De tijd van burgers en stoommachines

Door Paultje gepubliceerd op Saturday 23 May 11:40

Inhoudsopgave

  1. Inleiding
  2. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme
  3. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces
  4. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving
  5. Discussies over de ‘sociale kwestie'
  6. De opkomst van emancipatiebewegingen
  7. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie

 

1. Inleiding

Dit tijdvak duurde van 1800 tot 1900 na Chr. In de tijd van burgers en stoommachines ontstond er een industriële revolutie in de westerse wereld. Ook waren er emancipatiebewegingen in opkomst. In deze tijd krijgt ook de vrouw meer rechten. Vrouwen mogen soms meebeslissen in de politiek. Deze periode kende ook een groot aantal stromingen zoals het feminisme, liberalisme en het nationalisme.

 

2. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme

Gebeurtenissen

  • 20e eeuw: pas in deze eeuw zijn echte democratieën ontstaan.
  • 19e eeuw: democraten raakten verdeeld over verschillende stromingen en partijen.
  • Eind 19e eeuw: er ontstonden politieke partijen.
  • 1e helft 19e eeuw: ontstaan van liberalisme als stroming, wat voort kwam uit 18e eeuwse verlichters als Montesquieu, Rousseau, Adam Smith.
  • 1870: hierna wou een deel van de liberalen een aanpassing van de liberale principes en werden radicale liberalen genoemd.
  • 16e eeuw: vanaf de tweede helft van deze eeuw ontstonden in de Republiek (nu Nederland) nationale gevoelens, waar de oorlog tegen Spanje een gemeenschappelijke ervaring werd.
  • 1830: De Grieken en de Belgen slaagden erin een eigen nationale staat te vormen.

Ontwikkelingen

Democratie: tot de kenmerken van een parlementaire democratie behoren de volgende grondrechten: 

  • Vrijheid om uiting te geven aan alles wat men denkt, gelooft, meent of weet. 
  • Gelijkheid van iedereen voor de wet.
  • Recht op bescherming, privé-leven en bezit.
  • Vrije verkiezingen in een twee- of meerpartijenstelsel.
  • Recht op een menswaardig bestaan.

Naast deze grondrechten heeft een parlementaire democratie nog twee kenmerken:

  • Bereidheid compromissen te sluiten en rekening te houden met groepen die in de minderheid zijn. 
  • Vertrouwen van de bevolking in de parlementaire democratie.

Conservatisme: De conservatieven gaan van het volgende uit:

  • De mens is geneigd tot het kwade
  • De mensen zijn van nature ongelijk
  • Het is belangrijk met het verleden rekening te houden
  • Veranderingen moeten geleidelijk gaan

Het conservatisme ontstond door de angst die mensen hadden voor de revolutie. Voor velen was dit een spookbeeld geworden door de vele moorden enzovoort. Daarom wilden ze de veranderingen in het vervolg geleidelijk laten gaan om zoiets te voorkomen. De conservatieven waren bijvoorbeeld ook tegen de uitbreiding van het kiesrecht.

Radicalisme: Het radicalisme kan tegenover het conservatisme worden geplaatst. Het kan zich naar twee zijden uiten, ontwikkelingen in de samenleving stimuleren of zich er fel tegen keren. 

Liberalisme: Wil vrijheid op alle gebieden, dat mensen gewoon hun gang kunnen gaan. Het liberalisme is een reactie op het mercantilisme. Ieder individu moet de vrijheid hebben zijn eigenbelang na te streven, wat welvaart voor allen zal opleveren. Ze waren bijv. voor uitbreiding van het kiesrecht en vonden dat de staat zo weinig mogelijk moest ingrijpen in het leven van de burgers. Na 1870 viel het liberalisme uiteen, omdat een deel aanpassingen wou aan de liberale principes. Er waren meningsverschillen over de staatstaken en over het kiesrecht.

Socialisme: Volgens sommigen moest het kapitalisme worden vervangen door het socialisme, omdat het kapitalistische stelsel niet in staat was de problemen op te lossen die ontstaan waren door de industrialisatie. De belangrijkste vorm van socialisme is het marxisme, waarbij er een klassenstrijd zal ontstaan en een klasseloze samenleving tot stand zal brengen. het marxisme werd later wel herzien en men probeerde nu via het parlement veranderingen aan te brengen, het revisionisme. In Rusland werd die parlementaire weg echter afgewezen. De leider van hun partij werd Lenin, en zijn leer heet het marxisme-leninisme. 

Confessionalisme: De kerken hadden nooit belang gehad bij een eigen politieke partij, maar ze kregen steeds meer tegenspraak en het confessionalisme kwam op. Een aantal kenmerken van deze politieke partij zijn dat God belangrijk is en centraal staat, dat de mensen elkaar nodig hebben en niet zonder elkaar kunnen en dat de overheid moet zorgen voor de armen. Na de Tweede Wereldoorlogen vonden er een aantal belangrijke veranderingen plaats in het confessionalisme, bijvoorbeeld dat de katholieke partijen zich langzaam losmaakten van het kerkelijk gezag en dat de katholieke en protestantse partijen tot één christelijke partij versmolten.

Nationalisme: Het nationalisme heeft in allerlei gradaties bestaan. De Honderdjarige Oorlog heeft bijvoorbeeld de nationale gevoelens sterk vergroot in Frankrijk en Engeland en hierdoor slaagden de koningen er eerder in van hun land een eenheid te maken. In Nederland ontstonden er nationalistische gevoelens tijden de oorlog tegen Spanje. In het begin van de 19e eeuw breidde het nationalisme zich over Europa uit. Zo ook kreeg het volk in Frankrijk tijdens de Franse Revolutie nationale gevoelens en tijdens het Congres van Wenen (1814 – 1815) bleek ook dat er sprake was van nationalisme. 

 

Personen

De hele bevolking heeft meegewerkt aan de opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen, niet een specifiek persoon.

 

Verbanden

Het was voor het eerst in de geschiedenis dat er politiek-maatschappelijke partijen opkwamen. Dat komt omdat de omstandigheden voor de arme arbeiders zo slecht waren dat men er wat aan wilde doen. De omstandigheden zijn wel eens eerder slecht geweest voor de arme mensen, bijv. in de Middeleeuwen, maar waarschijnlijk niet zo slecht als met de industrialisatie. 


3. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces

Gebeurtenissen

  • 1848: in Nederland werd in de grondwet het censuskiesrecht vastgelegd.
  • 1887 en 1896: het censuskiesrecht werd uitgebreid in Nederland.
  • 1907: In Finland kregen de vrouwen het eerst kiesrecht.
  • 1917: In Nederland kwam er algemeen kiesrecht voor mannen.
  • 1919: Ook in Nederland kregen de vrouwen kiesrecht.
  • 1971: Zwitserland was het laatst met het verlenen van kiesrecht aan vrouwen.

 

Ontwikkelingen

Overal in Europa waar in de loop van de 19e eeuw liberalen aan de macht kwamen, werd een vorm van censuskiesrecht ingevoerd of het al bestaande censuskiesrecht uitgebreid. Pas aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd in de meeste Europese landen algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen ingevoerd. Vrouwen hebben veel actie moeten voeren om kiesrecht te krijgen, in een deel van de landen was de grote bijdrage van vrouwen aan de Eerste Wereldoorlog genoeg om ze kiesrecht te geven, in Nederland was het vooral de schoolstrijd.

 

Personen

Er zijn geen specifieke personen die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces. Vooral de hele bevolking heeft hiertoe bijgedragen, omdat zij degene waren die actie voerden voor hun kiesrecht. 

 

Verbanden

Er is al wel eens eerder een democratie geweest, in de Griekse Oudheid was dit er. Alleen hadden vrouwen toen nog geen kiesrecht en ook nog lang niet alle mannen. Dus dat is wel een vooruitgang geweest. Wat nu ook was is dat er actie werd gevoerd voor het kiesrecht, dat was toen ook niet.


4. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving

Gebeurtenissen

  • 18e eeuw: op de helft van deze eeuw werd in Groot-Brittannië de industrialisatie al op gang gebracht. Later in deze eeuw ontstonden ook nieuwe industrieën en werden de oude verbeterd.
  • helft 18e eeuw: bestaande verkeerswegen werden uitgebreid en nieuwe aangelegd.
  • 1800: op het vasteland volgden als eerst België met de industrialisatie.
  • 1803: In Londen werd een paardentram ingesteld.
  • 1844: De eerste telegraaflijn werd aangelegd in de VS.
  • 1845 – 1848: de aardappelziekte had in heel wat delen van West-Europa catastrofale gevolgen.
  • 1865: Er kwam een telegraaflijn tussen de VS en Europa.
  • 1883: De eerste elektriciteitscentrale in Nederland werd geopend in Rotterdam.
  • 1900: Films werden voor het eerst aan groot publiek vertoond, toen nog zonder geluid. 
  • 19e eeuw: later in deze eeuw werden ook de andere West-Europese landen geïndustrialiseerd. Stoom was toen de belangrijkste bron van energie.
  • Eind 19e eeuw: de toepassing van elektriciteit als energie breidde zich uit: verlichting in huis en op straat, elektromotoren in fabrieken, treinen, trams en huishoudelijke apparaten, telecommunicatie via telegraaf, telefoon en radio.
  • 1903: De Amerikaanse broers Wright slaagden er als eersten in met een vliegtuig van de grond te blijven.
  • 1909: De Fransman Blériot vloog over het Kanaal van Frankrijk naar Engeland.
  • 1913: autofabrikant Ford was de eerste die de lopende band toepaste. 
  • 20e eeuw: de televisie werd uitgevonden. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de tv als massaproduct vervaardigd.
  • 1980: De pc (personal computer) deed zijn intrede en op chips kon men veel gegevens opslaan.

 

Ontwikkelingen

Begin van de industrialisatie

In Groot-Brittannië ontstond het eerst een industriële samenleving, op de helft van de 18e eeuw al. Later rond 1800 volgde België en daarna ook de andere West-Europese landen en de VS naar het Engelse voorbeeld. In de 20e eeuw kwam de industrialisatie in de rest van de wereld op gang, maar nog steeds is de landbouw in veel landen het belangrijkste middel van bestaan. Laat in de 18e eeuw werden de oude industrieën verbeterd dankzij nieuwe uitvindingen, zoals stoommachines die veel arbeid overnamen. Er kwam ook steeds meer massaproductie, maar daar zaten ook nadelen aan. De natuur werd door de vele productie gebruikt als bijvoorbeeld brandstof voor de machines en steenkool en ijzer werden ook uit de natuur gehaald. 

De techniek ging op steeds meer gebieden een steeds grotere rol spelen

  • Communicatie: mensen kunnen veel sneller contact met elkaar krijgen.
  • Computer en internet: integreren bestaande mogelijkheden tot communicatie en breiden deze uit.
  • Nieuwe vervoermiddelen: spoorwegen, stoomboten, auto’s, vliegtuigen.

 

Andere vorm van kapitalisme

Wat ook veranderde was de vorm van het kapitalisme. Het kapitalisme tot in de 18e eeuw was het handelskapitalisme, in de 19e eeuw werd het industrieel kapitalisme. 

 

Verandering in de gelaagdheid en het bezit van de mensen

Rond 1800 was de bevolking in West-Europa in drie lagen verdeeld: de kleine zeer rijke bovenlaag (ook wel gegoede burgerij of bourgeoisie), kleine middenlaag met enig bezit en de grote arme benedenlaag. Door het ontstaan van het industriële kapitalisme traden er in deze gelaagdheid veranderingen op:

  • Er kwam een nieuwe groep van zeer rijke kapitalisten: fabrikanten, rijke bankiers en groothandelaars
  • Fabrieksarbeiders werden de grootste bevolkingsgroep
  • De middenlaag van de bevolking breidde zich sterk uit
  • Het personeel in de dienstensector breidde zich sterk uit

 

Snelle groei van de bevolking en van de steden

Sinds de 2e helft van de 18e eeuw nam de Europese bevolking snel toe door verbetering in de landbouw, maar wat ook belangrijk was is de vooruitgang in de geneeskunde. Er konden nu veel ziektes worden genezen zodat mensen langer konden leven en de verbetering van de hygiëne is ook belangrijk geweest voor het voorkomen van ziektes. Door de grote bevolking moest er meer worden geproduceerd en waren er dus meer arbeiders voor nodig. Omdat er genoeg mensen waren om te werken bleven de lonen laag. Dit droeg bij aan de groei van de industrialisatie. Omdat de arbeiders dicht bij de fabrieken gingen wonen ontstonden steden en groeiden kleine steden uit. Het leven was echter wel slecht in de steden.

 

Personen

  • James Watt: Schotse instrumentenmaker, verbeterde de bestaande stoommachine, waarnaar de machine voor verschillende doeleinden kon worden gebruikt.
  • Siemens: De Duitser die in 1866 de dynamo uitvond, waardoor men grote hoeveelheden stroom kon opwekken.
  • Edison: Amerikaan die in 1879 de gloeilamp uitvond, een belangrijke toepassing van de elektriciteit.
  • Anton Philips: De man die in 1891 in Nederland begon met de massaproductie van gloeilampen.
  • Edwin L. Drake: Amerikaan ontdekte in 1859 dat aardolie in grote hoeveelheden uit ondergrondse bronnen kon worden gehaald door gebruik te maken van boorinstallaties. 
  • Samuel Morse: Amerikaan vond in 1837 de telegraaf uit, waarmee kon worden gecommuniceerd.
  • Alexander Graham Bell: Amerikaan die het in 1876 lukte het gesproken woord via kabels over een grote afstand te verplaatsen, de telefoon.
  • Charles Cros: Fransman die het als eerste lukte geluid vast te leggen op een plaat in 1877.
  • Guglielmo Marconi: Italiaan, was de eerste belangrijkste van enkele uitvinders die de draadloze telegrafie ontwierpen, 1896.
  • Jenner: Engelse geneesheer die in 1796 de inenting tegen pokken ontdekte.
  • Louis Pasteur: Fransman die in 1864 ontdekte dat bacteriën ziekten veroorzaakten en hij kwam met oplossingen om dat te voorkomen.
  • George Stephenson: Engelse ingenieur. Zijn locomotieven hebben geleid tot de opkomst van de spoorwegen.
  • Robert Fulton: door hem werd de eerste stoombootdienst in 1807 opgezet op de rivier de Hudson.

 

Verbanden

De industriële samenleving was een geheel nieuw en er werden allerlei nieuwe uitvindingen gedaan. Deze samenleving had echter wel een grote, niet altijd even goede, gevolgen voor de bevolking. Er wordt niet voor niets van een Industriële Revolutie gesproken, het heeft namelijk erg veel impact gehad op de samenleving. Zo’n grote impact is nog niet eerder voorgekomen in de geschiedenis.


5. Discussies over de ‘sociale kwestie'

Gebeurtenissen

  • Eind 19e eeuw: er ontstonden confessionele (protestantse en katholieke) partijen, die inzagen dat de kerkelijke liefdadigheid niet voldoende was om een eind te maken aan de grote armoede.
  • 1900: pas vanaf dit jaar kwamen er maatregelen voor verbetering van de gezondheidszorg, onderwijs voor de jeugd, ziektegeld, betaalde vakantie en uitkeringen in geval van werkloosheid.

 

Ontwikkelingen

Door de armoede onder een groot deel van de bevolking ontstonden discussie over de sociale kwestie. Er was verschil van mening hoe er een einde moest worden gemaakt aan de armoede en of de verbetering een taak van de overheid was en in welke mate dan. De liberalen bijvoorbeeld waren er van overtuigd dat de overheid zo weinig mogelijk moest ingrijpen. Vanaf 1900 kwamen er maatregelen voor allerlei zaken, maar vaak werden deze niet nageleefd. Om zelf voor de belangen van de arbeiders op te komen richtten sommige arbeiders vakverenigingen op. Eerst werden de vakverenigingen afgeschaft, maar op den duur onderhandelden de werkgevers met de arbeiders. Politieke partijen werden opgericht omdat sommigen de vakverenigingen niet voldoende vonden.

 

Personen

Er zijn geen bepaalde personen die in het bijzonder aan deze ontwikkeling hebben bijgedragen. Het was de hele samenleving die ervoor heeft gezorgd.

 

Verbanden

Door de slechte omstandigheden wegens de industrialisatie ontstond de sociale kwestie. Zo’n soort vraag was hiervoor nog niet geweest, omdat het ook niet nodig was. Men zal zich vast wel een keer hebben afgevraagd in de tijd ervoor hoe men de samenleving kan verbeteren, maar het was nog zeker niet een sociale kwestie.


6. De opkomst van emancipatiebewegingen

Gebeurtenissen

  • 1889: de Vrije Vrouwenvereniging werd opgericht door Wilhelmina Drucker.
  • 1894: de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht werd opgericht door Aletta Jacobs.

 

Ontwikkelingen

Vrouwen hadden geen gelijke rechten als mannen, ze hadden bijvoorbeeld geen kiesrecht en hadden lagere lonen. Hierdoor ontstond het feminisme, omdat vrouwen wel dezelfde rechten wouden hebben. Er ontstonden bijvoorbeeld verenigingen om te pleiten voor de rechten van de vrouw. Hoewel ze in het begin niet veel steun kregen van de mannen, veranderde dit in de loop van de 20e eeuw toch. De socialisten streefden naar emancipatie van de arbeiders, het ging hun vooral om algemeen kiesrecht, hoger lonen, betere levens- en arbeidsomstandigheden. De confessionelen voelden zich op bestuurlijk en maatschappelijk gebied achtergesteld door de liberalen die de meeste belangrijke functies in handen hadden. Ze probeerden hun doel te bereiken door het oprichten van politieke partijen, vakverenigingen, kranten en tijdschriften.

 

Personen

  • Aletta Jacobs: een van de bekendste strijdsters voor de rechten van de vrouw, richtte in 1894 de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht op.
  • Wilhelmina Drucker: een van de bekendste strijdsters voor de rechten van de vrouw, richtte in 1889 de Vrije Vrouwenvereniging op.
  • Van Houten: diende in 1873 een wet in om kinderarbeid te stoppen.

 

Verbanden

Door de slechte omstandigheden wegens de industrialisatie ontstonden emancipatiebewegingen. Vrouwen wilden nu ook kiesrecht hebben, omdat ze niet goed werden behandeld en ook moest de slavernij worden afgeschaft volgens veel mensen. Emancipatiebewegingen bestonden in de tijd hiervoor nog niet, omdat het ook niet nodig was. 


7. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie

Gebeurtenissen

  • 19e eeuw: de moderne geïndustrialiseerde wereld kwam op.
  • 1869: na de opening van het Suezkanaal werd het voor de Europese mogendheden gemakkelijker contacten met het koloniaal bezit in Azië te onderhouden.
  • 1870 – 1914: modern imperialisme.

 

Ontwikkelingen

Europa had veel koloniën in andere werelddelen. Ze gingen het bezit van koloniën beschouwen als een kenmerk van macht. De grondstoffen die in Europa nodig waren voor de industrie kon men goedkoop uit de koloniën halen, en de goederen die ervan werden geproduceerd werden in het buitenland verkocht omdat daar een grotere afzetmarkt was. De Europeanen hadden als motief de ‘beschavingsopdracht’, ze vonden dat er bijvoorbeeld onderwijs, medische zorg en een beter bestuur moest komen in de niet-westerse landen.

 

Personen

Er zijn geen bepaalde personen die in het bijzonder aan deze ontwikkeling hebben bijgedragen. Het was de hele samenleving die ervoor heeft gezorgd.

 

Verbanden

Europa had nog nooit eerder koloniën gesticht in een ander werelddeel, dus dat is nieuw voor deze tijd. In de koloniën was veel slavernij en er vond slavenhandel plaats, dit komt overeen met het oude Egypte. Daar was ook slavernij.

 

Vond je dit een goed artikel? Neem dan eens een kijkje bij de andere tijdvakken:

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.