Het Hindoeïsme

Door Xmarjorieee_x gepubliceerd op Wednesday 11 March 19:22

Godsdienst Hindoeïsme

1.1 De biologische klok van een mens is gelijk aan zijn bioritme. Dus zijn individuele slaap- en waakritme. Een jetlag is als je bioritme uit balans is.

Water is heel erg belangrijk voor de mens. In de oudheid was het zoete (drink)water van rivieren en meren van levensbelang. Maar tegelijk hadden rivieren ook iets magisch. De rivier kan namelijk ook veel schade aanrichten, daarom zijn er mensen die offers brachten om de riviergoden gunstig te stemmen.

De oudste van de nu bestaande wereldreligies is ook aan de oevers van de rivier de Indus begonnen. Deze bewoners geloofden in ‘het ritme van het leven’ die door goddelijke krachten in stand werd gehouden. De natuurgoden bepaalden niet alleen het weer, maar ook alle vaste ritmes en kringlopen in de natuur. Alles kende een eeuwigdurende regelmaat.

Het hindoeïsme is niet begonnen doordat iemand als profeet of prediker een nieuwe leer verkondigde, maar het is als het ware uit de natuur zelf voortgekomen.

Rond 1500 v.chr. werd de toenmalige cultuur langs de oevers van de Indus hevig verstoord. De Ariërs, een oorlogzuchtig volk uit het gebied van het latere Perzïe, viel Noord-India binnen. Waar slecht bewapende en een vredelievende bevolking woonde. Na deze verovering hebben zij hun onder de voet gelopen en zich gemend met de oorspronkelijke bevolking. De Arïers hebben grote invloed op de cultuur gehad. Zij droegen namelijk hun taal en godsdienst over aan de oorspronkelijke bewoners. De oudste godsdienstige geschriften de Veda’s zijn van Arische oorsprong en is geschreven in hun taal het Sanskriet. De swatstika (hakenkruis) is een eeuwenoud teken voor de eeuwige kringloop van de wedergeboorten. Het hindoeïsme is een religie die is ontstaan uit het samensmelten van twee bevolkingsgroepen en de naam is afgeleid van de rivier de Indus.

1.2 De verschilende standen in de Indiase samenleving worden kasten genoemd. Er bestaan 4 kasten en nog 1 onderkaste. Er zijn in totaal ongeveer 2000 (sub)kasten. Die door de hindoes djati(geboorte) wordt genoemd. Alleen door geboorte kun je tot een bepaalde kaste behoren. Je kan de kaste waarin je geboren bent niet verlaten en je zult dus sterven in dezelfde kaste. Om de eigen aard van de kaste te beschermen, zijn er voor de kasteleden veel rgels en plcihten op het gebied van religieuze reinheid en in het sociale verkeer. Je kan alleen met iemand uit dezelfde kaste trouwen. Ze gaan bijna niet om met leden van een andere kaste. Ook eten ze bij voorkeur alleen met mensen uit dezelfde kaste en ze oefenen onder elkaar hetzelfde beroep uit.

De oorspronkelijke benaming van de kaste was warna(kleur) en iedere kaste had een eigen kleuren. Wat volgens de historici teruggaat op de huidskleur.

1e kaste: De Brahmanen(wit) is de hoogste kaste in de staat India. Het wordt gevorm door de priesters. Zij houden zich zeer strikt aan vele reinheidsvoorschriften. Zij zorgen voor de offers in de tempel, leggen de heilige boeken uit en voltrekken de godsdienstige rituelen. Vele zijn tegenwoordig ook werkzaam als hoge ambtenaar, hoogleraar, minister of als kok.

2e kaste: De Ksatria’s(rood) is de 1 na hoogste kaste en bestaat traditioneel uit krijgers. Zij oefenen beroepen die met het gezag of het bestuur van het land of een stad te maken hebben. Velen zijn militair, minister of hoog ambtenaar. Ook de Indiase adel valt onder deze kaste

3e kaste: De Vaisja’s(bruin) is de 1 na laagste kaste en bestaat uit landeigenaren, middenstanders, boeren en arbeiders. In oude teksten word gesproken over hun nederige afkomst, maar juist in deze kaste zijn velen nu welvaren. Tegenwoorden zijn zelfs brahmanen, ksatria’s in dienst bij hen.

4e kaste: De Sjoedra’s is de laagste officiele kaste en bestaat van oorsporg uit dienaren en slaven. Tegenwoordig zijn het vaak arbeiders in dienst van mensen uit andere kaste. Tot 1950 waren vele uitgesloten tot het bijwonen van vele godsdienstige rituelen.

Kastelozen (5e kaste): de Paria’s of Dalits, zij vallen buiten alle kasten. Ze worden ook vaak de onaanraakbare genoemd en ze oefenen de meeste onreine beroepen aan. Zoasl wasman, slager, schoonmaker en lijkverbranden. Leden uit andere kasten meiden het contact zo veel met hen.

Buitenlanders vallen ook buiten het kastenstelsel. Daarom zullen sommige mensen uit hoge kasten het contact met hun vermeiden, vanwegen hun reinheid.

Het woord reinheid wordt niet bedoeld als een vorm van hygiëne, maar er wordt ‘rituele reiheid’ bedoeld. Degenen in hoge kasten zijn reiner, omdat zij dichter bij het goddelijke zijn. Die reinheid bepaald ook welke beroepen iemand mag/kan uitoefenen. Iemand uit een hogere kaste wordt zelf ‘onrein’ wanneer hij is aangeraakt door iemand uit een lage kaste, en is dan verplicht een ritueel reinigend bad te nemen.

1.3 Een van de belangrijkste kenmerken van het hindoeïsme is het geloof in reïncarnatie. Dat wil zeggen dat de ziel (atman) van een dier of mens na de dood het lichaam verlaat en na verloop van tijd opnieuw gebroen wordt in het lichaam van ee nader levend wezen.

De omstandigheden waarin een mens nu leeft, zijn de gevolgen van de daden uit een vorig leven. Een karman is de totale som van alles wat een mens gedaan heeft. De voortdurende kringloop van wedergeboorten, waarin de ziel als het ware opgesloten zit, wordt de samsara genoemd.

Het hoogste levensdoel van een hindoe is de moksja (de verlossing). Er wordt mee bedoeld het doorbreken van de kringloop van wedergeboorten. Als een mens nog gehecht is aan vergankelijke zaken als eer, rijkdom of status, of aan het leven zelf. Dan heeft hij de moksja nog niet bereikt.

De gedachte dat het leven een eeuwigdurende kringloop is, komt niet aleeen tot uitdrukking in het geloof in reïncarnatie, maar ook in de overtuiging dat de plichten van een mens met de orde van de natuur samenhangen. Dit hindoe hanteert hierbij het begrip Dharma(de wet). Als je de dharma niet opvolgt, dan zul je de moksja niet bereiken en weer opnieuw geboren worden. Alles in het leven kent een vaste regelmaat en dat is allemaal het gevolg van de dharma. De geoden en verboden voor het dagelijkse leven liggen voor een hindoe net zo vast als de natuurwetten. Naast het vervullen van plichten van de dharma is er voor de hindoe ook de weg van de meditatie om tot verlossing te komen.

In het Hindoeïsme leidt de weg van de meditatie tot de juiste kennis en het juiste inzicht tot verlossing uit de kringloop der geboorten. Voor de hindoe is al het aardse vergankelijk en dus niet echt. Onbelangrijk is het aardse niet, omdat het ons wel op het spoor zet van wat uiteindleijk belangrijk is. Het inzicht, door meditatie verkregen, dat de atman van ieder mens in wezen hetzelfde is als het goddelijke brahman, is een weg die naar de moksja leidt.

Meditatie is een meer intellectuele weg naar verlossing, maar er zijn ook twee andere, veel praktischere wegen. Belangeloos als je plichten vervullen en de verering van de goden.

1.4 De brahman is aanwezig in alles wat leeft en heel de natuur is van goddelijke aard. Dit is de reden dat van oudsher de hondoes aan natuurverschijnselen bovenaardse krachten toekennen. Gebergten zoals de Himalaya en de berg Khailasa worden gezien als woonplaatsen van goden. Ook rivieren worden als heilig beschouwd.

De goden zijn van oorsprong altijd verbonden geweest met de lelementen van de natuur, terwijl zij in latere tijd ook als beschermgoden voor bepaalde mensen of activiteiten werden gezien. Hoewel er binnen het hindoeïsme duizenden goden worden vereerd, zijn zij allen in de kern de verpersoonlijking van een bepaald aspect  van het ene goddelijke brahman.

Er bestaat een bepaalde rangorde tussen de goden. Bovenaan staan de drie ‘hoofdgoden’:

  • Brahma: is feitelijk de hoogste god, maar hij wordt nauwelijks door de mensen vereerd. Hij si de personificatie van het brahman, het goddelijke oerbeginsel van alles wat bestaat. Hij word dus ook gezien als de scherpper. Hij is een zo’n hoge god dat er bijna geen tempels en beelden van hem zijn. De andere van de drie zijn verreweg de meest vereerde goden.
  • Visjnoe: wordt vereerd als de ‘heer van de wereld’. Hij is een liefdevolle schepper, die alle levensvormen voor de eerste keer op aarde crëerde. Hij is daarnaast ook de god die de mensen wil verlossen van het kwaad. Hij is daarom ook in verschillende gedaantes(avatara’s of incarnaties) op aarde gekomen. Ook boeddha zou een avatara van hem zijn. Er zijn al 9 van de 10 avatara’s op aarde verrschenen en de 10e genaamd Kalkin zal in de toekomst verschijnen en de wereld definitief te verlossen van het kwaad.
  • Sjiva: is de god die verantwoordelijk is voor de schepping die volgens het ritme van het leven voortdurend onstaat en weer vergaat. Hij word dus gezien als de god van tegenstellingen. Hij is ook de god van de voortplanting en vruchtbaarheid. Er wordt in veel tempels de linga vereerd. Dat is een bewerkte steen die het mannelijke geslachtsorgaan symboliseert.

Zij worden ookwel de drie-eenheid genoemd en worden ook afgebeeld als een drievoudige gestalte(trimoerti).

Er zijn nog veel meer andere goden bij het hidoeïsme. Ze worden voor god van een stad, van een dorp of van een familie vereerd. Ganesja, de god met olifantenhoofd, is een van de meest geliefde goden.

Ganesja is de god van wijsheid en moed. Hij wordt vereerd omdat hij de mensen helpt bij praktische problemen. Bij het begin van een neiuw jaar wordt er om zijn zegen en hulp gevraagd.

Een andere populaire god is Krisjna. Hij wordt beschouwd als avatara van Visjnoe. Toch vereren veel mensen hem als hun enige of belangrijkste god.

1.5 Het hindoeïsme is niet gestischt door iemand die met een profetische boodschap kwap of op grond van goddelijke woorden een nieuwe religie verkondige. Toch zijn er een antal zeer oude en als heilig beschouwde teksen. Vaak in twee groepen onderscheden:

  • De oudste teksten worden als geopenbaarde boeken gezien, waarvan de hindoe geloofd dat de inhoud van goddelijke oorsprong is.
  • De jongere geschriften worden de boeken van de overlevering genoemd, waarvan de inhoud door mensen is opgesteld.

Er zijn vier geopenbaarde boeken, die samen de Veda’s vormen. Er staat in beschreven hoe de brahmaanse priesters de rituelen moeten uitvoeren, welke liederen zij bij de verschillende rituelen moeten zingen en welke spreuken zij bj de offers moeten opzeggen. Het is in het Sanskriet geschreven en het mag alleen door brahmanen gelezen worden.

Tot de boeken van de overlevering behoren de Oepanisjads en de twee grote verhalenbundels in dichtvorm, Ramajana (Rama’s levensloop) en Mahabharata (de nakomelingen van Bharata). In de Oepanisjads staat een andere manier van verlossing beschreven dan in de Veda’s. voor de mens ligt de weg naar verlossing niet zozeer in het brengen van offers, maar in de eenwording van zijn atman met het brahman. Ze worden door meer ontwikkelde hindoes gelezen. Voor het gewonen volk zijn ze veel te moeilijk.

In de dichtwerken zijn er vele belangrijke thema’s zoals: de rol van het kwaad in de wereld, liefde en trouw, hoe je moet omgaan met mensen en goden. Deze teksten zijn gemakkelijk te lezen.

Het word niet alleen in boekversie verteld, maar ook in stripversies en toneel en dans.

2.1 Ons dagelijks leven zit vol rituelen en symbolen. Ze hebben vaak te maken met speciale gebeurtenissen of verwijzen naar iets dat wij belangrijk vinden. Een symbool is een voorwrp of een afbeelding, dat op zijn eigen manier een boodschap uitdraagt. Rituelen zijn handelingen die een symbolische betekenis hebben. Vaak moeten ze ook op een bepaalde manier worden verricht.

2.2 Omdat er in het hindoeïsme vle rituele verplichtingen zijn wordt het ookwel een ‘doegodsdienst’ genoemd. De meeste godsdienstige rituelen kunnen we onderscheiden in drie groepen:

  • Rituelen van het dagelijks leven: Vele hindoes beginnen en eindigen hun dag met gebeden. Het nemen van een bad heeft voor hindoes een godsdienstige betekenis, namelijk reinigen. De dagelijke verering(puja) houdt onder meer in dat er wierook voor het beeld wordt gebrand en er lichtjes bij worden gezet. De handelingen worden met grote eerbied uitgevoerd, omdat een hindoe gelooft dat de godheid tijdens de verering in het beeld aanwezig is. De tempel wordt alleen bezocht op religieuze feestdagen. Aangezien een tempel wordt gezien als een godshuis, wordt ervan bezoekers verwacht dat ze uit respect hun schoenen uitdoen en dat vrouwen een hoofddoek dragen. De priester van de tempel neemt offergaven over om ze voor het godenbeeld neer te leggen. Daarbij worden heilige teksten gelezen en gebeden uitgesproken. Daarna worden de gaven teruggegeven, waarmee zij tegelijk een goddelijke zegen ontvangen.
  • Rituelen van de jaarcyclus: Bij het hindoeïsme zijn er twee belangrijke jaarlijkse feesten. Het holifeest, wat het meest populair is. Het wordt in maart gevierd en de hindoes vieren dan de komst van de lenten en van een nieuw jaar. Er wordt een brandstapel aangestoken de holika. Het is een vreugdevuur, maar het is ook een vuur waarin het kwade verbrand wordt, zo ontstaat ruimte voor het goede. Ze komen dan bijelkaar en bidden en zingen en wensen elkaar het goede voor het nieuwe jaar. Ook wordt er vaak rijst op het vuur gegooid. De volgende dag komen ze er weer bijelkaar en bidden met elkaar en krijgen een beetje as op hun voorhoofd gesmeerd. Daarna wordt het een doele boel en bestrooit iedereen elkaar met as, zand, bakpoeder of kleurstof. Iedereen doet mee, want het gevoel van verbondenheid is belangrijk en het geeft een schoone lei aan een nieuwe periode
  • Rituelen van levenscyclus: Bij de geboorte zijn er veel rituelen, het begint al voor de geboorte. Na de geboorte geeft de vader het een druppeltje honing en roomboter. Ongeveer tien dagen na de geboorte vindt het ritueel van de naamgeving plaats. Bij het huwelijk zijn ook veel rituelen. 70% wordt gearrangeerd(uithuwelijken). Aan de familie van de bruidegom wordt een bruidsschat betaald. De ouders van de bruid betalen de bruiloft. In  India krijgen ze dus liever zonen dan dochters. Wanneer iemand stervende is, worden er door familieleden magische spreuken opgezegd en rijst geoffers om de gessten van het dodenrijk gunstig te stemmen. Doden worden meestal gecremeerd, begraven wordt meestal alleen gedaan als een jong kind sterfd of oude mannen die een heilig leven hebben geleid. Het lichaam wordt door de oudste zoon (of ander familie lid) op de brandstapel gegooid. De as van de overledende wordt in stromend water gegooid, bij voorkeur in een heilige rivier. 

Heilige plaatsen zijn er volop in India, zoals de steden Benares, Allahabad en Ajodhja. Ook rivieren kunnen heilig zijn zoals de Ganges. Ook de meeste bergen zijn heilig. Voor de hindoes zijn heilige plaatsen ‘oversteekplaatsen’. De meeste hindoes maken een keer in hun leven een pelgrimstocht naar een van deze heilige plaatsen. In India kun je op pelgrimsplaatsen, maar ook op straat, heilige mannen of sadhoes tegenkomen. Ze zijn meestal schaars gekleed of naakt. Het lichaam is ingesmeerd met as, als symbool van boete en vergankelijkheid.

Sadhoes bezitten niets en ze leven van wat mensen hun geven. Ze worden vaak als soort heiligen gezien, want zij hebben afstand gedaan van al het aardse om zich te richten op het eeuwige.

De sadhoe vervult met zijn leven van totale onthechting de plicht die verbonden is aan zijn kaste. Voor mannen (soms ook vrouwen) die gebroren zijn in een van de drie hoogste kasten en die voorbestemd zijn om sadhoe te worden bestaat het leven uit 4 fasen:

  1. Eerst ondergaat hij een ritueel, waarna hij opgeleid wordt. Als de opleiding klaar is gaat hij gewoon naar school en leert een beroep en sticht een gezin.
  2. Het huwelijk en het stichten van een gezin. Hij moet zijn gezin zo goed mogelijk onderhouden. Als zijn zoon oud genoeg is om een eigen gezin te stichten dan trekt hij zich terug uit zijn werk. Om zich te wijden aan godsdienst en meditatie
  3. De onthechting van alle aardse goederen. Wanneer hij grootvader is geworden, kan hij zich werkelijk los maken van alle aardse familiehechting.
  4. De fase van de sadhoe. Hij leeft als asceet zonder huis, familie en bezit. Zonder enige binding, trekt hij van pelgrimsplaats naar pelgrimsplaats. Na zijn dood wordt hij niet gecremeerd, maar in meditatiehouding begraven.

2.3 India is sinds 1947 een onafhankelijke staat. Ze waren sinds 1858 een kolonie van Engeland. Voordat ze onafhankelijk werden was er nog een hele lange strijd vooraf gegaan. Belangrijke mensen in deze strijd waren de hindoeleiders Ganhdi, Nehru (later 1e premier) en de moslimleider Jinnah. De strijd zorgde ervoor dat het land zich zal opsplitsen in twee staten: Pakistan(islam) en India (hindoeïsme). Na de verdeling kwam er een volksverhuizing van 12 miljoen mensen opgang, maar erzijn wel een half miljoen doden gevallen door de gewelddadigheden van beide kanten. Er zijn nog steeds politieke brandhaarden. De bekenste is de deelstaat Kasjmir of Punjab.

Het kastenstelsel is officieel in 1950 afgeschaft, maar heeft nog steeds invloed. De invloed is bij laagopgeleide mensen groter dan bij de hogere. Op het platteland sterker dan in de stad. Als een kasteloze zich niet aan de regels houdt dan riskeert hij een flink pak slaag of erger. De regering van India probeert de achterstelling van de onderliggende kasten te bestrijden. De kastelozen hebben nu recht op onderwijs. Er zijn meedere maatregelen genomen, die nog wel eens tot verzet van leden van de hogere kasten leiden. Soms wordt daar geweld bij gebruikt. De zogenaamde ‘kasterellen’.

Mohandas K. Ghandi leefde van 1869 tot 1948. Zijn bekendere naam is Mahatma(grote ziel). Hij kwam op voor de kastelozen, hij heeft zich eigenlijk altijd ingezet voor de gelijkheid van de mens. Hij beschouwde paria’s niet als onaanraakbaren, maar noemde hen harijans(Gods kinderen). Hij is vooral bekend geworden, omdat hij geweldloos strijde, dat was gebaseerd op het begrip ahisma (geen levende wezens dood maken). Geweldloosheid lijdt de tegenstander tot nadenken. Hij noemde dit het kwade overwinnen door het goede. De eigen oprechtheid om het goede na te streven, zonder eigenbelang, was voor Gandhi ook een godsdienstige waarheid. 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.