Knipoog naar de werkelijkheid

Door Leonardo _1 gepubliceerd op Wednesday 18 January 23:52

Knipoog naar de werkelijkheid.

Pluim, de bruine eekhoorn, bewoonde een mooi holletje in een grote oude lindeboom aan de rand van een bos. Hij had het daar goed voor elkaar. Hij woonde in zijn fraaie holletje op stand, met uitzicht op weilanden en akkers. Je zou het met een beetje fantasie de goudkust van het bos kunnen noemen. Om hem heen waren alle holen en nesten van hoog tot laag in de bomen aan de zoom van het bos bewoond. Bomen die als een soort flatgebouwen voor dieren dienst deden. Van verloop of  gedwongen verlaten van nest of hol was hier totaal geen sprake. Leegstand kende men niet in dit deel van het bos. Hoog, bovenin de lindeboom woonde de familie Sperwer in een nest dat als een soort penthouse in de top van de boom zat, terwijl iets verder in de zelfde breed uitgegroeide top van de boom, ook de familie buizerd een nest had. Pluim mocht die leden van die familie buizerd niet zo erg. Ze waren vaak agressief en asociaal tegen andere dieren. Je moest goed voor ze oppassen en ze uit de weg gaan als het even kan, zeker al ze opeens laag over de grond kwamen aanvliegen. Het waren eigenlijk gewoon stelletjes niets ontziende moordenaars.  

Eigenlijk jammer dacht  Pluim, dat zo’n mooie leefomgeving, werd verpest door zo’n stel asociale bewoners. Kwaadaardige roofvogels die het wonen voor kwetsbare dieren, zoals eekhoorns, ernstig bemoeilijkten. Even verderop, in een groot hol, dat was ontstaan door verrotting van de kern van een oude dikke wilgenboom, woonde de voorname familie Uil. Hun hol was absoluut het mooiste plekje van het bos. Gelegen in de boom die aan de rand stond van de rustig stromende tocht die het bos deels markeerde en afscheidde van de  weilanden en akkers. Die uilen waren wel zeer voornaam, en wat bekakt, en ook zeker ook geen vrienden van eekhoorns bedacht Pluim, terwijl hij over de takken snelde richting het nest van zijn diep in het bos wonende neefje Slim. Het waren, net als die buizerds, gewoon en stel criminelen die zich alleen wat hogerop hadden gewerkt wat hen status had gegeven. 

Het was nog licht toen hij de hoge dennenboom beklom waarin het nest van Slim was gelegen. Er waaide inmiddels een frisse wind uit het noordwesten.  Het land en de natuur stelde zich reeds in op een koude winter. Het hoog boven hem gelegen  nest van zijn vriendje Slim bestond uit gebogen takken, gras en een massa dode bladeren.  De avondzon liet zijn stralen inmiddels  tussen de al aardig kale takken van de bomen door schijnen en zette de dennenboom in een vurige oranje gloed.

  ‘Lekker dagje geweest vandaag hè, Slim,’ zei zijn vriend tegen hem toen hij bij het nest aankwam. ‘Ik heb mijn buikje vol kunnen eten en ook nog eens een heleboel eikels en beukennootjes weten te verzamelen,’ zei Pluim.

   ‘Ik heb het grootste deel van mijn voorraden verstopt onder de bladeren op de grond bij de braamstruiken. Je weet wel, die grote bossen braamstruiken die vlak bij mijn de boom met mijn hol groeien. Lekker dichtbij als ik ze nodig heb!’

  ‘Goh, heb jij dan ook al verzameld, Pluim?  Ik ook…  Ik ben er de gehele dag mee bezig geweest,’ zei Slim

  ‘Ja dat zie ik. Je hele nest ligt er vol mee. Het zal niet meevallen dat allemaal voor de winter in dit kleine nest goed droog op te kunnen slaan.’

  ‘Nee…, dat is wel zo Pluim, maar ik zoek ook nog een plekje om een voorraad op de grond op te slaan. Net als dat jij hebt gedaan. Maar…, ik heb liever wat te veel eten in huis dan te weinig nietwaar?’

  ‘Ja dat is helemaal waar, Slim. Ik ga morgenvroeg ook weer aan de slag om mijn wintervoorraden verder aan te leggen.’

  ‘Is die voorraadplek die je nu hebt gemaakt niet erg dicht tegen het hol van de families Vos en Das gelegen?’

  ‘Ja, dat is een nadeel, maar die slapen overdag meestal terwijl ik dan juist werk.  En trouwens: Ik ben veel rapper dan zij.’

  ‘Dat zou ik maar niet op de proef stellen, Pluim. Vooral die Vossen zijn killers en ook ontaard snel op de korte afstand. Nee…, je moet zoiets met dat tuig niet provoceren. 

Ze knabbelden samen een beukennootje op en snuffelden even aan elkaar waarna Pluim het nest uit kroop en een grote sprong maakte naar de boom naast hen, waarna hij snel uit het zicht verdween. Met een paar flinke sprongen zweefde hij van tak naar tak om tenslotte een paar meter lager op een dikke tak van een al wat kale notenboom te gaan zitten kijken naar wat er beneden op de grond allemaal gebeurde.

Er liepen een paar mensen beneden op de grond naar iets te zoeken. Een volwassen vrouw in vreemde kleding, hoofd en gelaat vrijwel geheel bedekt met een vreemd uitziende kap, en een klein kindje zochten ook noten op de grond leek het wel. Dan moet er toch wel iets heel erg mis zijn bij die mensen, dacht Pluim, als ze zelfs hier in het bos op de grond noten komen zoeken. Hij sprong eens wat hoger de boom in wat tot gevolg had dat er weer enkele noten van de vrijwel bladerloze boomtakken naar beneden vielen. Het kleine meisje gaf een kreetje van plezier en raapte twee noten op die de vrouw – waarschijnlijk haar moeder - in een mandje stopte. Het meisje klapte in haar handen van plezier, maar Pluim schrok er danig van. Hij sprong snel hoger de boom in met als gevolg dat er nog veel meer noten naar beneden vielen. Hoog in de top van de notenboom bleef Pluim zitten kijken hoe het meisje en haar moeder snel de gevallen noten opraapten en in het mandje stopten. Pluim volgde nauwgezet het tafereel beneden hem met zijn donkere oogjes. Zouden die mensen echt niets meer te eten hebben, dacht hij bij zich zelf. Hij draaide af en toe zijn kopje rond en keek eens om zich heen waarna hij weer alert de activiteiten beneden hem op de grond volgde.  Zouden ze werkelijk niets meer te eten hebben en nu van noten uit het bos moeten leven? Het duizelde hem even, waarna hij zich oprichtte en snel over de boomtakken weg sprong naar zijn eigen knusse holletje.

Je moest in het bos altijd zorgen dat je voor het donker thuis kon zijn want op de grond loerde meestal het gevaar voor eekhoorns. In het donker waren de vossen en dassen op jacht. Smerige sluipmoordenaars die eigenlijk hier niet thuis hoorden. Je moest echt heel goed oppassen in het donker van het bos want het gevaar loerde soms achter elke boom. Terwijl hij even later, toen de zon volledig was weggezakt achter de kim, zijn kopje te ruste legde drong zich het beeld van menselijke verpaupering aan hem op.  Mensen die geen werk noch eten meer hadden. Of mensen die hier naar toe waren gekomen vanuit andere streken, ver weg van zijn bos en nu maar moesten zien hoe ze de winter konden door komen. Hij had het pas geleden zelf gezien. Op een weiland aan de noordelijke rand van het bos waren allemaal tenten neergezet. Er liepen mannen, vrouwen en kinderen rond. Mensen die hij hier nooit eerder had gezien. Een heel ander soort mensen dan die gene die hij af en toe wel eens met een hond aan de riem door het bos had zien lopen. Hij draaide zich eens om en rolde zich wat op terwijl zijn pluimstaart zich om hem heen krulde en dacht bij zich zelf: Wij hebben dan wel een eenvoudig dierenleven, maar honger kennen we hier gelukkig nog niet echt, de natuur zorgt gelukkig nog altijd redelijk goed voor ons. 

 

©  Leonardo – 18 januari 2016

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
leuk verhaal