Dilemma 2

Door Harlinger gepubliceerd op Friday 18 March 19:19

0abd913dadecf89d78ce4c78c86de992_medium.

Dilemma        (2)

Met een mok dampende koffie tussen haar handen geklemd, staat Stientje, in gedachten verzonken, voor het keukenraam van haar ruime flat naar buiten te kijken. Voor de vierde achtereenvolgende dag daalt een druilerige regen uit het grijze wolkendek. Bij helder weer heeft ze vanaf de vijfde etage een prachtig uitzicht over haar geliefde stad, waar ze inmiddels alweer zes jaar woont. Daarvoor heeft zij met haar man, Herman en diens zoon, ruim twintig jaar een vrijstaande woning met een grote tuin in een nabijgelegen dorp bewoond. Een jaar na het plotseling overlijden van Herman is ze naar haar huidige flat aan de rand van de stad verhuisd. Als het zicht heel helder is, kan ze zelfs de kerktoren van het dorp zien. Het regenachtige weer maakt Stientje extra somber. Maar haar echte somberheid is niet het gevolg van het grijze herfstweer. Vanaf het moment dat zij op die maandagochtend in juli, inmiddels ruim twee maanden geleden, het ontzielde en halfnaakte lichaam van Maartje Visser in haar woning aantrof, is haar leven voorgoed veranderd. Sindsdien lukt het haar niet meer om van het geweldige uitzicht, maar ook van haar leven te genieten. Haar leven is als het ware tot stilstand gekomen. Voor de zoveelste keer dwalen haar gedachten opnieuw af naar die bewuste maandagochtend. Na de lugubere vondst heeft ze nachten achtereen niet kunnen slapen. Steeds opnieuw verschenen tijdens de nachtelijke uren de afschuwelijke beelden als een horrorfilm op haar netvlies. De wijd opengesperde starre ogen van ‘haar mevrouw’ waar ze meer dan twintig jaar met veel plezier de huishouding had gedaan. Ze ziet nog steeds het halfnaakte lichaam met de opzij gezakte borsten voor zich. Maar ook de blauwe verkleuringen in haar hals. Haar blote buik, haar ontblote venusheuvel met wat grijs geworden beharing. Nadat ze het huis van Maartje via de achterdeur was ontvlucht, had ze via het alarmnummer 112 de politie gebeld. Ze is niet meer in de woning terug geweest. Als een angstig kind, met haar mobiele telefoon nog in haar bevende handen geklemd, was ze door twee agenten helemaal achter in de tuin aangetroffen. Stientje voelt nog de troostende hand van de agent om haar schouder, toen deze haar jas en haar tas aan haar had terug gegeven. Ze had, onder begeleiding van de twee politieagenten, de tuin verlaten. Toen ze onder het inmiddels aangebrachte rood-witte lint door moest, had een luguber gevoel zich van haar meester gemaakt.

De regen mot zachtjes tegen haar keukenraam als Stientje timide in haar mok koffie staart. De damp die aanvankelijk uit de mok op steeg, was geheel verdwenen. Na een slokje van de sterk afgekoelde koffie te hebben genomen, pakt ze de beide flappen van haar opengevallen ochtendjas bij elkaar. Als ze zich omdraait en een blik op de wandklok in de keuken werpt, huivert ze. Het is half negen, en bovendien ook nog maandag. Dezelfde dag en tijdstip, waarop ze die bewuste maandagochtend uit haar auto stapte om het huishoudelijk werk bij Maartje Visser te doen. Ze zet de halflege mok op het aanrecht. Net als ze van plan is om eerst maar eens een lekkere warme douche te nemen, schiet de gedachte aan de reservesleutel van het huis van Maartje als een scherpe pijnscheut door haar hoofd. Het zou toch niet… Ze probeert die vreselijke gedachten uit haar hoofd te zetten.

            `                                                          *

Hoewel het gewoon haar werk is, voelt het voor Irma deze keer toch anders. Ze kan die onbestemde gevoelens maar niet uit haar hoofd zetten. Inmiddels heeft ze de tafel in de achterkamer dusdanig opgeruimd, zodat ze haar laptop, fotocamera en inventarislijsten daarop uit kan stallen. Als ze boven haar hoofd gestommel hoort, hoopt ze dat die engerd van een Pieter snel zal verdwijnen. Door zijn aanwezigheid in het huis van Maartje voelt ze zich ongemakkelijk. Domme muts! Waarom heeft ze dat onbehaaglijke gevoel toch? Ze probeert al doende met haar bezigheden een verklaring voor dat onbestemde gevoel te vinden. Zou het kunnen zijn, dat het met de tragische dood van Maartje Visser te maken heeft?

Het is immers de eerste keer in haar loopbaan, dat ze haar werk doet op een plaats waar een misdrijf gepleegd is. Bovendien heeft ze Maartje gekend, en heeft ze met meer dan gewone belangstelling de berichtgeving in de media gevolgd. Ze hoort tot haar opluchting dat iemand de trap afloopt. Dat zal die engerd zijn, denkt ze. Eindelijk… Als Pieter de woonkamer binnenkomt, realiseert Irma zich dat ze zweetdruppels op zijn brede voorhoofd ziet Dat kan nu niet van de regen zijn gekomen, zoals vanochtend vroeg wel het geval was. Ook zijn bleke gelaatskleur valt haar op. Zal hij zich niet goed voelen, of misschien een heftige avond of nacht achter de rug hebben? Irma durft het niet te vragen. Zeker niet aan hem. Ze had een dergelijke vraag wel aan Pieters voorganger, Henri, durven stellen. Dat was een toffe vent. Altijd even vriendelijk en behulpzaam. Irma mist hem nog steeds. Bah, ze merkt dat ze onzeker begint te worden, als ze ziet dat Pieter in de stoel van Maartje bij het raam gaat zitten en zijn bezwete hoofd met een ouderwetse zakdoek afwist. ‘Ga gerust je hang hoor,’ zegt ze tegen hem. Ze krijgt geen antwoord. Ze loopt ze naar de boekenkast om deze fotografisch vast te leggen. Het tellen en sorteren van de boeken kan altijd later nog wel, bedenkt ze. Als Pieter uit de stoel is opgestaan, ziet ze vanuit haar ooghoeken dat hij bezig is het aantal meubels in zich op te nemen en dat hij notities maakt.

Dan ziet Irma iets, wat haar opnieuw doet huiveren. Vergist ze zich? Nee, ze ziet het heel goed zelfs. Pieter kijkt na het opstaan naar de krijtstrepen op de vloerbedekking. Binnen die krijtstrepen had Maartje gelegen. Ook ziet ze, dat Pieter om de krijtstrepen heen loopt, terwijl hij de zweetdruppels nog steeds van zijn voorhoofd afveegt. Ze maakt zichzelf verwijten dat ze Pieter zo observeert. Een gevoel van schuld en schaamte bekruipt haar. Ze zou zich in diens plaats ook onbehaaglijk voelen om in een vertrek rond te moeten lopen waar iemand op een wrede wijze van het leven is beroofd. ‘Ik ben klaar,’ mompelt Pieter. Irma ziet nog net dat zijn hand trilt als hij zijn notitieboekje in de borstzak van zijn blauwe overall terug steekt. ‘Dat is snel,’ flapt ze er, voordat ze er erg in heeft, uit. Natuurlijk is ze blij, dat hij zo meteen vertrekt en zij het rijk alleen heeft. Maar ze vindt het vreemd dat Pieter in zo’n korte tijd de hele inventaris in de woonkamer heeft opgenomen. En dat terwijl hij, verhoudingsgewijs, erg lang boven bezig is geweest, terwijl er daar lang zoveel niet te inventariseren valt.

Als Pieter eindelijk vertrokken is, ruikt Irma pas ook zijn achtergelaten onaangename zweetgeur. Ze besluit om even te pauzeren om even tot zichzelf te komen. Haar hoofd zit momenteel veel voller van Pieter, dan van het vele werk dat ze hier nog te doen heeft. Tot haar schrik ziet ze op haar horloge dat het bijna elf uur is. ‘Gezelligheid kent geen tijd,’ zegt ze hardop en trekt haar coltrui over haar hoofd uit. De kust is nu veilig, daarbij terugdenkend aan hoe het haar was opgevallen dat Pieters ogen eerder die ochtend zo begeerlijk naar haar hadden gegluurd. De koffie uit haar meegebrachte thermosfles smaakt extra goed, als ze aan haar toch wel bijzonder mooie werk denkt. Ze heeft veel vrijheid en haar werk is bovenal heel afwisselend. Haar inmiddels min of meer vrolijk geworden stemming slaat om in irritatie, als de voordeurbel gaat. Irma weet niet zeker of de persoon die nu aanbelt haar gezien heeft. Met kordate stappen loopt ze door de gang naar de voordeur. Ze zal deze persoon gauw even afpoeieren en dan weer snel met haar werk verder gaan.

Dat het echter onverwacht heel anders zou gaan lopen, kon Irma van tevoren niet bedenken. Als ze de voordeur opent, komt ze oog in oog te staan met een totaal verbijsterd uitziende vrouw, die, zodra ze Irma ontwaart, als aan de grond genageld blijft staan met in haar enigszins trillende rechterhand een huissleutel geklemd.

 

 

Terwijl het daglicht door een spleet van de oude gordijnen van de slaapkamer naar binnen glipt, is Pieter bezig wakker te worden. Traag komt hij uit zijn bed en zet zijn voeten op het oude kleedje dat voor het bed ligt. Het bed, dat eigenlijk allang verschoond had moeten worden. Maar goed dat er nooit iemand komt. Hij zou zich diep schamen als iemand zou zien wat voor een ontzettende chaos het in zijn kleine huisje is. Nog een beetje onzeker op zijn voeten staand, loopt hij naar de woonkamer, ondertussen met zijn handen door zijn warrige haardos woelend. Het is gisteravond laat geworden. Bovendien heeft hij teveel gedronken. Vaak walgt hij van zichzelf als hij weer dronken is geweest. Hoe hij thuis is gekomen, kan hij zich niet meer herinneren. Waarschijnlijk heeft iemand hem thuis afgeleverd, want geld om een taxi te betalen had hij niet meer. Al peinzende hoe hij deze dag door zal moeten komen, schuift hij de versleten gordijnen van zijn voorkamer iets terug om een blik naar de buitenwereld te werpen. Zo te zien lijkt het opnieuw een grijze dag gaan worden? Het grijze regenachtige weer van de laatste twee weken maakt hem nog meer neerslachtig dan hij al is.

Buiten slaat de klok van de Nederlands Hervormde kerk zeven maal. Pieter zoekt zijn horloge. Waar heeft hij die gelaten, en wat voor dag is het eigenlijk vandaag? Ja, nu weet hij het weer. Het is maandag. Ineens is hij klaarwakker. Straks moet hij immers naar die woning. Ook dat nog. Zal hij zich opnieuw ziek melden, net als vrijdag? Voor het eerst in zijn leven gaat hij vandaag met tegenzin naar zijn werk. En dat is nog zwak uitgedrukt. Het is meer een kwestie van ‘met lood in de schoenen’ naar het werk gaan. Nadat hij afgelopen vrijdagmiddag de opdracht van zijn baas heeft gekregen, om vandaag de inboedel in die woning te inventariseren, is hij niet meer in staat geweest om zijn werk naar behoren uit te voeren. Hij heeft slechts twee van de vier verhuiswagens gewassen. Daarna heeft hij zich ziek gemeld. Hij ziet nog de verbaasde blik van zijn baas voor zich. Pieter en ziek, dat hoort absoluut niet bij elkaar. Zijn bleek vertrokken gezicht en zijn trillende handen waren zijn baas wel opgevallen. Reden om hem, Pieter, gelijk naar huis te sturen. Thuisgekomen had hij gelijk zijn vriend, met wie hij zaterdag naar de cross zou gaan, afgebeld. Hij had zich er zo op verheugd, tot het moment dat zijn baas hem die opdracht had gegeven. Zijn wereld was ingestort. Vervolgens had hij zich vertwijfeld afgevraagd hoe hij met zo’n vooruitzicht in vredesnaam het weekend door moest komen? Gekweld door barstende koppijn, mede veroorzaakt door te vele glazen whisky, die hij onder andere. in de kroeg ‘Bij kreupele Willem’ had genuttigd, had hij zich door het weekend heen gesleept. Hij had zaterdag zelfs zijn vriendin Nellie afgebeld, waar hij aanvankelijk zondag naartoe zou gaan.

Moeizaam en nog steeds wat onvast op zijn benen, begeeft hij zich naar de douche annex toiletruimte. Eigenlijk moet hij het huis weer eens een flinke schoonmaakbeurt geven. Nu moet hij daar niet aan denken. Hij heeft nu wel wat anders aan zijn hoofd dan zijn huis poetsen. De douche ruikt niet bepaald fris. De handdoeken hebben zeker in geen weken de binnenkant van de wasmachine gezien. Met tegenzin zet hij de kranen open, en hoopt dat ij zich daarna een beetje meer mens voelt

                                                             *

Als Stientje bijna stapvoets voor het huis langsrijdt, klopt het hart in haar keel. Aangezien er net een tegenligger aan kwam rijden, is het haar niet gelukt om even opzij te kijken. Waarom ze opzij wilde kijken weet ze eigenlijk zelf niet. Ze voelt zich als een inbreker, die bezig is om het object waar hij zijn slag wil slaan, aan een observatie te onderwerpen. Ze voelt ook schaamte en schuld. Zo betrouwbaar als ze altijd is geweest, staat ze nu op het punt in te gaan breken. Nou ja, inbreken is niet het goede woord. Ze heeft haar auto een straat verderop geparkeerd. Even heeft ze overwogen om achterom te gaan, om via de achterdeur het huis te betreden. Maar ze heeft dat voornemen snel uit haar hoofd gezet. Stel je eens voor, dat nieuwsgierige buren haar door de tuin zien lopen en haar niet zouden herkennen, om vervolgens de politie te bellen. Ze klemt de sleutel van de voordeur extra stevig in haar bevende hand vast. Nadat ze vanochtend net voor het douchen aan hem moest denken, schoot ook de reservesleutel door haar hoofd. Sindsdien heeft ze geen minuut rust meer gehad. Ze moet en zal het willen weten. Nu. Slechts twee personen zijn op de hoogte van de geheime bergplaats van die sleutel. De gedachte dat de politie de sleutel tijdens het onderzoek in de woning heeft gevonden stelt haar niet gerust. Na een korte douche en zich snel te hebben aangekleed, is ze in haar auto gestapt. Naarmate ze dichter het dorp naderde, was de adrenaline in haar bloed explosief gaan stijgen. Met de hand boven haar ogen tuurt Stientje door het voorkamerraam naar binnen. Ze ziet door de weerkaatsing van het licht alleen Maartje haar vertrouwde stoel staan. Als ze beter kijkt, ziet ze dat alle meubels nog op de plaats staan. Behalve haar snel kloppende hart, lopen er koude rillingen over haar rug. Waarom ze vervolgens aanbelt, weet ze eigenlijk zelf niet. Krankzinnig eigenlijk. Wie zou er nu in de woning aanwezig moeten zijn? Ze heeft de sleutel in haar inmiddels trillende hand en steekt deze in het slot van de voordeur. Voordat ze de sleutel omdraait kijkt ze nog snel even over haar schouder, om er zeker van te zijn dat niemand haar ziet. Op dat moment wordt de voordeur van binnenuit open gedaan. Als versteend staat Stientje oog in oog met een haar onbekende vrouw, die haar met een priemende blik in haar heldere ogen aankijkt, wachtend op een reactie van Stientje, die nog steeds als aan de grond genageld de vrouw aanstaart. Wordt vervolgd.

 

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.