De geheime missie

Door Nonnie gepubliceerd op Wednesday 04 March 14:34

f5b12d541b313c6807aae92c7612e359_medium.

Wij bezorgen uw pakket van A tot Z, het hele alfabet

Dat is het motto van de koeriersdienst waar ik werk. Pakketje zus, pakketje zo van hot naar haar en van hier naar daar. Ik vind het heerlijk werk en doe het dan ook met veel plezier, vier dagen in de week. Maar niet vandaag, want vandaag is mijn vrije dag en het belooft een prachtige dag te worden, die zich als een oase voor me uitstrekt. Voor de gelegenheid heb ik me in het gezelschap van een thriller in de leunstoel geslingerd met mijn benen over de leuning en een potje thee met stroopwafels op tafel. Plato ligt naast de stoel op het kleed. Plato is de Labrador, die ik een half jaar geleden als puppy heb gekregen van mijn vriend Frank. Zijn naam dankt hij aan de filosofische blik, waarmee hij de wereld lijkt te aanschouwen, Plato dus, niet Frank.

Het boek is zo spannend dat mijn tenen ervan krullen als ze opeens wreed worden opgeschrikt door het geluid van mijn mobieltje. Het is mijn baas. ‘Ha, Alex!’ Ik wil niet al te toeschietelijk klinken op mijn vrije dag. ‘Sorry, Nieke, dat ik je lastigval op je vrije dag, maar ik heb zojuist een spoedje binnengekregen. Als mijn kleine meid niet zo ziek was geweest, zou ik zelf deze rit pakken, maar ik kan hier niet weg. Zou je mij voor één keer uit de brand willen helpen?’ Mijn blik rust even met spijt op mijn boek. ‘En Peter en Nathalie dan? Kunnen die niet gaan?’ Even is het stil. ‘Peter is onderweg naar Maastricht en Nathalie zit in Assen. Ze gaan het niet redden om over een uur in Utrecht te zijn.’ Verdorie! ‘Waarom heb je die opdracht dan aangenomen?’ Het kost moeite om de wrevel uit mijn stem te houden. ‘Nou, om te beginnen wordt het uitstekend betaald. En verder heb ik het idee dat dit iets speciaals is, meer een missie dan een zending. Het pakketje moet om klokslag 12 uur worden afgeleverd in Utrecht, anders krijgen we niet betaald. En je mag er met niemand over praten.’ Ik denk na.
‘Tikt het?’
‘Nee, maar de tijd wel. Snel beslissen, Nieke.’
‘Oké, ik kom eraan.’

Plato loopt met me mee naar het halletje en kwispelt, omdat hij denkt dat we gaan wandelen. ‘Nu niet, Plato, vrouwtje moet een pakketje brengen naar Utrecht, maar vanmiddag neem ik je mee naar het bos. Afgesproken?’  Als antwoord kwispelt  hij nog heftiger en ik geef hem ten afscheid een kus op zijn lieve kopje. Bij de deur draai ik me nog even om naar Plato: ‘Ssssst, mondje dicht, hè?’

Het pakketje lijkt niks bijzonders, gewoon een zwarte doos ter grootte van een goed boek. Ik ruik eraan, schud ermee, leg mijn oor te luisteren tegen het pakketje, maar ben dan nog niks wijzer. Alex staat ongeduldig naast me van zijn ene been op zijn andere te huppen. ‘Nou, hup, vooruit. Je hebt geen tijd te verliezen. Als je om twaalf uur bij de Oude Gracht moet zijn, moet je non-stop doorrijden. Geen tijd om te tanken, te plassen of lifters mee te nemen. Twaalf uur dus en geen minuut later!’ Hij geeft me een waarschuwend tikje op mijn neus.

‘Slavendrijver!’ mompel ik als ik even later in de auto stap en het pakje naast mij op de passagiersstoel leg. Een snelle blik op het koeriersformulier leert me dat ik op de Oude Gracht 142W moet zijn, hetgeen ik rap intik in de Tomtom. Bij de opmerkingen zie ik staan dat het pakje persoonlijk dient te worden overhandigd aan de man met de rode das. Bizar!
Alleen al voor het effect rijd ik met een laatste zwaai en piepende banden weg. Alex wuift me na met een vette grijns op zijn gezicht.

Gelukkig is het verkeer niet druk op dit moment van de dag, dus ik kan lekker doorknotteren. Pas in Utrecht krijg ik te maken met oponthoud door de talloze stoplichten en de vele eenrichtingswegen, waar de Tomtom me feilloos doorheen loodst. Gelukkig ken ik Utrecht goed; het is immers de stad waar Frank en ik elkaar hebben leren kennen.

‘Bestemming bereikt’ roept de Tomtom triomfantelijk. Vijf voor twaalf. Ik zet de auto neer, spring eruit en loop bij nummer 142 de winkel binnen.
‘142W? Geen idee!’ zegt het meisje. Gehaast loop ik naar buiten en kijk om me heen. Er is een nummer 140 en een nummer 144, maar 142W? Een rare snoeshaan met een rode das dan? Mijn ogen spieden nogmaals de omgeving af. Er scharrelt wat winkelend publiek rond, maar niemand met een rode das. Dat is ook wat. Nou ben ik netjes op tijd, maar kan ik het adres niet vinden. Twee voor twaalf, nog twee minuten. En dan? Wat gebeurt er dan? Ontploft het pakketje dan? Moet ik het met een grote boog in de gracht gooien om alle mensen die hier in zalige onwetendheid rondlopen te redden? Terwijl ik razendsnel alle opties de revue laat passeren, word ik op mijn schouder getikt. Ik draai me met een ruk om en sta oog in oog met kapitein Iglo, compleet met zeemanspet, een grote grijze snor en vriendelijke ogen.
‘Dame, komt u een pakketje afleveren?’
Ik knik. ‘Jawel, maar niet voor u. Ik moest het persoonlijk overhandigen aan de opdrachtgever.’
‘Klopt, aan de man met de rode das.’ Zijn snor wipt een beetje omhoog als hij lacht. ‘Loopt u maar even met mij mee’, zei de man en ik volg de kapitein terwijl hij afdaalt tot het niveau van de gracht, waar een bootje in het water ligt te dobberen. Nu begint het me te dagen. De W is van water.
‘Als u dan even wil instappen.’ Met een hoffelijk gebaar geeft hij mij zijn arm om in te stappen, maar ik aarzel. Dit gaat me iets te snel. ‘Bent u bang dat ik u zal ontvoeren?’ Hij springt in de boot en komt even later met een roeispaan tevoorschijn en overhandigt die aan mij.
‘Alstublieft. Hier mag u me mee om de oren slaan als ik me onbetamelijk gedraag.’ Dankbaar en met een glimlach van oor tot oor neem ik de roeispaan in ontvangst en stap even later aan boord van het schattige fluisterbootje.

De schipper maakt de boot los en even later fluisteren we in een slaapverwekkend tempo over de gracht. In een kuipstoeltje zit ik heerlijk te genieten van het zonnetje met op schoot het pakketje en rechts van mij de roeispaan. Wel flitst het even door me heen dat ik halsoverkop naar Utrecht moest rijden om hier geconfronteerd te worden met een schipper die kennelijk alle tijd heeft. En de opdrachtgever is in geen velden of wegen te bekennen. Het blijft een mysterieuze missie.

Langzaam begin ik me te ontspannen door de zonnestralen op mijn blote huid en het zachte, regelmatige gesputter van de motor. Lui strek ik mijn benen voor me uit en vang uit mijn ooghoek een glimlach op van de kapitein. Mijn ogen glijden als vanzelf bijna dicht. Wat is het leven toch heerlijk! Op deze manier zou ik bijna vergeten dat ik op een missie ben.

Als de eerste klanken over het water schallen, springen mijn ogen open. Waar komt die muziek vandaan? Ik knipper tegen het zonlicht en dan zie ik haar staan en als vanzelf spring ik op.
‘Oh, mijn god, oh, mijn god. Het is Nana!’ Langs de gracht staat Nana Mouskouri op een balkonnetje te zingen. Het winkelende publiek blijft staan en alle ogen zijn gericht op de diva met de enorme bril. Enthousiast zwaai ik naar haar en misschien verbeeld ik het me, maar ze knikt beminnelijk terug in mijn richting. Nana, mijn idool, wat een waanzin. Die staat hier gewoon in Utrecht op een balkonnetje te zingen. ‘Only love can make a memory, only love can make a moment last.’ Haar prachtige stem zeilt over het water en bereikt mijn oren die in een directe verbinding met mijn huid staan, waar spontaan kippenvel verschijnt. En haar stem doet ook nu wat het altijd met me doet, want al snel vloeien mijn ogen over van tranen, die schaamteloos over mijn wangen glijden. En ik sta daar maar in die boot woordeloos te genieten van de mooiste stem aller tijden en mijn hart klopt in een ritme vol verwondering dat ik hier op dit moment ben waar ik ben, om dit te beleven.

Aan alles komt een einde en als de laatste klanken wegsterven zie ik door een waas van tranen iemand met een rode das door een zijstraat komen aanlopen. Eerst zag ik de das, daarna pas wie het was. De schipper had de boot inmiddels naar de kant gemanoeuvreerd, waar Frank me stond op te wachten. Hij helpt me galant uit de boot op de kant.
‘Ik geloof dat je een pakje voor me hebt.’ Stiekem buig ik me eerst naar hem toe, zodat ik mijn ogen aan zijn mouw kan afvegen. Pas dan geef ik het pakje aan hem. Hij opent de zwarte doos, waarin tussen allemaal wattenbollen een piepklein, vierkant doosje ligt, dat hij in zijn hand neemt en hij kijkt op zijn horloge.
‘Het is nu exact zeven jaar geleden dat wij elkaar hier hebben ontmoet, lieve Nieke. Je bent mijn zon, mijn maan en mijn sterren en ik kan niet meer zonder mijn Nieke-universum. Een heel verhaal heb ik ingestudeerd, maar dat ben ik nu allemaal kwijt. Het belangrijkste ben ik niet vergeten, want lieve Nieke, ik hou van je met heel mijn hart.’ Hij gaat op zijn knieën en kijkt me met die onweerstaanbare bruine ogen aan, terwijl hij met een hoofdgebaar naar het bootje zegt: ‘Wil je met me in het huwelijksbootje stappen?’ Met zijn rechterhand heeft hij het piepkleine doosje opengeklapt, waar een prachtige ring in de zon ligt te glinsteren. En tegenover hem zak ik ook op mijn knieën en terwijl ik hem in de ogen kijk, geef ik hem mijn antwoord.

 

Meer Nonnie?
http://www.nonniegelezen.nl

Reacties (23) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Gelezen en beoordeeld.
Fijn, dank je wel.
Gelezen
Dank je wel
Gelezen en beoordeeld!
Merci
Leuk verhaaltje!
Dank je wel.
Weer een prachtig verhaal van je
Lekker zoet verhaal.
Zit je tandglazuur er nog op?
Heerlijk geschreven!
Nonnie tegen Yrsa
1
Dank je wel, Yrsa.