H3: De tijd van Monniken en Ridders (500 – 1000)

Door Karin951 gepubliceerd op Tuesday 28 April 03:28

De middeleeuwen is de periode tussen 500 en 1500 en werd ook wel gezien als een tussenperiode tussen de Oudheid en de Vroegmoderne tijd. In de vroege middeleeuwen vond de tijd van monniken en ridders plaats.

 

Het ontstaan en verspreiding van de islam

Mohammed woonde in Mekka toen hij in 610 op de berg Hira een visioen kreeg. Volgens de Koran omklemde een engel hem en beval hem (Allah) Gods woord door te geven. Mohammed weigerde drie keer, maar merkte de vierde keer dat Gods woorden vanzelf uit zijn mond kwamen. Hij wilde vervolgens zelfmoord plegen op de berg van Hira, maar de aartsengel Gabriël hield hem gelukkig tegen. Vanaf dat moment tot in 632 kreeg Mohammed visioenen waarin hij God meende te horen. Deze visioenen werden na zijn dood allemaal opgeschreven door zijn volgelingen in de Koran, waarmee de islam ontstond.

De islam heeft ook een paar overeenkomsten met het jodendom en christendom. Ze zijn namelijk allemaal een monotheïstische godsdienst, kennen een heilige boek en geloofden in een leven na de dood, waarbij de goede mensen en slechte gescheiden zijn. Gelovigen moeten naast het geloven in God, ook leven in overeenstemming met zijn wil.

In minder dan 100 jaar zijn Noord-Afrika, het Midden-Oosten en grote delen van Azië veroverd door de islamitische Arabieren. De snelheid van deze veroveringen hebben meerdere oorzaken:

  • Oorlogen tussen het Byzantijnse rijk en het Perzische rijk zorgen ervoor dat ze weinig kracht overhouden om zich te verzetten tegen de Arabieren.
  • De religieuze verplichting die islamieten hebben om zich in te spannen om het geloof uit te breiden, oftewel de Jihad.
  • De Arabische paarden zorgden ervoor dat grote afstanden in een zeer korte tijd werden afgelegd.

De Arabieren namen de culturen van de onderworpen volkeren over, waardoor hun overwinningen niet snel verloren gingen.

 

De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarische-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

De steden, handelaren en ambachtslieden waren in de jaren 500 tot 1000 vrijwel allemaal verdwenen na de val van de Romeinse rijk. De meeste mensen van de bevolking moesten weer in de landbouw werken, doordat de opbrengsten in de landbouw zo laag waren. De boeren waren vrijwel allemaal autarkisch (zelfvoorzienend). De productie was gericht om te overleven. Zo nu en dan was er wel eens sprake van ruilhandel, want geld was er nauwelijks. De boeren hadden het door dit alles niet bepaald goed, want honger en gebrek lagen altijd op de loer.

In deze periode ontstond ook het hofstelsel, dit was een economisch systeem. Het hofstelsel was een landbouwstelsel waarbij de heer van het domein en zijn horige boeren, vrije boeren en lijfeigenen allemaal rechten en plichten hadden. Dit kwam op de gang doordat deze periode erg onveilig was door de rondtrekkende bendes en vikingen. Daarnaast bood de overheid geen bescherming meer, dus de boeren stonden er alleen voor. Zij moesten wel op het land van een grootgrondbezitter gaan werken in ruil voor bescherming. Door de samenwerking van de boeren blijft een domein een relatief veilig gebied in een onrustige omgeving. De domeinen zijn erg zelfvoorzienend en hebben daarom ook heel weining contact met de buitenwereld.

 

Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur

Na de val van het West-Romeinse rijk kwam de macht in Europa in handen van de Germaanse koningen, zoals de Frankische koning Clovis. Er waren echter een aantal problemen in deze periode voor de Germaanse koningen. Zo konden alleen de geestelijken nog lezen en schrijven. De verdwijning van de handel zorgde er ook nog eens voor dat het geld verdween, waardoor de koningen geen belasting konden heffen. Verder waren de wegen slecht onderhouden en waren de communicatiemiddelen gebrekkig. Dit waren de oorzaken voor de zoektochten van de vorsten naar effectieve manieren om hun rijk als geheel te besturen. Hierdoor kwam in de vroege middeleeuwen het feodalisme op gang. Dit was een nieuw bestuursstelsel waarbij een leenheer stukken grond in leen gaf aan zijn leenmannen, die van adelijke afkomst waren, om zo hun machtsposities te verstevigen. De leenmannen regeerden dan het gebied namens de leenheer. De leenheer kreeg hiervoor trouw, militaire bijstand en belastinginkomen voor terug.

Toch is het leenstelsel niet het sterkste bestuursstelsel, want het kent ook een aantal zwakke punten.

  • De leenmannen gingen hun grond zien als erfgebied na de dood van hun leenheer. De leenmannen wilden de macht graag binnen hun familie houden. De koning wist niet precies wat hij hiermee aan moest. Als hij dit toeliet verloor hij de controle over de leen, maar als hij het niet toeliet, dan kwam hij weer in conflict met de leenmannen waardoor hij geen militaire steun meer kreeg.
  • De verhouding tussen de leenheer en de leenmannen werd ook steeds minder persoonlijk, doordat de leenmannen puur letten op hun eigen belang, oftewel het uitbreiden van hun eigen gebied.
  • Leenmannen van de leenheer benoemden zelf ook leenmannen, omdat zij vonden dat hun rijken ook te groot waren om er alleen over te heersen.

 

De verspreiding van het christendom in geheel Europa

Keizer Theodosius I maakte in 394 het christelijk geloof staatsgodsdienst. Het christendom werd in het begin teruggedrongen door de Germaanse volksverhuizingen, maar na het jaar 500 verspreidde het christendom zich wel over Europa.

Oorzaken verspreiding van het christendom:

  • Samenwerking tussen paus en Karolingische vorsten - De paus zond missionaren, rondtrekkende geestelijken, uit met het doel om heidenen tot het christendom te laten bekeren (kerstenen). Heidenen waren volkeren die niet christelijk waren. De paus wilde hiermee zijn macht uitbreiden, want meer christenen betekent meer invloed. Ook de koningen zelf trokken erop uit om heidenen te laten bekeren. Beide partijen gebruikten het geloof als een middel om eenheid te creëren. Een gemeenschappelijk geloof zorgt immers voor meer saamhorigeheid en minder onderlinge conflicten.
  • Snel groeiende rijkdom van de kerk
  • Goede organisatie van de kerk  

Problemen tijdens de verspreiding van het christendom:

  • Christendom drong pas na het jaar 1000 door tot het gewone volk.
  • Verspreiding werd bedreigd door de moslims, vikingen en Hongaren

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.