Samenvatting management en organisatie VWO

Door Paultje gepubliceerd op Monday 08 June 19:32

Lees hier de samenvatting van hoofdstuk 12 t/m 21 van management en organisatie (m&o) uit het boek Percent Tweede fase VWO.

 

12 Opbrengsten en kosten binnen een handelsonderneming

12.1 Ontvangsten en uitgaven

Producten van een handelsonderneming kunnen contant of op rekening worden verkocht. Bij contante verkoop ontvangt de handelsonderneming het bedrag direct en op rekening pas enige tijd daarna. Door deze verkopen ontvangt de onderneming geld, maar de onderneming kan ook geld ontvangen als het eigen vermogen wordt uitgebreid of als er een lening wordt aangevraagd. Een handelsonderneming doet natuurlijk ook veel uitgaven. De uitgaven betreffen:

  • Het betalen van ingekochte producten
  • Het betalen van de inkoopkosten (vervoers- en verzekeringskosten)
  • De loonkosten
  • Interestkosten
  • Overig (openbarenutsbedrijven)

Een onderneming krijgt te maken met ontvangsten en opbrengsten, maar wat is nou het verschil tussen die twee? We spreken van ontvangsten als de onderneming geld ontvangt. Opbrengsten zijn ontvangsten die de onderneming maakt door het leveren van goederen of diensten. Opbrengsten behoren tot de periode waarin aan de klant geleverd wordt.

Ook heeft een onderneming uitgaven en kosten. Uitgaven zijn eigenlijk gewoon betalingen. We spreken van kosten als de uitgaven ontstaan door het aanschaffen van goederen of diensten. Ook zijn afschrijvingen een vorm van kosten. Aflossing behoort echter niet tot de kosten maar wel tot de uitgaven.

12.2 Brutowinst

Het doel van een handelsonderneming is het inkopen van goederen en ze vervolgens voor een hogere prijs te verkopen. Het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs van een product is de brutowinst. De omzet is de totale opbrengst van alle verkochte goederen. De afzet van een onderneming is de hoeveelheid goederen die in een bepaalde periode is verkocht. De omzet is dus het aantal verkochte goederen vermenigvuldigd met de verkoopprijs van die goederen.

Vaak wil een onderneming een gewenste brutowinst behalen om alle gemaakte kosten te dekken. Dit doen ze door de inkoopprijs te verhogen met een brutowinstopslag. Wanneer de brutowinst een percentage van de verkoopprijs is, wordt dit de brutowinstmarge genoemd. Van de brutowinstopslag wordt gebruik gemaakt, als de ondernemer zelf de verkoopprijs kan bepalen. De brutowinstmarge wordt gebruikt als de markt de verkoopprijs bepaalt.

Naast de inkoopkosten maakt een onderneming nog veel meer andere kosten. Je kunt hierbij denken aan loonkosten, rentekosten, magazijnkosten, reclamekosten en afschrijvingskosten. Al deze kosten worden de bedrijfskosten genoemd. Als je de bedrijfskosten van de brutowinst aftrekt, hou je de nettowinst over. De nettowinst is ook tegelijkertijd het inkomen van de eigenaar van de onderneming.

12.3 Belasting op de toegevoegde waarde

De overheid wil graag geld verdienen met elke verkoop die een onderneming maakt. Dit doet de overheid door de verkoopprijs te verhogen met een omzetbelasting (BTW). Er zijn twee tarieven: 6% voor de levensmiddelen en 21% voor de overige goederen. BTW is de afkorting van Belasting Toegevoegde Waarde. De toegevoegde waarde is een waardevermeerdering van een product tijdens een productieproces. Voor een handelsonderneming is de toegevoegde waarde dus de brutowinst.

Doordat er BTW wordt geheven, gaat de onderneming onderscheidt maken tussen de verkoopprijs exclusief BTW en de verkoopprijs inclusief BTW (consumentenprijs). Een onderneming die de verkoopprijs bepaalt rekent met prijzen exclusief BTW. Het enige wat de ondernemer met de ontvangen BTW moet doen is het overdragen aan de overheid.

 

13 Kostprijs en nettowinst

13.1 Kostprijs en verkochte goederen

Om het berekenen van de brutowinstopslag makkelijker te maken, worden de kosten onderverdeeld:

  • Inkoopkosten (telefoonkosten, transportkosten)
  • Algemene kosten (huisvesting, interestkosten, bedrijfsleiding)
  • Verkoopkosten (loonkosten verkopers, reclamekosten)

Omdat de brutowinstopslag gewoon heel moeilijk te berekenen is, wordt er gewerkt met verschillende opslagpercentages. Zo kan je er makkelijker achter komen uit welke categorie meer kosten worden gemaakt, en in welke categorie het opslagpercentage dus verhoogd moet worden. We krijgen nu te maken met vier opslagpercentages:

  • Inkoopkosten opslagpercentage
  • Algemene kosten opslagpercentage
  • Verkoopkosten opslagpercentage
  • Gewenste nettowinst opslagpercentage

De opslagpercentages worden altijd bepaald op basis van bedragen uit eerdere perioden.

13.3 Vaste verrekenprijs

Als een onderneming producten verkoopt, waarvan de inkoopprijzen weinig schommelen, wordt er gebruik gemaakt van de vaste verrekenprijs. De vaste verrekenprijs bestaat uit de geschatte inkoopprijs en een opslag voor de dekking van de inkoopkosten. De verdere kosten die gemaakt worden, bestaan uit de verkoopkosten en de algemene kosten. De kostprijs bestaat uit de vaste verrekenprijs plus de verdere kosten.

 

14 Voorcalculatie

14.1 De verwachte brutowinst

Dit hoofdstuk gaat over het voorcalculeren van de opbrengsten van producten. Ondernemers willen natuurlijk weten hoeveel ze gaan verdienen om vervolgens te weten hoeveel ze kunnen uitgeven. De begrote afzet vermenigvuldigd met de begrote verkoopprijs geeft de begrote omzet. De begrote afzet vermenigvuldigd met de inkoopprijs geeft de inkoopwaarde van de begrote omzet. De begrote omzet min de inkoopwaarde van de begrote omzet geeft de verwachte brutowinst. Voorcalculaties zijn berekeningen die gemaakt zijn op basis van verwachtingen.  Het zijn dus eigenlijk schattingen en het is nooit 100% zeker. Toch worden door voorcalculaties veel besluiten genomen.

14.2 Verwachte nettowinst bij gebruik van een brutowinstopslag

Wanneer een bedrijf een kasoverschot heeft kan dit bedrijf ervoor kiezen om bijvoorbeeld het geld te beleggen. Hiermee kan het bedrijf interestopbrengsten behalen en dit verhoogd de nettowinst. De nettowinst bestaat nu dus uit het bedrijfsresultaat + de buiten het bedrijf behaalde resultaten.

14.3 Verwachte nettowinst bij gebruik van een nettowinstopslag

De voorcalculatorische nettowinst is de verwachte omzet min de kostprijs van de omzet.  De voorcalculatorische nettowinst wordt ook wel het verwachte verkoopresultaat genoemd.

 

15 Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting

15.1 Liquiditeitsbegroting

Om een organisatie inzicht te geven in de toe- en afname van liquide middelen, wordt een liquiditeitsbegroting opgesteld. Een toename van liquide middelen ontstaat door de verkoop van goederen. Een afname van liquide middelen wordt veroorzaakt door loonbetalingen, betalingen aan leveranciers, betalingen aan dienstverlenende bedrijven (verzekeringen, energie), betalingen van rente en aflossingen op leningen en winstuitkeringen. Een liquiditeitsbegroting is een handig overzicht van de verwachte ontvangsten en uitgaven van een toekomstige periode. Met een liquiditeitsbegroting kunnen toekomstige problemen in liquide middelen vroegtijdig worden voorkomen.

Hoe stel je een liquiditeitsbegroting op?

Een liquiditeitsbegroting heeft de volgende opstelling:

 

Ontvangsten

Uitgaven

-------------------------------

Toe / afname liquide middelen

Beginsaldo liquide middelen

----------------------------------------------

Eindsaldo liquide middelen

 

De ontvangsten kunnen bestaan uit debiteuren en contante verkopen van goederen. Uitgaven kunnen bijvoorbeeld bestaan uit crediteuren, nettoloon, verzekering, leningen en huur. Door de ontvangsten te verminderen met de uitgaven krijg je de toe / afnamen van de liquide middelen. En door dan de toe / afname van de liquide middelen op te tellen bij het beginsaldo van de liquide middelen, ontstaat het eindsaldo van de liquide middelen

15.2 Resultatenbegroting

Een resultatenbegroting geeft een inzicht in de verwachte winstontwikkeling. Het is dus een overzicht van de verwachte opbrengsten en kosten in een bepaalde periode.

Hoe stel je een resultatenbegroting op?

Een resultatenbegroting heeft de volgende opstelling:

 

Verwachte omzet

Inkoopwaarde omzet

----------------------------------

Verwachte brutowinst

Diverse kosten

----------------------------------

Verwacht resultaat

 

Je doet de verwachte omzet min de inkoopwaarde van de omzet. Zo houd je de verwachte brutowinst over. Daarna trek je diverse kosten ervan af. Diverse kosten zijn bijvoorbeeld het nettoloon, de huur, de verzekering, rentekosten, afschrijvingen en overige kosten. Vervolgens houd je het verwachte resultaat over.

Het verschil tussen een liquiditeitsbegroting een een resultatenbegroting is dat op een liquiditeitsbegroting ontvangsten en uitgaven staan en op een resultatenbegroting staan opbrengsten en kosten.

 

16 Het aanhouden van voorraden

16.1 Voorraden

Voor veel bedrijven is het aanhouden van een voorraad noodzakelijk. Neem een voorbeeld aan supermarkten. Supermarkten moeten altijd genoeg producten op voorraad hebben om nee-verkopen te voorkomen. Helaas zijn aan het aanhouden van voorraden ook kosten en risico’s verbonden. Voorraadkosten bestaan uit bestelkosten en opslagkosten. Bestelkosten hebben betrekking op de inkoop van de producten. Bijvoorbeeld loonkosten van de inkopers. Opslagkosten hebben betrekking op het opslaan van de in voorraad houdende producten. Tot de opslagkosten behoren bijvoorbeeld de loonkosten van het magazijnpersoneel en ook het geld, waarmee de voorraad is gekocht, wordt langer ‘vastgehouden’. Dit betekent dat er niets mee gedaan kan worden. Er zijn vier risico’s verbonden aan het in voorraad houden van producten:

  • Bederf (kwaliteitsrisico)
  • Diefstal, brand e.d. (kwantiteitsrisico)
  • Veroudering (commercieel risico)
  • Prijsfluctuaties (economisch risico)

Omdat aan het bevoorraden van producten zoveel kosten en risico’s zitten verbonden, proberen handelsondernemingen hun voorraad zo klein mogelijk te laten zijn, zonder dat de verkopen in gevaar komen. We spreken hier van een optimale voorraad.

Wanneer een deel van de voorraad van een bedrijf al wel verkocht, maar nog niet geleverd is, spreken we van voorverkopen. Hierover loopt het bedrijf geen prijsrisico meer. Wanneer er al wel goederen zijn besteld, maar nog niet zijn ontvangen, spreken we van voorinkopen. Hierover loopt een bedrijf wel prijsrisico. De technische voorraad is de werkelijk aanwezige voorraad en de economische voorraad is de voorraad waarover een bedrijf prijsrisico loopt.

Logistiek is een belangrijk iets dat hoort bij het aanhouden van voorraden. Logistiek gaat over alle handelingen die nodig zijn om de juiste goederen op het juiste tijdstip op de juiste plaats te leveren tegen kosten die zorgen voor een zo hoog mogelijk rendement. Er zijn drie verschillende soorten logistiek systemen:

  • Een ordergestuurd systeem (bijvoorbeeld als iemand een nieuwe auto koopt die nog gefabriceerd moet worden)
  • Een voorraadgestuurd systeem (als de voorraad onder een minimum zakt)
  • Plangestuurd systeem (gebaseerd op productieplan)

Reverse logistics betreffen de goederenstromen van de afnemer naar de leverancier. Hier kun je denken aan statieflessen die weer ingeleverd worden bij de supermarkt.

 

17 Kosten en winst

17.1 Constante en variabele kosten

Constante kosten (vaste kosten) zijn kosten die je maakt door de gekozen productiecapaciteit en dus niet afhankelijk zijn van de echte productiegrootte. Constante kosten worden daarom ook wel capaciteitskosten genoemd. De bezettingsgraad is de mate waarin de beschikbare productiecapaciteit tijdens een periode wordt benut. Variabele kosten zijn afhankelijk van de grootte van de werkelijke productie. Bij een stijging van de productie blijven de constante kosten dus gelijk en stijgen de variabele kosten. Proportioneel variabele kosten zijn rechtevenredig met de productieomvang. Progressief variabele kosten nemen meer dan evenredig toe als de productieomvang stijgt. Degressief variabele kosten nemen minder dan evenredig toe als de productieomvang stijgt. Totale kosten zijn de totale vaste kosten en totale variabele kosten bij elkaar opgeteld.

17.2 Het break-evenpunt

De afzet waarbij de onderneming winst noch verlies maakt, heet de break-evenafzet. Bij een kleinere afzet maakt de onderneming verlies en bij een grotere afzet maakt de onderneming winst. De break-evenomzet spreekt voor zich. De dekkingsbijdrage is het verschil tussen de verkoopprijs per product en de som van inkoopprijs en variabele kostprijs per product. De dekkingsbijdrage laat zien hoeveel de één product bijdraagt aan de dekking van de vaste kosten en aan de nettowinst. De formule voor de break-evenafzet gaat als volgt: break-evenafzet = (totale vaste kosten / prijs) – (inkoopprijs per product + variabele kosten per eenheid product). Het verschil tussen de echte afzet en de break-evenafzet, uitgedrukt in procenten van de werkelijke afzet wordt de veiligheidsmarge genoemd.

17.3 De verwachte nettowinst

Er bestaat een formule voor de gewenste afzet die luidt als volgt:

Gewenste afzet = (vast kosten + gewenste nettowinst) / dekkingsbijdrage

 

18 Kostensoorten in industriële ondernemingen

18.1 Inleiding

Er wordt onderscheidt gemaakt in 6 verschillende kostensoorten:

  1. Kosten van grond
  2. Kosten van grond- en hulpstoffen
  3. Kosten van arbeid
  4. Kosten van diensten
  5. Belastingen
  6. Kosten van duurzame productiemiddelen

18.2 De kosten van grond

Grond kan twee functies hebben voor bedrijven. Het kan worden gebruikt als vestigingsplaats en als leverancier van delfstoffen.

18.3 De kosten van grond- en hulpstoffen

Door het gebruik van grond- en hulpstoffen ontstaat afval. Afval is de grondstof die verloren gaat tijdens het productieproces. Als afval nog kan worden gebruikt voor een ander productieproces wordt dit waardevol afval genoemd. Het tegenovergestelde van waardevol afval is waardeloos afval. Door het bestaan van afval wordt er onderscheidt gemaakt tussen bruto grondstoffenverbruik en netto grondstoffenverbruik. Het bruto grondstoffenverbruik is de hoeveelheid grondstof die nodig is om een product te maken. Het netto grondstoffenverbruik is de werkelijke hoeveelheid grondstof die in het product terug te vinden is.

18.4 De kosten van arbeid

Arbeidskosten ontstaan door het inzetten van mensen bij de productie. Arbeidskosten bestaan uit:

  • Brutoloon
  • Sociale premies
  • Kosten van vakantie- en snipperdagen
  • Pensioenpremies
  • Kosten van overige faciliteiten (kerstpakketten)

Gemiddeld zijn de loonkosten 25% hoger dan het brutoloon. Er bestaan twee verschillende loonstelsels, namelijk tijdloon en stukloon. We spreken van tijdloon als de werknemer betaalt krijgt voor de hoeveelheid tijd die hij werkt. Bij stukloon hangt de hoeveelheid loon af van de geleverde prestatie. Stukloon is alleen toepasbaar als aan de volgende drie eisen wordt voldaan:

  • De prestaties moeten meetbaar zijn
  • De werknemer moet het aantal prestaties zelf kunnen beïnvloeden
  • De nadruk moet liggen op hoeveelheid en niet op kwaliteit

18.5 De kosten van diensten

De kosten van diensten bestaan o.a. uit de kosten van vervoer, verzekeringen, energie, schoonmakers en noem maar op.

18.6 De belastingen

Er zijn belastingen die de kostprijs van een product beïnvloeden (Kostprijsverhogende belastingen), maar er zijn ook belastingen die de verkoopprijs beïnvloeden (Accijns en omzetbelasting) en weer ander belastingen betreffen de winst (Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting).

18.7 De kosten van duurzame productiemiddelen

Investeren houdt in dat je zowel vaste als vlottende activa gaat aanschaffen. Investeringsprojecten kun je in twee verschillende categorieën onderscheiden. Namelijk in een overname en de aankoop van een nieuw productiemiddel. Als een bedrijf wil investeren gaat het eerst kijken hoeveel de investering voor hem oplevert. Het verschil tussen de verwachte inkomsten en de verwacht uitgaven is natuurlijk een belangrijk gegeven. In dit verband spreken we van netto kasstromen of netto cash flows. De netto kasstroom = nettowinst + afschrijvingen – netto investeringen. Aan het begin van de investering is de cash flow negatief omdat de nodige uitgaven worden gedaan. Er zijn twee verschillende selectiecriteria voor het maken van een investering:

  • De terugverdientijd (periode waarin investering is terugverdiend)
  • De netto contante waarde (contante waarde van kasstromen na aftrek oorspronkelijke investering)

18.8 Financieringskosten

Het grootste voorbeeld van financieringskosten zijn de interestkosten. Een bedrijf moet bij een financiering van een investering rekening houden met de volgende kosten:

  • De hoogte van de ingecalculeerde interest
  • De duur van het vermogensbeslag
  • De grootte van het vermogensbeslag

 

19 Kosten en opbrengsten bij stukproductie

19.1 Toegestane kosten

Toegerekende periodekosten zijn de vaste kosten die niet bij een bepaald product horen, maar die gelijkmatig over het jaar worden gemaakt. Bijvoorbeeld interestkosten en administratiekosten. De kosten die wel aan een product zijn toe te schrijven heten toegestane kosten.  Toegestane kosten zijn hetzelfde als de kostprijs van een product.

19.2 Directe en indirecte kosten

Directe kosten zijn rechtstreeks aan een product toe te rekenen. Indirecte kosten worden ten behoeve van de gehele productie gemaakt. Dit zijn bijvoorbeeld huisvestingkosten. Om de totale kostprijs van een product te berekenen moet dus een opslagpercentage worden gebruikt om ook de indirecte kosten tot het product te betrekken. We spreken van de verfijnde opslagmethode als de indirecte loonkosten van de leiding tot uiting komen in een opslag op de directe loonkosten, als de indirecte magazijnkosten verwerkt worden in een opslagpercentage op de grondstoffen en als de overige indirecte kosten met een opslagpercentage worden opgenomen in de totale directe kosten. Wanneer met één opslagpercentage gewerkt wordt, spreken we van de primitieve opslagmethode.

 

20 Kosten en opbrengsten bij homogene massaproductie

20.1 Het doel van kostprijsberekening

Er bestaat vaak verwarring over wat de kostprijs nou precies is. De kostprijs is een voorgecalculeerde waarde. Het is de som van de toegestane kosten per product. De kostprijs is dus de totale kosten die je verwacht over een product. Voorcalculatie zorgt ervoor dat de bedrijfsleiding kan gaan plannen. De leiding kan gaan plannen hoe groot de normale productie moet zijn, hoeveel grondstoffen en hoeveel arbeid gebruikt gaat worden en er wordt gepland over de standaardprijzen. De toegestane kosten zijn vastgelegd via standaardwaarden. Vaak is er geen verband tussen de kostprijs en de verkoopprijs.

Het transactieresultaat is het verschil tussen de kostprijs en de verkoopprijs per product. De kostprijs is dus niet helemaal betrouwbaar. Er kunnen efficiencyverschillen (hoeveelheidverschillen) zijn. Dat betekent dat er bijvoorbeeld meer grondstoffen zijn verbruikt dan verwacht. Ook kunnen prijsverschillen en bezettingsresultaten voor komen. Bezettingsresultaten treden op doordat de voorgecalculeerde bezettingsgraad niet overeenkomt met de verwachting.

20.2 De standaardkostprijsformule

De constante kosten van de standaardkostprijs zijn te beschouwen als capaciteitskosten. Constante kosten worden gerelateerd aan de normale productie. Het tarief voor de dekking van de constante kosten wordt bepaald door de totale constante kosten en de normale productie. Het tarief wordt berekend met de volgende formule: Tc = Ck / Np. Tc is het tarief constante kosten, Ck zijn de constante kosten en Np is de normale productie. De grootte van de verwachte variabele kosten is afhankelijk van de begrote productie. De variabele kosten veranderen namelijk als de productie ook verandert. Het tarief voor de dekking van variabele kosten wordt als volgt berekent: Tv = Vk / Bp. Tv is het tarief variabele kosten, Vk zijn de variabele kosten en Bp is de begrote productie. De tarieven voor constante en variabele kosten geven samen de normatieve kostprijs of standaardkostprijs. De formule voor de standaardkostprijs is dus: Kp = Ck / Np  +  Vk / Bp.

20.3 Het bedrijfsresultaat

Het bedrijfsresultaat is de verwachte omzet in een periode min de kostprijs van de omzet. Het wordt ook wel de totale winst genoemd. Het bedrijfsresultaat bestaat uit twee delen: het verkoopresultaat en het bezettingsresultaat. Het verkoopresultaat wordt berekent door de verkoopprijs per product min de kostprijs per product te doen. De formule voor de begrote verkoopresultaat = (p – Kp) x q. P is de verkoopprijs, Kp is de kostprijs en q is de verwachte verkochte hoeveelheid.

Wanneer de productie en verkoop kleiner is dan de normale bezetting heet dat onderbezetting. Wanneer de productie groter is heet dat overbezetting. Bij onderbezetting zal een deel van de constante kosten niet worden terugverdiend. Dit wordt onderbezettingverlies of een nadelig bezettingsresultaat genoemd. Wanneer er sprake is van overbezettingresultaat krijg je te maken met een overbezettingwinst of een voordelig bezettingsresultaat. De formule voor het voorcalculatorisch bezettingsresultaat = (Bp – Np) x Tc. Bp is de begrote productie, Np is de normale productie en Tc is het tarief constante kosten.

20.4 De dekkingsbijdrage

De dekkingsbijdrage is het verschil tussen de verkoopprijs per product en het tarief voor de dekking van variabele kosten per product. De dekkingsbijdrage is dus het bedrag dat bijdraagt aan de dekking van de constante kosten.

Met de dekkingsbijdrage wordt berekend bij welke productie de constante kosten zijn terugverdiend. Hierbij wordt de break-evenproductie gebruikt. De formule voor het berekenen van de break-evenafzet is: BEP = Cs / p – tv. BEP is de break-evenproductie, Cs zijn de totale constante kosten, p is de verkoopprijs en tv zijn de variabele kosten per eenheid product..

20.5 Fabricagekostprijs en commerciële kostprijs

De fabricagekostprijs heeft alleen betrekking op het vervaardigen van goederen. Verkoopkosten zijn de kosten die betrekking hebben op de verkoop.

 

21 Financieel beleid in niet-commerciële organisaties

21.1 De begroting in niet-commerciële organisaties

Een begroting is een overzichtje van het financiële beleid voor het komende jaar. Een organisatie maakt bijna altijd een begroting. In een begroting kunnen inkomsten en uitgaven staan, maar ook baten en lasten. Een begroting is dus een schatting en geen waarheid. De begroting wordt opgesteld door het verenigingsbestuur en moet vervolgens goedgekeurd worden door de ledenvergadering. In een begroting wordt vooral gekeken naar toekomstige plannen, bestaande activiteiten en de financiële positie van de vereniging. De penningmeester heeft als taak alle inkomsten en uitgaven te registreren. Wil een niet-commerciële organisatie geld investeren in bijvoorbeeld gebouwen, dan wordt een investeringsbegroting opgesteld.

21.3 De liquiditeitsbegroting

Omdat een penningmeester wil weten of hij de komende periode over genoeg geld beschikt, wordt er een liquiditeitsbegroting opgesteld. Dit is een verwachting van de inkomsten en de uitgaven van een periode. Met behulp van de volgende punten wordt een liquiditeitsbegroting opgesteld:

  • De begroting
  • De investeringsbegroting
  • De betalingsverplichtingen
  • De voorraad liquide middelen
  • De bestaande kredietruimte

21.4 Leasing

Voor niet-commerciële organisaties is leasing een handige optie. De voordelen zijn echter wel kleiner dan voor commerciële organisaties. Dit komt door de afwijkende fiscale positie. Leasetermijnen kunnen voor commerciële organisaties namelijk een aftrekpost vormen voor de winstbelasting. Niet-commerciële organisaties leasen zaken vooral zodat ze dan geen investering hoeven te doen. Leasen is voor deze organisaties een vorm van financiering met vreemd vermogen.

21.5 Onroerende-zaakstichtingen

Onroerende-zaakstichtingen zijn verenigingen of stichtingen die eigendom verkrijgen van niet-commerciële organisaties om de gebouwen dan vervolgens te verhuren.

21.6 Lumpsumfinanciering

Op basis van inputfinanciering subsidieerde de overheid niet-commerciële organisaties. Maar nu gebeurt dat niet meer. De overheid betaalde bijvoorbeeld de salarissen aan docenten op scholen. Tegenwoordig past de overheid lumpsumfinanciering toe. Hierbij krijgt de organisatie geld op basis van een prestatienorm. Hoe meer leerlingen een school heeft, hoe meer geld de school krijgt. De school mag zelf weten waar het geld aan besteedt wordt. Er wordt achteraf wel gecontroleerd of het gesubsidieerde geld daadwerkelijk aan de school is uitgegeven. De lumpsumfinanciering geeft niet-commerciële organisaties dus meer beleidsvrijheid

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.