slag in het gezicht van het Cerinthianisme. Let ook op zijn verklaring “… iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God: en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist,” (1 Johannes. 4:2-3.)

     Wanneer u zich concentreert op 1 Johannes, let dan eens op de kracht van het getuigenis van Johannes die ooggetuige was van de verschijning van Jezus Christus in het vlees. Ga ook eens na wat het voor u betekent wanneer Johannes onderwijst dat u de ware God en Jezus Christus kunt leren kennen en meer nog, omgang met Hen kunt hebben. Let, terwijl u leest, op zijn instructies, waarin wordt weergegeven hoe u die omgang tot ontwikkeling kunt brengen en hoe u kunt weten dat ook iemand anders de ware omgang met de leden van de Godheid bezit en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.