De Shaduwen - George MacDonald (3)

Door Northwind gepubliceerd op Monday 09 March 11:41

Vorig deel

Voordat de koning antwoord kon geven, begon een andere Schaduw met zijn verhaal. Door het verhaal van de dominee wenste de koning een Schaduwpreek te horen. Daarom wendde hij zich naar een lange Schaduw die preekte voor een heel rustig en aandachtig luisterend publiek. Hij was aan het slot van zijn preek gekomen.
'Om die reden, lieve Schaduwen, is het des te meer nodig dat we elkaar zoveel mogelijk liefhebben, want dat is niet erg veel. We hebben geen voorwendsel om niet lief te hebben, zoals de sterflijken hebben, want wij sterven niet zoals zij. Ik denk dat de gedachte aan die dood er de oorzaak van is dat ze zoveel haten. Daarentegen slapen de meesten van ons de hele dag en niet 's nachts, zoals de mensen doen. En jullie weten dat we alles vergeten wat de nacht ervoor is gebeurd. Daarom moeten we goed liefhebben, want de liefde is slechts kort. Oh lieve Schaduwen, die ik liefheb met heel mijn schaduwrijke hart, ik zal u morgenavond niet liefhebben, ik zal u niet kennen. Ik zal u tegenkomen in een menigte en niet eens dromen dat de Schaduw die ik liefheb, vlak bij me is. Gelukkige Schaduwen! Want we onthouden onze verhalen slechts tot we ze hier hebben verteld en dan verdwijnen ze in het schaduwkerkhof, waar we slechts ons gestorven zelf begraven.

Oh broeders, wie zou er een mens willen zijn en herinneringen hebben? Wie zou er een mens willen zijn en tranen vergieten? We moeten elkaar werkelijk liefhebben, want wij erven als enigen vergetelheid. Wij alleen worden vernieuwd met eeuwige geboorte. Wij alleen hebben het gewicht der jaren niet verzameld. Ik zal jullie vertellen over het afschuwelijke lot van een Schaduw die rebelleerde tegen zijn natuur en die zich het verleden wilde herinneren. Hij zei: 'Ik wil me deze avond herinneren'. Hij vocht met de vriendelijke weldoener slaap toen de zon opkwam voor de afschuwelijke, dodelijke dag, en hoewel hij niet wakker kon blijven, droomde hij van de vorige avond en deze droom kon hij niet vergeten. Hij probeerde het de volgende avond nogmaals, en de avond daarna en die daarna en hij verleidde een andere Schaduw om het samen met hem te proberen. Maar tenslotte trof hun vreselijke lot hen, want in plaats van Schaduwen te zijn, begonnen ze schaduwen te werpen, zoals dwaze mensen zeggen. Ze werden dikker en dikker tot ze uit onze wereld verdwenen. Nu zijn ze gedoemd om over de aarde te lopen, een man en een vrouw, met de dood achter en herinneringen in hen. Oh broeders Schaduwen, laat ons elkaar liefhebben, want we zullen het spoedig vergeten. Wij zijn geen mensen, maar Schaduwen'.
De koning wendde zich af en had veel meer medelijden met de arme Schaduwen dan zij met hem.


'Op een nacht hebben we een muzikant heerlijk voor de gek gehouden!' riep een Schaduw in een andere groep uit. De koning had eerst verder willen lopen, maar hij stopte om te luisteren. 'Omhoog en omlaag gingen we, net als de hamers en dempers van zijn piano. Maar hij nam wraak op ons. Nadat hij een half uur in het schemerdonker naar ons had zitten kijken, liep hij naar zijn instrument en speelde een Schaduwdans waarmee hij ons voor altijd in het geluid gevangen hield. We wisten allemaal precies welke noten er voor ons waren bedoeld en zo lang hij speelde, konden we niet stoppen, maar moesten we blijven dansen op de muziek, zoals de tovenaar (de muzikant, bedoel ik) het wilde. En hij strafte ons goed, want hij liet ons
dansen tot we erbij neervielen in vermoeide, trillende, donkere hopen. Bij hem zullen we een poos niet meer in de buurt komen, als we het tenminste kunnen onthouden. Hij had zich de hele dag ellendig gevoeld. Hij was zo arm en we konden geen andere manier bedenken om hem te troosten dan door hem aan het lachen te maken. Dat lukte niet, ondanks onze wildste pogingen, maar toch werkte het beter dan we hadden verwacht. Want door zijn Schaduwdans werd hij opgemerkt en nu is hij heel populair en verdient hij veel geld. Als hij niet oppast, moeten we straks weer bij hem langs komen, arme kerel!'


'Zoiets hebben we ooit voor een arme toneelschrijver gedaan. Hij moest een Kerststuk schrijven, en aangezien hij geen origineel genie was, lukte het hem niet zo gemakkelijk om een onderwerp te vinden als de meesten van zijn beroepsgroep. Ik zag wat voor problemen hij had en verzamelde een paar Schaduwen die in de buurt waren. We voerden, zonder geluid, natuurlijk, de grappigste onzin op die we konden bedenken. Het werd een succes. De arme man volgde elke beweging, brullend van de lach en verrukt over de ideeën die we hem gaven. Hij bedacht er woorden bij, en scènes en handelingen. Uiteindelijk werd het stuk een geweldig succes'.
'Hoe lang moeten we niet zoeken naar een kans om iets te doen wat de moeite waard is', begon een lange, dunne, zeer treurig uitziende Schaduw. 'Na de laatste keer dat we elkaar hebben ontmoet, heb ik maar één ding gedaan dat het waard is om te worden verteld. Maar ik ben er wel trots op'.


'Wat heb je dan gedaan? Wat heb je dan gedaan?' riepen wel twintig stemmen.
'Op een avond kort na Kerst, het werd al donker, kroop ik een eetkamer binnen. Ik was erheen gelokt door de gloed van een helder haardvuur, die door de rode gordijnen scheen. Eerst dacht ik dat er niemand was en ik stond op het punt om de kamer weer te verlaten en verder te lopen door de besneeuwde straat, toen ik plotseling een glinstering van een paar ogen zag. Het waren de ogen van een kleine jongen die heel stil op een bank lag. Ik kroop in een donker hoekje bij het dressoir en keek naar hem. Hij leek erg verdrietig te zijn en staarde alleen maar in het vuur. Na lange tijd zuchtte hij: 'Kwam mama maar thuis'. 'Arme jongen!' dacht ik, 'daar kan niemand iets aan doen behalve mama'. Toch wilde ik hem helpen om de tijd sneller voorbij te doen gaan. Vanuit mijn hoek strekte ik mijn lange Schaduwarm uit, helemaal over het plafond en ik deed alsof ik hem wilde pakken. Eerst was hij een beetje bang, maar hij was een moedige jongen en als snel snapte hij dat het een grap was. Toen ik het nog een keer deed, wilde hij me grijpen en toen hadden we zo'n plezier! Want hoewel hij vaak zuchtte en wenste dat zijn mama thuis zou komen, begon hij toch steeds opnieuw met het spelletje, steeds wilder en wilder. Eindelijk klopte zijn moeder op de deur. Blij spong hij overeind en rende hij naar de hal om haar te verwelkomen. Toen vergat hij mij natuurlijk, maar dat vond ik helemaal niet erg, want toen ik hem achterna gleed naar de hal, werden mijn inspanningen ruimschoots beloond toen ik zijn moeder hoorde zeggen: 'Charlie, lieve schat, je ziet er veel beter uit dan toen ik wegging!' Op dat moment glipte ik door de deur en rende ik weg over de sneeuw. Ik hoorde de moeder nog zeggen: 'Welke schaduw gaat daar zo snel voorbij?' En Charlie lachte vrolijk en antwoordde: 'Oh, mama! Dat is vast de grappige schaduw waarmee ik de hele tijd heb gespeeld toen jij weg was'. En zodra de deur dicht was gegaan, kroop ik langs de muur en keek ik naar binnen door het raam van de eetkamer. Toen de moeder haar zoon naar binnen leidde, hoorde ik haar zeggen: 'Wat heeft die jongen toch een fantasie!' Hahaha! Toen keek ze hem aan en kwamen er tranen in haar ogen. Ze boog zich over hem heen en ik hoorde het geluid van een snik en een zoen'.

'Ik zoek altijd naar kinderkamers vol kinderen', zei een andere Schaduw, 'en deze winter heb ik er gelukkig heel veel gevonden. Ik weet zeker dat kinderen speciaal voor ons zijn. Op een avond keek ik rond in een grote stad. Door een raam zag ik een grote kinderkamer waar dat ergerlijke gaslicht nog niet was ontstoken. Rond het vuur zat een aantal van de meest verrukkelijke kinderen die ik ooit had gezien. Ze wachtten geduldig op hun avondeten. Het was gewoon te mooi om waar te zijn. Ik rende weg om twintig van de beste Schaduwen op te halen die ik kon vinden, kwam enkele ogenblikken later terug en toen we de kinderkamer binnen waren, dansten we een van onze beste dansen. Het meeste was geïmproviseerd, maar we bleven in de maat door het volgende lied te zingen, dat we bedachten terwijl we aan het dansen waren. De kinderen konden het natuurlijk niet horen. Zij zagen alleen de bewegingen die we erop maakten, maar ze leken het schitterend te vinden. Hoor maar, dit is het lied:


Swing, swang, swingel, swuf
Flikker, flakker, fling, fluf
Zwier en veer
Heen en weer
Op en neer
Nog een keer
Geboren en getogen
Nooit gestorven
Alleen vervlogen


Op! Kom op!
Donker, duister
Dikker, schuimend,
Spattend, strooiend
Scheidend, plooiend
Dalend, glooiend
Heel ons leven
Eén lang beven
Een lang smachten naar de rust
Het donker dat ons slapend kust


Bindend, ziedend
Stijgend, vliedend
Lachend, spiedend
Pijnlijk verschietend
Meesters van de bluf

Swingel, swangel, swuf!


Nu een duist're kluit
Dan weer snel vervlogen
Nu een schemerschavuit
Dan weer weggevlogen
Flikker, flakker, floef
Zwart en zwart genoeg


Dansend nu als goden
Liegend als de doden
Hoe graag zouden wij slapen
En uitgerust ontwaken
Maar ons werk moeten wij doen
Schaduwmannen, elk seizoen


Schietend, stijgend, zoekend
Zwalkend, zinkend, kruipend
Neuriënd in hoeken
Splijtend, porrend, duikend
Stapelend als boeken
Stiekem loerend
Ons werk uitvoerend
Want ons werk moeten we doen
Schaduwmannen, elk seizoen
Flikker, flakker, fling, fluf
Swing, swang, swingel, swuf!


'Wat bewegen de Schaduwen druk!' zei een van de kinderen, een bedachtzaam klein meisje.
'Ik vraag me af waar ze vandaan komen', zei een dromerig klein jongetje.
'Ik denk dat ze uit de muur groeien', antwoordde het kleine meisje, 'want ik zag dat ze eraan kwamen, eerst een en toen nog een en toen een heleboel. Ik weet zeker dat ze uit de muren groeien'.
'Misschien hebben ze papa's en mama's', zei een oudere jongen met een glimlach.
'Ja, ja, en de dokter neemt ze mee in zijn zak', zei een ander klein meisje gewichtig.
'Nee, hoor', zei de oudere jongen, 'het zijn geesten'.
'Maar geesten zijn wit'.
'Oh! Maar deze zijn zwart geworden toen ze door de schoorsteen omlaag zijn geklommen'.
'Nee', zei een vreemd uitziende, veertienjarige jongen met een wit gezicht. Hij had bij het vuur zitten lezen en was daarmee gestopt toen hij de kleintjes hoorde praten, 'ze zijn lichaamsgeesten, geen zielgeesten'.
'Ze waren een poosje stil. De jongen met de dromerige ogen was de eerste die sprak:
'Ik hoop dat ze mij niet uitbeeldden', waarop ze allemaal in lachen uitbarstten. Op dat moment bracht het kindermeisje hun avondeten binnen en toen ze het gaslicht aanstak, verdwenen we'.
'Ik heb een moord voorkomen', riep een andere Schaduw.
'Hoe? Hoe? Hoe?'

'Dat zal ik jullie vertellen. Ik had een tijdje rondgehangen bij een kamer van een zieke. Het was een gierigaard die op sterven lag. Ik vond het geen leuk huis, maar ik had het gevoel dat ik daar moest blijven. Er waren genoeg plekjes waar ik me schuil kon houden, want de kamer stond vol met allerlei oude meubels, vooral kabinetten, kisten en muurkasten. Volgens mij bewaarde hij in die kamer al de bezittingen die hij tijdens zijn leven had vergaard. Ik kwam erachter dat hij veel goud bewaarde in die kasten, want op een nacht, toen de zuster weg was, kroop hij uit bed, mompelend en trillend, en opende een van zijn kisten. Hij viel er bijna bij neer. Ik gluurde over zijn schouder en er viel zo'n gouden glans over me, dat ik er bijna was geweest. Maar hij hoorde de zuster terugkomen en smeet het deksel dicht en zo kon ik me herstellen.
'Ik deed erg mijn best, maar ik kon niets voor hem doen. Want hoewel ik allerlei vormen op de muren en het plafond uitbeeldde van de slechte dingen die hij had gedaan, en dat waren er heel veel, was er niets wat zijn brein of geweten bereikte. Hij had nergens anders oog voor dan voor zijn goud. En het toeval wilde, dat ook zijn zuster geen ogen of hart had voor iets anders.


'Op een dag zat ze bij zijn bed, maar hij kon haar niet zien. Ze roerde in wat haverpap in een schaal om het af te laten koelen voor hem. Toen zag ik dat ze een klein medicijnflesje uit haar zak haalde en aan de uitdrukking op haar gezicht kon ik aflezen wat het was en wat ze van plan was ermee te gaan doen. Gelukkig kon ze de kurk er niet zo snel uit krijgen. Zo had ik een moment om na te denken.


'In de kamer stonden zo veel spullen - het hemelbed had geen gordijnen, zodat de kostbare schatten van de vrek niet aan zijn blik werden onttrokken - dat er maar één klein stukje plafond was waar ik kon uitbeelden wat ik wilde laten zien. En dit plekje was moeilijk te bereiken. Maar ik had ontdekt dat op deze plek de matte gloed van het haardvuur werd weerkaatst door een vreemde, oude, stoffige spiegel die ergens in een hoek stond. Zo snel ik kon, begaf ik me naar de ovale vlek gedimd licht op het plafond en terwijl ik voorbijkwam, nam ik de vorm aan van een krom oud wijf die iets uit een flesje in een schaal liet lopen. Ik beeldde de lepel uit met mijn eigen neus, haha!' En de Schaduwhand streek langs het Schaduwpuntje van de Schaduwneus, voordat de Schaduwtong het verhaal hervatte.


'De ouwe vrek zag me: hij wilde die avond niet proeven van de haverpap, hoewel de zuster hem probeerde over te halen en op hem keef tot ze beiden moe waren. Ze deed alsof ze het zelf proefde en vond dat het lekker smaakte, maar uiteindelijk ging ze in een hoek zitten en deed ze net alsof ze at, maar ondertussen goot ze alles in de as'.
'Maar ze zal er vast in slagen, of ze zal hem uiteindelijk laten verhongeren', viel een Schaduw de spreker in de rede.
'Ik zal jullie vertellen wat er verder gebeurde'.
'En', merkte een derde op, 'hij was de moeite toch niet waard'.
'Misschien kreeg hij wel berouw', zei een ander, die wat welwillender was.
'Vast niet', zei degene die eerder had gesproken. 'Gierigaards krijgen nooit spijt. De liefde voor geld bevat minder waarmee het zichzelf kan genezen dan alle andere soorten slechtheid waarin die betreurenswaardige mensen kunnen vervallen. Wat een geluk dat ik als Schaduw geboren ben! Slechtheid beklijft niet bij ons. Wat geven wij nu om goud! Waardeloze rommel!'
'Amen! Amen! Amen!' kwam het van alle kanten.
'Je had haar hem laten moeten vermoorden, dan was je van hem af geweest'.
'En hoe had hij bovendien uiteindelijk kunnen ontsnappen? Hij kon niet van haar af komen, weet je'.
'Dat wilde ik jullie gaan vertellen', ging de verteller verder, 'maar jullie maakten zoveel Schaduwopmerkingen dat ik niet door kon gaan'.
'Ga door, ga door'.


'Er was een kleinkind dat hem soms kwam bezoeken, de enige persoon om wie de vrek iets gaf. Haar moeder was zijn dochter, maar de oude man wilde haar nooit zien omdat ze tegen zijn wil was getrouwd. Haar man was nu overleden, maar hij had het haar nog niet vergeven. Nadat hij het schaduwspel had gezien, zei hij echter tegen zichzelf terwijl hij 's nachts wakker lag: (ik zag de woorden op zijn gezicht afgetekend) 'Hoe raak ik die ouwe zuster nu kwijt? Als ik niets eet, ga ik dood en als ik wel eet, word ik vergiftigd. Ik wilde dat kleine Mary langskwam. Haar moeder zou nooit zoiets doen'. Daar lag hij, eindeloos over zulke dingen te piekeren en te tobben, de hele nacht lang, en ik stond in een donker hoekje toe te kijken tot het eerste daglicht me verdreef. Toen ik de volgende nacht weer kwam, was de kamer opgeruimd en heerste er rust. Zijn eigen dochter, een mooie vrouw met een treurig gezicht, zat naast zijn bed en kleine Mary zat knus bij het vuur, ze deed ons na door met haar handen gekke schaduwfiguren op het plafond te werpen. Maar ze wist niet hoe ze daar kwamen. Geen wonder, want ik hielp haar met een paar hele dwaze'.


'Ik heb ook een verhaal over een kleindochter', zei een ander toen de vorige spreker was uitgesproken.
'Vertel op!'
'Op Kerstdag', begon hij, 'gingen we bij het vallen van de avond met een groep op pad, want we hadden besloten om samen te werken. We zochten een huis waar we allemaal iets te doen zouden hebben. Een paar huizen bevielen ons niet, maar uiteindelijk zagen we een groot, eenzaam gelegen landhuis. We haastten ons erheen en zagen dat er voorbereidingen voor de Kerstmaaltijd werden getroffen. We stormden het huis binnen, draafden van kamer naar kamer en besloten dat dit een geschikte plek was. Eerst vermaakten we ons in de kinderkamer, waar de kinderen werden aangekleed voor het diner. We gaan meestal eerst naar de kinderkamer, majesteit. Deze keer waren we verrukt van een klein meisje van ongeveer vijf jaar oud. Ze klapte in haar handen en danste van blijdschap over de capriolen die we uithaalden. We zeiden tegen elkaar dat we iets voor haar zouden doen als we de kans kregen. De gasten begonnen te arriveren. Bij elke gast die binnenkwam, renden we naar de hal en maakten we gekke bokkensprongen om de nieuwkomers welkom te heten. Daarna gingen we snel terug naar de kinderkamer om te kijken hoe het aankleden vorderde. Eén meisje van ongeveer achttien jaar was een heerlijk jong mens. Ze kleedde zichzelf alsof ze er niet veel om gaf, maar zag ze er heel aantrekkelijk uit. Toen ze voor de laatste keer naar de geest in het glas keek, glimlachte ze een beetje. Maar wij houden helemaal niet van die schepsels die in
spiegels verschijnen, majesteit. We begrijpen ze niet. Ze zijn verschrikkingen voor ons. Ze zag er nogal verdrietig uit, maar ook heel lief en hoopvol. Daarom wilden we alles over haar weten en we kwamen er al gauw achter dat ze een verre verwante was, zeer geliefd door de heer des huizes, een oude man. Op zijn gezicht stond welwillendheid te lezen, vermengd met onbuigzaamheid en een tiranniek trekje. We waren niet zo van hem gecharmeerd, maar gaven hem nog het voordeel van de twijfel. Schaduwen vellen nooit meteen een oordeel.


'De bel voor het avondeten ging en we snelden naar beneden. De kinderen zagen er gelukkig uit en ze waren vrolijk. Een van de bedienden was een chagrijnige kerel en we plaagden hem, maar er was geen eer aan hem te behalen! Hij bracht de gerechten binnen en we lagen in elke hoek op de loer en sprongen tegen hem op vanaf de vloer en vanachter de trapleuning en vanaf het plafond Hij schrok en struikelde en sloeg zo'n flater dat de andere bedienden dachten dat hij aangeschoten was. Eén keer liet hij een bord vallen. Hij moest de scherven oprapen en snel wegbrengen, waarbij wij hem natuurlijk achtervolgden! Gelukkig zag de heer des huizes niet wat hij allemaal deed. We zorgden ervoor dat hij niet in een lastig parket kwam, maar hij werd wel duizelig van het ontwijken van de onverklaarbare schaduwen. Soms dacht hij dat de muren omvielen, soms dat er een gapend gat in de vloer zat waar hij in zou vallen en soms dat hij omver zou worden geduwd door heen en weer flitsende schaduwen of dat hij ten onder zou gaan in een zwarte menigte.


'Toen de brandende plumpudding werd geserveerd, maakten we er een heus schaduwencarnaval van, dansend en gebarend in de blauwe vlammetjes als onstuimige spoken. De kinderen gilden van plezier!


'De oude heer was dol op kinderen en lachte van harte met hen mee, toen er plotseling luid op de deur werd geklopt. Het mooie meisje schrok, werd nog wat bleker en daarna zo rood als het Kerstvuur. Ik zag het en streek met mijn handen over haar gezicht. Daar was ze erg blij over en ik weet dat ze in haar hart zei: 'Dankje, lieve Schaduw!' Dat deed me goed. Toen volgde ik de anderen naar de hal. Daar stond een vrolijke, knappe, zongebruinde zeeman, de zoon des huizes. De oude man ontving hem met tranen in zijn ogen en de kinderen begroetten hem met vreugdekreten. Het meisje vluchtte weg uit al dat tumult en dat was maar goed ook, want ze was bijna flauwgevallen. We dromden samen rond de lamp om haar aftocht te verbergen en doofden de lamp bijna uit. De butler kreeg de lamp pas weer goed aan de praat toen ze terug was op haar plaats, opgelucht dat het zo donker was in de kamer. Alleen de zeeman had opgemerkt dat ze was weggeweest. Hij ging naast haar zitten en pakte zonder iets te zeggen in het donker haar hand. Toen we ons weer terugtrokken naar de muren en hoeken en de lamp weer opflakkerde, liet hij haar hand los.


'Tijdens de rest van de maaltijd hield de oude man die twee in de gaten. Hij zag dat er iets tussen hen was en daarover was hij erg boos. Want hij vond zichzelf een belangrijk man en ze hadden er nooit met hem over gesproken. Ze hadden het echter zelf ook niet geweten totdat de zeeman wegging voor zijn laatste reis, en ze wisten het pas nu van elkaar. (Dit kwamen we allemaal te weten door naar ze te kijken en er na die tijd samen over te praten.) De oude man merkte ook dat zijn favoriet, die toch zoveel aan hem verplicht was omdat hij zoveel van haar hield, meer van zijn zoon hield dan van hem. En hij werd zo jaloers dat hij een schaduw wierp over de hele tafel met zijn norse blikken en zijn korte antwoorden. Dat soort overschaduwen verschilt erg van onze schaduwen. En het Kerstdessert werd in zo'n sombere sfeer gegeten, dat wij Schaduwen het niet konden verdragen. We waren blij toen de dames opstonden om zich naar de salon te begeven. De heren wilden niet alleen achterblijven, zelfs niet voor de welbekende wijn. En zo bleef de slechtgehumeurde gastheer ondanks zijn gastvrijheid alleen zitten aan de tafel in de grote, stille eetkamer. We volgden het gezelschap naar boven naar de salon en naar de kinderkamer voor een spel, maar terwijl wij bezig waren met onze schaduwspelletjes, kropen bijna alle Schaduwen weer naar beneden naar de eetkamer, waar de oude man nog steeds op het kale bot van zijn eigen egoïsme zat te knagen. Ze gingen allemaal de kamer binnen en maakten zichzelf zo groot mogelijk, als opgeblazen zeepbellen, totdat de kamer vol was met Schaduwen. Ze schaarden zich rond het vuur en de lamp totdat er bijna geen licht meer over was en alles duister was.


'De kinderen, moe van alle pret en gekheid, waren al naar bed gebracht. Maar het kleine meisje van vijf, met wie we eerst zo'n plezier hadden gehad, kon niet slapen. Ze had haar eigen kleine kamertje en ik had toegekeken toen ze naar bed was gebracht. Nu hield ik haar wakker door te dansen in het schijnsel van haar nachtlampje. Als ze naar me keek, nam ik de vorm aan van haar grootvader. Ik beeldde hem af zoals hij in zijn stoel zat, met zijn hoofd gebogen en zijn armen langs de leuningen hangend. En het kind herinnerde zich dat zij hem zo als laatste had gezien, want ze had de eetkamer in gegluurd toen alle anderen al naar bed waren gegaan. 'Stel dat hij daar nu nog zit', dacht ze, 'helemaal alleen in het donker!' Ze klom uit bed en sloop naar beneden.


'Ondertussen hadden de anderen het zo donker gemaakt in de kamer, dat je alleen het gezicht en het witte haar van de oude man nog kon onderscheiden in de schaduwmenigte. Want hij had zijn eigen gedachten gevuld met schaduwen en wij, Schaduwen, wilden ze er juist uit trekken. Uwe majesteit weet, dat die schaduwen heel anders zijn dan wij. Hij dacht aan alle teleurstellingen die hij in zijn leven had meegemaakt en aan alle ondankbaarheid die hij had moeten verdragen. En hij dacht veel meer aan het goede dat hij had gedaan dan aan het goede dat anderen hadden ontvangen. 'Na alles wat ik voor hen heb gedaan', zei hij en hij zuchtte bitter, 'niemand geeft ook maar iets om me. Mijn eigen kinderen zullen blij zijn als ik dood ben!' Op dat moment keek hij op en zag hij bij de deur een klein meisje in een nachtpon staan. De deur achter haar was dicht. Het was mijn kleine vriendin, die heel stil binnen was gekomen. Een ogenblik lang beving een ijzige angst de oude man, maar hij smolt net zo snel weer weg, want we hadden een pad gemaakt waarlangs één enkele lichtstraal van het vuur het gezichtje van het kleine elfje kon verlichten. Hij dacht dat het zijn eigen kind was, dat was gestorven op de leeftijd van dit meisje, dat nu door de Schaduwen naar haar grootvader stond te kijken. Hij dacht dat ze uit haar graf was gekomen, de koude duisternis in, om te vragen waarom haar vader alleen zat op deze Kerstdag. En hij voelde dat hij zijn kleine geest geen antwoord kon geven; voor het enige antwoord dat hij had, zou hij zich tegenover haar schamen. Maar zijn kleindochter zag hem nu en liep naar hem toe met kinderlijke waardigheid, nu en dan struikelend over wat haar doodskleed leek. Ze drong door de menigte Schaduwen en ging op zijn knie zitten, haar hoofdje op zijn schouder en zei: 'Opa, ben je 'drietig? Ben je niet blij omdat het Kerstmis is, opa?'


'Het leek of er een nieuwe bron van liefde openbarstte in het stenen hart van de oude man. Hij omhelsde het kind, hield het tegen zich aan en huilde. Toen, zonder een woord te zeggen, tilde hij haar op, droeg haar naar haar kamer en legde haar in bed. Hij dekte haar toe en kuste het kleine, lieve meisje, dat zich geheel niet bewust was van de berisping die ze haar grootvader had gegeven, en ging naar de salon.
'Zodra hij binnenkwam zag hij de schuldigen samen in een rustig hoekje. Hij liep naar ze toe, nam hun handen in de zijne en zei: 'God zegene jullie!' Toen draaide hij zich om naar de anderen en zei: 'Kom, laten we een kerstlied gaan zingen'. Sindsdien heb ik dat huis nog vele malen bezocht, maar ik heb hem nooit meer boos gezien en ik ben er zeker van dat hem dat veel moeite kost'.


'Wij komen juist uit een groot paleis', begon een ander, 'we wisten dat daar veel kinderen wonen en we dachten blijde stemmen te zullen horen en koninklijke, vrolijke blikken te zullen zien. Maar zodra we binnenkwamen, merkten we dat alles werd verduisterd door die ene machtige Schaduw, en die Schaduw werd dieper en dieper tot zij donker samentrok rond het rustende lichaam van een wijze prins. Toen we hem zagen, konden we niet meer bewegen, maar hielden we ons vast aan de muren en onze roerloosheid droeg bij aan het verdriet van dat moment. En toen we de moeder van haar volk met gebogen hoofd zagen huilen om het verlies van hem die ze vertrouwde, wilden we zo graag geen Schaduwen meer zijn, maar gevleugelde engelen, die de witte schaduwen zijn van het hemelse Licht der Lichten, zodat we haar konden omringen en troostend boven haar konden zweven. We verdwenen van de muren en dreven hoog boven de torens van het paleis, waar we de engelen ontmoetten die op hun weg omlaag waren. Zo wisten we dat onze diensten daar overbodig waren'.


Op dat moment merkte de koning een straal maanlicht op en hij zag een aantal vreemde Schaduwen met menselijke gezichten en ogen door de menigte bewegen. Hij begreep meteen dat zij niet onder zijn gezag vielen. Ze keken hem aan, kwamen vlakbij en gingen hem langzaam voorbij, maar ze gaven hem geen eerbetoon en betuigden geen respect. En wat ze met hun ogen zeiden, wist alleen de koning. Maar hij vertelde het nooit verder.


'Wat zijn die andere Schaduwen die zich door de menigte bewegen?' vroeg hij aan een van zijn onderdanen die vlakbij hem stond. De Schaduw schrok en keek om zich heen. Hij huiverde en legde zijn vinger tegen zijn lippen. Hij leidde de koning weg en keek nogmaals om zich heen. Hij zei: 'Ik weet niet wat zij zijn. Ik heb veel over ze gehoord, maar ik heb ze slechts een keer gezien. Dat was toen sommigen van ons een man bezochten die veel alleen was en van wie werd gezegd dat hij veel nadacht. We zagen twee van hen bij hem in de kamer zitten. Hij was net zo bleek als zij. We konden de drempel niet over stappen, maar we huiverden en trilden en het voelde alsof we weg zouden smelten. Is uwe majesteit niet bang voor ze?'


Maar de koning antwoordde niet en voordat hij weer iets kon zeggen, was de maan tot boven de machtge pilaren van de kerk van de Schaduwen geklommen en keek ze naar binnen door het grote venster van de hemel.


De gestalten waren allemaal verdwenen en de koning, zijn ogen nogmaals opslaand, zag niets anders dan de muur van zijn eigen kamer, waarop de Schaduw van een Klein Kind flakkerde. Hij keek omlaag en daar zag hij, zittend op een krukje, een van zijn eigen kinderen, wachtend om zijn vader welterusten te wensen en vroeg naar bed te gaan zodat hij vroeg op kon staan en een goede en vrolijke Kerstdag kon hebben.
En Ralf Rinkelmann was blij dat hij een mens was en geen Schaduw.
Maar toen de Schaduwen verdwenen, lieten ze een lied achter in het hoofd van de koning. En de woorden gaan ongeveer zo:

Schaduwen, Schaduwen allerwegen
Van geboorte tot laatste zegen
Schijnsel van de Schaduwmaan
Als w' over Schaduwgraven gaan
Schaduwhoop leeft, groeit en sterft
Schaduwliefd' uit de ogen derft
Schaduwwacht, leid ons toch heen
Tot Schaduwwoorden op Schaduwsteen
De Schaduwmare eindigt zacht
Met een Schaduwjammerklacht


Schaduwman, gij duisterling
Geworpen op de laatst' ontluistering
Door eindeloze Schaduwlucht
Van de Schaduw, onbeducht
Op roerloze Schaduwtroon
Een duister, eindeloos patroon
Noord en zuid, op berg, in dal
Oost en west en overal
Schieten Schaduwen steeds aan't werk,
Langs het Schaduwkleurige zwerk
Schaduwman zonder historie
Niets anders dan een Schaduwglorie


Maar Ralf Rinkelmann zei bij zichzelf:
'Alleen Schaduwen zingen zo, want een Schaduw kan alleen Schaduwen zien. En een mens ziet een mens waar een Schaduw alleen een Schaduw ziet'.


En hij voelde zich getroost.

 

 

 

 

Op dit artikel rusten auteursrechten.

Reacties (6) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Schilderij, gedichten en verhaal prachtig!
Trouwens, ook een indrukwekkend schilderij erbij
Dank! Deze heb ik gewoon met Google gevonden. Er stonden verder weinig gegevens bij. Jammer dat er zo weinig van de originele illustraties te vinden waren. Moest een beetje improviseren.
Zo, dat was een hele zit, om het achter elkaar te lezen.
met de dood achter en herinneringen in hen.
Wat me intrigeert: Schaduwen moeten alles vergeten maar deze wisten nog zoveel gebeurtenissen op te noemen. Overal zit wel iets van wijsheid in en de macht van de onschuld komt er ook mooi mee uit.
Ja, MacDonald geeft je meestal wel iets om over na te denken. Ik denk wel eens dat de macht van de onschuld, zoals jij zo mooi zegt, een beetje uit de mode is geraakt, en dat hij daarom zo weinig wordt gelezen. Het appelleert ook aan het kind in jezelf, hoewel zijn verhalen ook prima voor volwassenen zijn. Maar dat is wellicht met heel veel fantasy zo - dat het aan het kind in jezelf appelleert. Daarom wordt het ook vaak verward met kinderliteratuur.

Blabla :-) Dank voor het lezen!
hahaha: Blabla :-)