Dubbele genadeslag

Door Weltevree gepubliceerd op Thursday 19 March 10:32

Vrienden

Dat Patries erg geschrokken is verbergt ze niet  en ze snappen er ook weinig van.
“Harry en ik hebben nooit iets aan haar gemerkt. Ze zag er maandag heel goed uit. Dat vonden we nog zo opvallend. Het leek, terwijl we wel beter wisten, of ze genezen was, maar ze zal wel veel pijnstillers hebben geslikt, of zo.  We zullen onmiddellijk vertrekken,” belooft ze. Gelukkig krijg ik mijn schoonzus aan de lijn, vertel wat er aan de hand is en ze zegt stuurs dat ik dus de dokter moet consulteren. Alsof dit al niet zou zijn gebeurd ? Tante is blij dat ma's vrienden in aantocht zijn en rond vier uur verwacht ik hen terug. Na een briefje voor mijn dochter op de tafel te hebben gelegd vertrek ik in mijn donkerblauwe, ook bijna gestorven, autootje naar ma’s woning.

9f47d7a244906f84ce728ef73754f546_medium.

Ondanks dat de zon schijnt is het een ongemakkelijke gewaarwording het lege ouderlijk huis binnen te stappen. Ik koester me een tijd in de warmte achter het glas. Aan de lelijke robuuste eiken tafel neem ik op mijn manier afscheid van het burgelijke rijtjeshuis waar we op mijn dertiende naar verhuisden. Na twee weken zag ik daar de zin al niet meer van in, kreeg heimwee naar het oude bekende benedenhuis bij het grote stadspark met zijn wilde, spannende heuvels waarachter nieuwe werelden te ontdekken waren. Steeds iets verder van huis. Alle geheime paadjes kende ik daar op mijn duimpje. Zolang ik me kan herinneren zwierf ik daar ongestoord rond, wist alle paddenstoelen en springende zaden te staan. Ons Mondriaanhuis, na dertig jaar mis ik het af en toe nog.

Het was één van de dubbele Brusselse woningen van een lange rij in een straat die sterk omhoog liep. In de winter stoven de kinderen er met de slee vanaf. Rond 1875 gebouwd had het een voornaam portiek met zeven leistenen treden. Bovenaan zat het smeedijzeren sierhekje voor het raam in de groen geschilderde voordeur. Een trekbel waar later, tijdens een verbouwing, een barst in was gevallen. De koperen brievenbus, waarop 'brieven' stond, werd regelmatig gepoetst. Daarachter zie ik nog steeds de lange gang met granitovloer en de zeven deuren die allemaal een andere kleur hadden gekregen. Het was moeders geboortehuis. Ik heb nooit begrepen waarom zij daar zo graag heeft weggewild. Omdat ze koos voor vooruitgang? Voor het gemak van schoon en nieuw of weg van nare herinneringen? Op naar de nieuwe rijke tijd?
Hoe symbolisch. Hier in de zielloze, inmiddels gedateerde, doorzonkamer viel ons gezin definitief uit elkaar terwijl ik me daarna door de puberteit worstelde die volgens ma helemaal niet bestond en steevast door haar werd ontkend.

Om te bekomen van de schrik heb ik nog een uurtje tijd en wil goed realiseren dat we nu onherroepelijk in de onomkeerbare laatste fase zijn beland. Tantes vreselijke verwijten zijn de moeite niet waard en vergeleken bij wat ons nu te wachten staat, verflauwen die woeste woorden tot niets méér dan vals gestemde klanken. Was Broer er nou maar even, dan konden we dit als broer en zus tenminste samen beleven. Straks zijn we wezen, gaan de volgende fase in. Een eind van al het oude en voor ons eindelijk een nieuw begin.

Het schrift

Op het dressoir staat de rouwkaart al maanden tegen een tinnen vaasje. Ma showde hem trots aan het bezoek. Ik heb er twintig ontworpen, maar deze bleef ze de beste vinden. Plotseling ontdek ik een puntje van het schrijfblok dat met een ezelsoor onder de Oud Hollandse loper op het dressoir uitsteekt. Ze verstopte het nooit. Waarom nu wel?  
Ik leg het beduimelde blok op de tafel, waarna ik thee ga zetten. Ik wil het niet lezen, enkel scanen op veranderingen in de stijl. Uitstellen. Dat doe ik nog steeds als iets te eng is.
Het voelt alsof ik haar privacy schend als ik bij de verse thee uiteindelijk het schrijfblok open sla. Het nette, duidelijk leesbare, handschrift is op de eerste bladzijden nog even regelmatig en zeker zoals ik van haar gewend ben. Dan zijn er bladzijden uitgescheurd en een tiental pagina’s later wordt het een aan elkaar geregen relaas waar alle interpunctie in ontbreekt. Het is met veel moeite nog te volgen dat ze zich woedend maakt over de gezondheidszorg, de politiek en de oneerlijkheid van het systeem, maar nu wordt duidelijk waarom ze me de laatste tijd niets meer liet lezen. Had dat mij op moeten vallen? Had ik er vaker naar moeten vragen? Ik heb zo vaak geïnformeerd of het nog steeds goed ging.

Gelukkig is de inhoud niet persoonlijk, maar ik weet hierdoor wel voldoende.
Aangezien de dokter heeft aangeraden ma zo snel mogelijk in het ziekenhuis af te leveren zoek ik boven een koffertje op. Daar kan straks haar lievelingsnachtgoed in, ondergoed en uiteraard de rest van wat ze graag bij zich heeft. Ik bel naar huis, leg mijn dochter uit dat er voorlopig geen leerlingen zullen komen, dat het met oma na vandaag snel berg afwaarts zal  gaan. Ze neemt het vrij laconiek op en zegt dat ik over haar niet in moet zitten. Ze zal zelf wel iets te eten maken.

82f5356078a2746b461c2f964826ac51_medium.

Familie

Broer is altijd om vijf uur thuis en ik bel hem vanuit het ziekenhuis waar we voorzichtig laverend met de taxi aan zijn gekomen. De chauffeur hield er voorbeeldig rekening mee dat ma bij iedere abrupte beweging of bocht kreunde, bijna moest overgeven. Bij de eerste hulp weten ze van aanpakken en ma krijgt een zetpil die meteen werkt. Ze knapt er zienderogen van op en met spoed wordt de scan geregeld. Broer zal zo snel mogelijk komen, zei hij, maar we crossen al drie uur met het Eerste Hulp bed door de lange gangen als hij nog niet is verschenen. Het flitst door me heen als ik de klok in de gang zie op het moment dat ma op een afdeling wordt geïnstalleerd waar ze voorlopig zal blijven. 
Wacht hij op het bezoekuur? Moest hij eerst gegeten hebben? 
Ook als de dokter me apart neemt om de foto’s te bespreken is broer in geen velden of wegen te zien en heel mijn bange hart roept dat ik dit niet alleen wil moeten doen.
“Kunnen we nog even wachten tot mijn broer er is?” vraag ik tegen beter weten in want natuurlijk kan een altijd drukke ziekenhuisarts geen tijd inruimen voor familieleden die om onduidelijke redenen op zich laten wachten.
“Ziet u? Die zeven witte vlekken zorgen voor te veel druk in het hoofd vanwege het vocht rond de tumoren. Dat kunnen we met zetpillen aardig onder de knie krijgen, maar natuurlijk niet eeuwig.” Het bevreemdt mij niet dat hij met een triest gezicht voorzichtig meedeelt dat dit ook nog eens een zéér agressieve soort kanker is.
“Momentje dokter, ik hoor mijn broer, geloof ik, ” val ik hem opgelucht in de reden en zie hoe hij om kwart over acht over de gang aan komt stampen. Opgelucht hol ik hem tegemoet en hunkerend naar zijn steun val ik hem, ineens doodmoe, in de armen. Hij houdt me vast. Ik zucht. Eindelijk. Broer en zus, samen sterk, denk ik bijna jankend. Tot hij me wegduwt. Ik schrik van zijn stuurse gezicht en het valt me nogmaals op hoeveel hij op ma lijkt, terwijl hij zwijgend over me heen kijkt.

“Broer, het is zo ver. Ik heb de foto’s gezien. Vreselijk. Nu is er geen weg meer terug, dit is het begin van het einde. Kom mee naar de dokter. Hij zal je informeren en dan kun je de foto’s ook bekijken.”
“Ben jij mal? Wat heb ik daarmee te maken?” Zijn afgeknepen stem zet de haren op mijn armen overeind en ik schaam me bloedrood blozend voor deze koelbloedige broer, omdat de dokter er getuige van is. De witjas trekt, staande in de deuropening, dan ook nogal demonstratief zijn wenkbrauwen op.
“Dan zie je het met eigen ogen, begrijp je wat ma kennelijk voor ons verzwegen heeft,” dring ik aan, maar hij is niet te vermurwen en wuift me weg.
“Ik hoef dat allemaal helemaal niet te zien. Het is zoals het is. Zeg me liever waar ze ligt.” Hoewel ik heb geprobeerd om me op zijn kilheid voor te bereiden komt het toch aan als een steenkoude douche. Zou hij echt niet inzien dat hij met deze houding niet alleen ma, maar ook mij in de kou laat staan?

Eind goed, al goed

Om negen uur lopen we zwijgend naar de parkeerplaats van het grote nieuwe ziekenhuis.
“Wil jij me even wegbrengen? Ik ben met de taxi gekomen,” vraag ik en verwacht dat hij weigeren zal omdat hij, zoals zo vaak,  te druk is met belangrijkere zaken.
“Ja, waar moet je naar toe?”
“Oh, eh, zet me maar bij EmjE af.” In de auto weigert hij zijn Toyota te starten en ik wacht in de onheilspellende stilte af. Ik ben zo vreselijk moe. 
“Zeg, hoor eens. Syl. Ik zal er niet omheen draaien. Ga het je maar meteen ronduit zeggen ook. Ahum, eh, op ons hoef je niet te rekenen.” Ik kijk hem lang, onafgebroken, aan en probeer het bijtende verdriet verborgen te houden. Er flitsen allerlei gedachten voorbij, maar ik knik alleen, want ik heb geen zin hem op zijn verantwoording aan te spreken en had ik dit, na ma's verjaardag, driekwart jaar geleden, niet al stiekem gedacht?
“Dan had ze het dertig jaar geleden maar anders moeten doen. Ze is nooit een goede moeder geweest en ook een oma van niks. Altijd had ze kritiek en wij konden niets goed doen. Je hoeft het Thekla ook niet te vragen. Ze is het ermee eens en zij kan ook helemaal niet tegen zieke mensen.” 

Logeren bij tante Maya gemist?

Klik hier 

Vervolg: Een heel leger hulp 

Reacties (13) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ben er stil van.
daar krijg ik het echt koud van!!
het is ongehoord ... zo'n woorden!!
Ik werd er zeker niet gelukkig van , nee
Er bekruipt me een raar gevoel tijdens het lezen: je moeder en broer leken altijd op elkaar qua karakter....echter, als het er op aankomt is hij in geen velden te bespeuren en neem jij alle zorg op je. Jij, die toch ook niet de beste herinneringen had.
Klopt, maar ja, ik had inmiddels wel veel meer van haar begrepen, vergeven ook. Dat schept altijd veel ruimte voor houden van
hier krijg ik het even heel erg koud van.
Ja, ik ook.
Hoe triest en onbegrijpelijk de gebeurtenissen ook zijn, toch kan ik het niet laten om op te merken dat dit zoals altijd wel heel lekker geschreven is.
Dank je wel. Ik denk zelf ook dat de vorm die ik er nu voor gevonden heb beter is dan de eerdere pogingen
Hoe kan iemand zo kil zijn vraag ik me af. Ik krijg het er gewoon koud van. Ze was misschien geen goede moeder, maar hij straft niet alleen haar hiermee, maar jou nog veel meer. Onbegrijpelijk
Ja zo voelde het ook.
Toch had ik het ergens al verwacht, (na die laatste verjaardag) maar je kunt je op zoiets toch niet voorbereiden, denk ik.
Je weet dat ik me er geen voorstelling van kan maken. Maar nee ik denk dat het toch nog steeds als een donderslag bij heldere hemel komt.
Het is een compleet andere wereld waarin mijn broer leeft, lijkt wel. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zoveel wrok kan opsparen om toe te slaan als de ander zich niet meer verweren kan