Het godsdienstige aspect

Door Jan Cornelis gepubliceerd op Saturday 07 March 15:58

    Velen zijn bekend met het feit dat de Joodse leiders in de dagen van de Heiland diens boodschap openlijk bestreden. In het geloof dat de dood van Jezus de beweging die onder zijn leiding zo’n bloei doormaakte zou worden gestuit, beraamde de Joodse leiders het plan om met de Zoon van God af te rekenen. Later, toen de beweging bleef groeien, nam ook de vervolging toe. Waarom? Welke krachten maakte het mogelijk dat het christendom in de eerste jaren bleef bestaan?

                                   

    De eerste factor die vermeldt dient te worden was de ijver van de christelijke bekeerlingen. Hun geloof was niet gebaseerd op een dode Heiland, maar op een levende, een die uit de doden was opgestaan want van deze feiten waren velen ooggetuigen geweest. (Handelingen 2:22-24, 32; 5:30-32; 1 Korintiërs 15:4-8.)

                                       

Hoewel de joden zich openlijk verzetten tegen het nieuwe geloof, werden hun tegenacties voor een groot deel door de Romeinse wet in bedwang gehouden. De politieke staat erkende vele goden en het was de gewoonte zich met het geloof van niemand te bemoeien zolang hun eredienst geen ondermijning van de staat betekende. Het Joodse geloof behoorde tot de toegestane godsdiensten en de leiders in Rome zagen het christendom als een nieuwe afsplitsing binnen de Joodse orde.

                     

“De godsdienstige filosofie van de Romeinse staat ontkende het bestaan van de goden van een bepaalde godsdienst niet. Evenmin beweerde ze dat er maar één ware godsdienst was, of nam men het standpunt in dat de ene godsdienst voor het Romeinse rijk beter was dan een andere. In één woord: Er heerste een godsdienstige verdraagzaamheid die aan bijna echte godsdienstvrijheid grensde. In een dergelijke godsdienstige wereld waagde het christendom zich, in haar poging om bekeerlingen te werven en heel het mensdom te redden.” (Lyon, Apostacy to Restoration, blz. 21.)

     Naarmate de tijd echter verstreek en de nieuwe kerk zich uitbreidde en groeide, begon de Romeinse houding van verdraagzaamheid te veranderen. Ofschoon de aanbidding van andere goden nog steeds was toegestaan, werd de persoon van de keizer steeds meer als goddelijk gezien en werd van de Romeinse onderdanen verwacht dat zij, net zoals zij aan hun eigen goden trouw bewezen, ook aan de keizer als hun god hun trouw bewezen.

                                   

     Tegen de tijd van Nero was het gewoonte geworden de keizer met titels als “theos” (god) en “soter” (heiland of redder) aan te spreken. Tegen de tijd van Domitianus (81-96 n. Chr.) werd er nog de titel “Dominus et Deus” (Heer en god) aan toegevoegd. Het Griekse woord voor het Latijnse “dominus” was “kurios” of “Heer”, precies de zelfde aanspreekvorm die meestentijds voor Jezus werd gebruikt. (Deze aanspreekvorm wordt in het Nieuwe Testament bijna zevenhonderd maal gebruikt.)

                                 

     Het lijkt weinig twijfel dat de eerste christenen in de keizer een rechtstreekse bedreiging van de goddelijkheid van Christus zagen toen ze hem als “God”, “de zoon van God”, de “Heilige”,”Heer” en “Heiland” zagen en hoorden aanspreken. Hun weigering om deze surrogaatgodheid te aanbidden en voor hem op de knieën te vallen was een van de belangrijkste redenen van de verschrikkelijke vervolgingen die zo velen van de eerste heiligen tot martelaar maakte en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen. 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.