Samenvatting Nectar VWO 5: H-14 en H-15

Door Paultje gepubliceerd op Monday 15 June 15:55

Lees hier een duidelijke en overzichtelijke samenvatting van Hoofdstuk 14 en 15 van Nectar biologie VWO 5. Het gaat over het zenuwstelsel en waarnemen.

 

Hoofdstuk 14: Zenuwstelsel

14.2 Cellen in het zenuwstelsel

10% van het zenuwstelsel bestaat uit neuronen en 90% uit gliacellen. Gliacellen voeden en steunen neuronen en ze bieden bescherming. Ook ruimen gliacellen beschadigde cellen op en ze verwijderen stoffen die een rol spelen bij het doorgeven van impulsen. Neuronen zorgen voor de informatieoverdracht in het zenuwstelsel. Een neuron bestaat uit een cellichaam met een celkern en een aantal uitlopers. Elke cel heeft twee verschillende soorten uitlopers: een axon en dendrieten. Uitlopers die impulsen aanvoeren, heten dendrieten. Een axon is de afvoerende uitloper. De aftakking eindigt in een synaps. Een synaps is een plaats waar de informatie van de ene neuron wordt doorgeschakeld naar de andere neuron. Dit gebeurt via een neurotransmitter.

Er zijn drie verschillende soorten neuronen: sensorische neuronen, schakelneuronen en motorische neuronen. Sensorische neuronen ontvangen zintuigimpulsen en vervoeren deze impulsen naar het CZS (Centrale zenuwstelsel). Schakelneuronen schakelen impulsen van sensorische neuronen en andere neuronen uit het CZS door. Motorische neuronen sturen impulsen van het CZS naar spieren of klieren.

Zenuwen hebben uitlopers van neuronen. De cellichamen van zenuwen bevinden zich in of bij het CZS. Sensorische zenuwen hebben alleen uitlopers van sensorische neuronen. Motorische zenuwen hebben alleen uitlopers van motorische neuronen. Meestal zijn zenuwen gemengd. Dat betekent dat ze beide typen uitlopers, dus dendrieten en een axon, in één kabel hebben liggen.

90% van de cellen in je hersenen en ruggenmerg zijn gliacellen. Ze hebben dus vast een belangrijke functie. Er zijn vijf verschillende typen gliacellen: astrocyten, oligodendrocyten, microglia, ependymcellen en de cellen van Schwann. Astrocyten regelen de uitwisseling van stoffen tussen neuronen en het bloed. Ook geven ze steun bij herstel van neuronen. Oligodendrocyten vormen een myelineschede om de uitlopers van neuronen in de hersenen en het ruggenmerg. Myeline is een vette stof die zorgt voor isolatie en een snelle impulsgeleiding. Microgliacellen beschermen neuronen tegen ziekteverwerkkers. Ependymcellen produceren hersenvocht. De Cellen van Schwann herstellen beschadigde neuronen.

14.3 Impulsgeleiding

Bij neuronen verschillen de concentraties ionen aan de binnen- en buitenzijde van het membraan. Hierdoor ontstaat een elektrochemisch potentiaalverschil van -70mV.  Deze membraanpotentiaal heet rustpotentiaal. In rust is de concentratie K+ ionen groter dan buiten de cel. Bij Na+ ionen is dit andersom. Ionen kunnen in en uit de cel door middel van ionpoorten. Depolarisatie treedt op als de buitenzijde van het neuron negatief is ten opzichte van de binnenzijde. Het tegenovergestelde heet repolarisatie. Als repolarisatie is doorschiet heet dat hyperpolarisatie. Depolarisatie en repolarisatie vormen samen een actiepotentiaal.  Als de actiepotentaal zich als een rij dominostenen over het membraan verplaatst heet dit een impuls.

14.4 Impulsoverdracht tussen neuronen

De impuls gaat van een axon van een neuron naar de dendriet of het cellichaam van een andere neuron. Het membraan van het axon heet het presynaptisch membraan en het membraan van een andere neuron heet het postsynaptisch membraan. Tussen deze membranen zitten spleetvorrmige ruimte: de synapsspleet. De synaptische blaasjes aan het uiteinde van een axon is gevuld met een neurotransmitter. De neurotransmitter kan in het postsynaptische neuron een actiepotentiaal laten ontstaan, of juist voorkomen. De neurotransmitter die voor deze actiepotentiaal zorgt heet een exciterende neurotransmitter. Het ontstane actiepotentiaal heet het exciterende postsynaptisch potentiaal. Wanneer de membraanpotentiaal van het postsynaptisch membraan verder daalt van de prikkeldrempel, ontstaat een inhiberende postsynaptische potentiaal. De neurotransmitter die hiervoor zorgt heet een inhibiterende neurotransmitter.  Elk neuron maakt maar één type neurotransmitter: exciterend of inhiberend. De neurotransmitters worden vrijgelaten aan het einde van alle uitlopers van zijn axon.

14.5 Autonoom zenuwstelsel

Het zenuwstelsel is opgebouwd uit het centrale zenuwstelsel en het perifeer zenuwstelsel. Deze indeling is gebaseerd op de plaats van de cellichamen van de neuronen. De cellichamen liggen centraal in de hersenen en in het ruggenmerg. Dit behoort tot het centrale zenuwstelsel. Alle andere cellichamen van neuronen liggen in het perifeer zenuwstelsel.

Ook kun je het zenuwstelsel indelen op basis van de functie van de onderdelen. Dan heb je onder andere het animaal zenuwstelsel. Het animaal zenuwstelsel verzorgt contact met de omgeving door de informatie uit zintuigen te verwerken en op een goede manier te koppelen aan je spieren. Zaken waar je niet bij stil staat worden geregeld door het autonoom zenuwstelsel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het transport van eten door je darmen. Het autonoom zenuwstelsel bestaat uit twee delen met een antagonistische werking: Het parasympatisch en het orthosympatisch deel. De organen die hierbij betrokken zijn, zijn met een grensstreng verbonden met het orthosympatisch zenuwstelsel die naast de wervelkolom ligt. Ze zijn met het parasympatisch deel verbonden door middel van een zwervende zenuw. Dit heet dubbele intervatie

 

Hoofdstuk 15: Waarnemen

15.1 Zintuigcellen

Het evenwichtszintuig ligt in het inwendige deel van je oor. De evenwichtsorganen meten hoe de stand van je hoofd is ten opzichte van de richting van de zwaartekracht en welke bewegingen je hoofd maakt. De evenwichtsorganen zijn gevuld met een vloeistof dat endolymfe heet.  De twee evenwichtsorganen bestaan uit een centraal deel, het vestibulum, en drie halfcirkelvormige kanalen. De beide maculae geven informatie over rechtlijnige bewegingen. Deze bevinden zich in het vestibulum. De zintuigcellen van een macula steken met zintuigharen in een geleilaag met daarbovenop kalksteentjes. Door de massa van de kalksteentjes wordt de geleilaag vertraagd bij een bepaalde beweging. De halfcirkelvormige kanalen geven informatie over draaibewegingen in je hoofd. De kanalen staan in drie vlakken loodrecht op elkaar. Zo kan elke richting worden waargenomen. De haren van de zintuigcellen steken ook hier in een geleiachtige massa, de cupula. Het evenwichtscentrum ontvangt ook informatie uit tal van andere organen van het hele lichaam. Neem een voorbeeld aan de ogen. Ogen nemen de locatie van je hoofd waar. Al deze informatie wordt gecombineerd met elkaar. Misselijkheid door bijvoorbeeld een draaimolen ontstaat doordat je evenwichtsorgaan al deze informatie niet goed met elkaar kan combineren.

Receptorcellen maken de input van informatie mogelijk. Elk type receptorcel is gevoelig voor zijn eigen type prikkel, de adequate prikkel. Een adequate prikkel leidt tot een verandering van het membraanpotentiaal. Wanneer je gedurende lange tijd dezelfde adequate prikkel binnenkrijgt wen je eraan. Dit heet adaptatie.

15.2 Het gehoorzintuig

De adequate prikkel voor het gehoorzintuig bestaat uit trillingen met frequenties tussen ongeveer 20 en 20.000 herz. Spraak bestaat uit frequenties tussen 200 en 2800 Hz. Als geluid je oor bereikt, wordt het geluid opgevangen door je oor en wordt het via de gehoorgang je oor in geleidt. Het buitenoor wordt gevormd door de oorschelp en de gehoorgang. Aan het einde van de gehoorgang worden trillingen opgevangen door het trommelvlies. Het trommelvlies sluit de gehoorgang af van de middenoor. Het trommelvlies gaat meetrillen met het geluid. Soms ontstaan drukverschillen tussen de ene kant van het trommelvlies en de andere kant. De drukverschillen worden opgelost door de buis van Eustachius. Het trommelvlies in het middenoor is verbonden met drie gehoorbeentjes: de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel. Deze gehoorbeentjes versterken de trillingen van het trommelvlies. Na deze versterking gaan de trillingen het binnenoor in. De trillingen van de stijgbeugel brengen via het ovale venster, een membraan in de wand van het slakkenhuis, de vloeistof in het slakkenhuis in trilling. Het slakkenhuis bevat drie opgerolde kanalen, maar eigenlijk zijn het er twee. De twee grootste kanalen vormen namelijk één doorlopend kanaal dat van het ovale venster naar het midden van het slakkenhuis loopt en terug naar een andere plek: het membraan van het ronde venster. Het kleinere kanaal bevat endolymfe. Endolymfe bevat K+-ionen die zintuigcellen kunnen depolariseren. De grote kanalen zijn gevuld met perilymfe. Dit is een vloeistof met een eigen ionensamenstelling. Een trilling van het ovale venster wordt verplaatst door de perilymfe in de richting van het centrum van het slakkenhuis. Ergens onderweg gaat, afhankelijk van de frequentie van het geluid, het membraan in het kanaal meetrillen. Op die plek gaat de endolymfe in het kleinere kanaal meetrillen die de trilling weer doorgeeft aan de perilymfe in het andere grote kanaal. Dit grote kanaal voert de trilling af naar het ronde venster. In het kleinere kanaal laten trillingen het basilair membraan bewegen. Dit membraan is bedekt met het orgaan van Corti. Dit is een langgerekte strook receptoren met zintuigharen: de haarcellen. Doordat de zintuigharen verbuigen worden de K+- kanalen van de zintuigcellen geopend. Dit leidt tot depolarisatie en dus afgifte van neurotransmitter aan sensorische zenuwcellen. In het primaire gehoorcentrum vindt dan de vertaling naar geluid plaats.

15.3 Het gezichtszintuig

Je pupillen worden kleiner als je tegen fel licht in kijkt. Dit is om je ogen te beschermen. Nog een betere bescherming bieden de pigmentcellen in het netvlies. Al het licht dat je oog binnen komt passeert verschillende onderdelen van je oog. Als je bijvoorbeeld naar een hond kijkt, vormt zich een omgekeerd beeld van die hond op je netvlies. Het licht wordt op verschillende plekken gebroken. De grootste lichtbreking ontstaat bij het hoornvlies. De bolle ooglens brengt het licht nog verder samen. Ook het kamervocht tussen de hoornvlies en de lens, en het glasachtig lichaam breken het licht. In het netvlies zitten de fotoreceptoren die gevoelig zijn voor licht.

Een ooglens zit met lensbandjes vast in het straalvormig lichaam. Door middel van het samentrekken van de lensbandjes kun je veraf of dichtbij zien. Dit scherpstellen heet accommoderen. Het centrale deel van het netvlies heet de gele vlek. Hiermee zie je vooral scherp. De plek waar de oogzenuw het oog uit gaat heet de blinde vlek. De oogzenuw zendt impulsen naar het primair gezichtscentrum. Er komen van verschillende oogzenuwen impulsen binnen: van het linkeroog en van het rechteroog. Deze beide oogzenuwen kruisen elkaar in het chiasma opticum. Doordat je een bepaald voorwerp onder twee verschillende hoeken bekijkt, namelijk met je linkeroog en rechteroog, kun je diepte zien.

15.4 Netvlies en receptieve velden

Je netvlies heeft verschillende soorten fotoreceptoren. Het heeft behalve kegeltjes, ook staafjes. Staafjes liggen buiten de gele vlek, en kegeltjes liggen binnen de gele vlek. Doordat kegeltjes een extreem grote dichtheid hebben, kun je met de gele vlek zeer scherp zien. Impulsen van staafjes worden vertaald in uitsluitend grijstinten en impulsen van kegeltjes worden vertaald in kleurentinten. Kegeltjes kunnen alleen gebruikt worden bij genoeg lichtintensiteit.

Het netvlies bestaat niet alleen uit receptorcellen, maar ook uit neuronen. Bipolaire cellen verbinden staafjes en kegeltjes met ganglioncellen. Ganglioncellen zijn neuronen die impulsen afvoeren naar de hersenen. Horizontale cellen en amacriene cellen leggen dwarsverbindingen.  Via deze verschillende neuronen zijn kegeltjes en staafjes in groepen geschakeld, die elkaar deels overlappen. Dit zijn receptieve velden. In de gele vlek zijn de receptieve velden het kleinst. Daar is namelijk elk kegeltje apart verbonden met één bipolaire- en één ganglioncel.

Het scheidend vermogen is het vermogen om details te onderscheiden. Er zijn drie verschillende typen kegeltjes in je netvlies. Één type is optimaal gevoelig voor blauw licht, één type is optimaal gevoelig voor groen licht en één is optimaal gevoelig voor rood licht. Wanneer er rood licht op je oog valt, hyperpolariseren de kegeltjes die optimaal gevoelig zijn voor rood licht.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.