God is geen aannemer des persoons

Door Jan Cornelis gepubliceerd op Saturday 28 March 18:01

     Hoewel Jezus onderwezen had dat zijn discipelen hun vijanden moesten liefhebben, zal er in het hart van vele discipelen ongetwijfeld een diep wantrouwen zijn overgebleven tegenover allen die niet-Joods waren. Jezus, had namelijk in zijn optreden de exclusiviteit van de Joden ter discussie gesteld. Hij hield zijn volksgenoten het voorbeeld van de Samaritanen voor. Denk maar aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

      

Hij wees ook op vele heidenen die in tegenstelling tot de Joden naar Hem toekwamen waardoor duidelijk werd dat Jezus open stond voor andere culturen. Toch bleef de trouw aan de vereisten van de wet van Mozes, zelfs na de bekering, nog met evenveel kracht voortbestaan. Zelfs Petrus was ontzet toen hem in het opmerkelijke visioen bevolen werd van dieren te eten die volgens de Thora onrein waren waardoor Petrus overtuigd wordt dat het evangelie ook aan de heidenen gepredikt moet worden.

                                    

Petrus krijgt de opdracht deze dieren te slachten en te eten, maar hij weigert dat. Daarop zegt een stem uit de hemel: Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen. (Zie Handelingen 10-11.)

     Maar terwijl de gebeurtenissen in Joppe en Caesarea de richting van het zendingswerk van de kerk drastisch veranderden werden daarmee niet automatisch de problemen van de Joodse exclusiviteit weggenomen. Ook houd het niet in dat het de heiligen in die eerste dagen aan toewijding aan de Meester ontbrak. Opvattingen en vooroordelen die door generaties lange indoctrinatie ingeburgerd waren, verdwijnen niet in een dag. Toen Petrus naar Jeruzalem terugkeerde, wachtte een

                                       

aantal Joodse leden hem op die kritisch gestemd waren en hem ter verantwoording riepen over zijn omgang met de onreine heidenen. Zijn verhaal over de gebeurtenissen die hem naar Caesarea hadden gebracht en over hetgeen daar gebeurde toen hij daar eenmaal aangekomen was, legde de critici het zwijgen op. Ook zij moesten toegeven dat het bewijs onweerlegbaar was dat: aan de niet-Joden de bekering ten leve geschonken moest worden waardoor het wordt toegestaan de niet-Joden te bekeren en te dopen en lid te laten worden van de christelijke kerk. (Handelingen 11:18.)

     Maar zelfs met een dergelijke directe openbaring was het probleem niet helemaal de wereld uit. De Joodse leden van de kerk kwamen nog wel over deze horde heen want de niet-Joden moesten het nieuwe verbond van het evangelie ook kunnen ontvangen maar dat hield nog niet in – zo dachten velen – dat de wet van Mozes vervuld was.

           

Het duurde niet lang of de leden eisten dat de niet-Joodse bekeerlingen besneden moesten worden en de raadsvergadering te Jeruzalem werd gehouden om met dit probleem af te rekenen. (Handelingen 15.) En gedurende de komende verschillende decennia zou de kerk worden geplaagd door de aanvallen van de Judaïsten. (Joodse christenen.)

                                 

     Het gevoel van Joodse exclusiviteit en hun hardnekkige trouw aan de wetten uit het verleden verdwenen, door de gebeurtenissen te Caesarea, niet automatisch. Men zou de komende jaren nog verwijzingen en aanpassingen blijven aanbrengen maar de gebeurtenissen in Caesarea waren wel het keerpunt. De verschijning van een engel aan een Romeinse militair en wel in het hart van Palestina zou het christendom voor altijd grondig veranderen en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen. 

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Goed geschreven.