Verkeerde bedoelingen - George MacDonald (1)

Door Northwind gepubliceerd op Monday 02 March 09:10

Het is alweer jaren geleden dat ik mijn eerste George MacDonald-vertalingen maakte. Wie George MacDonald was, kun je hier lezen. MacDonald was een grote inspirator van onder meer C. S. Lewis (De Kronieken van Narnia, fictie voor volwassenen en talloze andere werken over theologie, literatuur en filosofie). MacDonalds 'fairy tales' zijn uniek en fantastisch, maar helaas zijn ze vrijwel niet te verkrijgen in het Nederlands. Deze vertalingen heb ik eerder op het internet gepubliceerd, maar vanwege gebrek aan lezers heb ik ze na enige tijd weer verwijderd. Toch wil ik ze nog een tweede kans geven, omdat ze zo de moeite waard zijn. In Engelstalige landen worden MacDonalds boeken overigens nog steeds gelezen en gewaardeerd.

De verhalen zijn te lang om ineens te plaatsen, dus moet ik ze opdelen in kleinere stukken. Het gaat om twee verhalen: Verkeerde bedoelingen en De Schaduwen, oorspronkelijk gepubliceerd in 1867 en 1886 onder de titels Cross Purposes en The Shadows. Hier volgt het eerste deel van Verkeerde bedoelingen. Veel leesplezier gewenst!

fd4121127fa4eadd6d5f2d3ddbbf3fc9_medium.

Hoofdstuk I


Er was eens een koningin in Elfenland die haar eigen onderdanen veel te welgemanierd vond. Ze vermaakten haar niet meer en daarom besloot ze dat ze een of twee stervelingen aan haar hof wilde hebben. Na een tijdje zoeken vond ze er twee die ze naar Elfenland wilde halen. Maar hoe moesten ze daar komen? 'Majesteit', zei de dochter van de eerste minister tenslotte, 'ik zal het meisje gaan halen'.


De spreekster, die Erwtenbloesem heette, naar haar over-overgrootmoeder, zag er zo gracieus uit en ze liet haar hoofdje zo verontschuldigend hangen, dat de koningin meteen het volgende zei:


'Hoe ga je dat aanpakken, Erwtenbloesem?'
'Ik zal de weg voor haar openen en achter haar sluiten'.
'Ik heb vernomen dat jij dat op zeer verfijnde wijze kunt doen, dus mag je het proberen'.


Het hof bevond zich op een open plek in het woud die bedekt was met zacht gras. In het midden stak een molshoop omhoog. Net toen de koningin Erwtenbloesem toestemming had verleend, stak een kobold zijn hoofd door de molshoop omhoog en riep: 'Alstublieft majesteit, laat mij de jongen gaan halen'.


'Jij!' riep de koningin uit. 'Hoe wil je dat gaan doen?'
De kobold wrong zich uit de aarde alsof hij een slang was en de hele wereld zijn huid, waardoor hij het hof een lachstuip bezorgde. Zodra hij zichzelf had bevrijd, begon hij te rollen op elke mogelijke manier, zowel rechtop als cilindrisch, alles tegelijk, totdat hij het woud bereikte. De hovelingen volgden hem, krom van het lachen, zodat de koningin alleen op haar troon achterbleef.


Toen ze de rand van het woud hadden bereikt, was de kobold, wiens naam Paddenstoel was, verdwenen. Terwijl ze hem zochten, stak hij zijn hoofd weer uit de molshoop en sprak: 'Dus, majesteit'.


'Jij neemt de tijd om antwoord te geven', lachte de koningin. 'En ik doe het op mijn eigen manier, hé, majesteit?' grijnsde Paddenstoel.


'Absoluut. Goed, je mag het proberen'. En de kobold boog, voor zover dat mogelijk was met zijn nek half onder de grond en hij verdween.

Hoofdstuk II


Geen sterveling of elf kan je vertellen waar Elfenland begint of waar het eindigt. Maar ergens langs de grenzen van Elfenland lag een aardig dorpje waar aardige plattelanders woonden.


Alice was de dochter van de landjonker. Ze was een bekoorlijk, opgewekt meisje. Haar vrienden vonden dat ze op een elfje leek, maar anderen noemden haar onnozel.
Op een rooskleurige zomeravond - de muur tegenover haar raam was overdekt met rozen - wierp ze zich op haar bed en staarde ze naar de muur, tot ze alleen nog rozen zag en rozen haar gedachten kleurden en ze het gevoel had dat ze een sprookjesboek aan het lezen was. Ze dacht dat ze uitkeek over een westelijke zee, waarvan de golven rood gekleurd werden door de ondergaande zon. Maar toen de kleur was vervaagd, slaakte Alice een zucht, want nu keek ze weer naar een alledaagse muur. 'Ging de zon maar altijd onder!' zei ze zacht tegen zichzelf. 'Ik houd niet van grijze dingen'.
'Ik zal je meenemen naar een plaats waar de zon altijd ondergaat, als je dat wilt, Alice', zei een lief, zacht stemmetje naast haar. Ze keek omlaag naar de beddensprei en daar stond een lieflijk klein wezentje, dat naar haar op keek. Het leek heel gewoon dat het kleine vrouwtje daar stond; want veel dingen die we nooit zouden geloven, hoeven alleen maar te gebeuren, en dan is er niets vreemds meer aan. Ze had witte kleren aan en een cape met de kleur van een rode zonsondergang, de kleuren van de lieflijkste lathyrus. Op haar hoofdje droeg ze een kroon van gevlochten ranken, met een kleine gouden kever aan de voorkant.
'Bent u een elf?' vroeg Alice.


'Ja. Ga je met me mee naar de zonsondergang?'
'Ja, graag'.
Toen Alice opstond, bleek ze net zo groot als de elf te zijn en toen ze op de sprei stond, leek het hemelbed wel een grote zaal met een geschilderd plafond. Terwijl ze naar Erwtenbloesem toe liep, struikelde ze een paar keer over de kwastjes van de sprei. Maar de elf nam haar bij de hand en leidde haar naar het voeteneind. Lang voordat ze dit bereikten, zag Alice echter dat de elf een lange, slanke dame was en dat zijzelf haar normale grootte weer had. Wat zij voor kwastjes aan het voeteneind had gehouden, waren in werkelijkheid gaspeldoorns en bremstruiken en heide aan de andere kant van een helling.
'Waar zijn we?' vroeg Alice.
'We gaan voort', antwoordde de elf.


Dat antwoord stond Alice niet aan en ze zei:
'Ik wil naar huis'.
'Goed dan, vaarwel!' antwoordde de elf.
Alice keek om zich heen. Ze bevonden zich midden in een uitgestrekt heuvelland. Ze wist niet eens waar ze vandaan waren gekomen.
 'Ik begrijp het. Ik moet wel met u meegaan', zei ze.
Voordat ze onder aan de heuvel kwamen, liepen ze over het heerlijkste weidegras. Een klein beekje zonder bedding of oever klaterde naast hen omlaag. Het water liep tussen het groen door, de grassprieten bewogen als golven onder het water. En het kabbelde luid voor zo'n klein beekje met zo'n vlakke loop.
De helling werd geleidelijk aan minder steil en de beek stroomde kalmer en breder. Uiteindelijk kwamen ze aan bij een bos van lange, rechte populieren die uit het water groeiden, want de beek stroomde het bos in en vormde een meer. Alice dacht dat ze niet verder konden gaan, maar Erwtenbloesem leidde haar rechtdoor en ze liepen verder.


Het was nu donker, maar van onder het water kwam een zacht, kalm schijnsel. Hier en daar waren diepe poelen, maar er was geen modder en er waren ook geen kikkers, of waterhagedissen of alen. De bodem was alleen overdekt met heerlijk heldergroen gras. Aan de oevers van de poelen zag ze sleutelbloemen onder water, en viooltjes en rood guichelheil. Welke bloemen ze ook wilde zien, ze hoefde alleen te zoeken en dan zag ze ze al. Als ze op een poel stuitten, zwom de elf. Alice zwom naast haar en als ze uit het water kwamen, waren ze helemaal droog, hoewel het water heerlijk nat was, precies zoals het moest zijn. Er groeiden niet alleen bomen, maar ook grote, statige lelies, stokrozen, lissen en zwaardplanten en talloze andere langstelige bloemen. Van elk blad en bloemblaadje, vanaf elke twijg en rank druppelde helder water. Het verzamelde zich gestaag bij de punt, maar er waren zoveel punten dat er een constant gedruppel weerklonk, als muziek, als een diamanten regen op het stille meeroppervlak. Terwijl ze verdergingen, kwam de maan op. Een zacht, nevelig licht viel over het geheel en de diamanten druppels veranderden in half vloeibare parels en rond elke boomtop verscheen een krans van maanlicht en het water viel in slaap en de bloemen begonnen te dromen.


'Kijk', zei de elf, 'die lelies dromen zichzelf in een kinderslaap. Ik kan ze zien glimlachen. Dit is de plaats waar vandaan de dingen uit gaan die kinderen elke nacht zien'.
'Is dit... droomland?' vroeg Alice.
'Zo zou je het kunnen noemen', antwoordde de elf.
'Hoe ver ben ik nu van huis?'
'Hoe verder je gaat, hoe dichter je bij je thuis komt'.
Toen plukte de elfendame een bosje klaprozen en gaf dit aan Alice. Bij de volgende diepe poel moest ze de bloemen in het water gooien. Dat deed Alice en daarna legde ze haar hoofd erop. Op dat moment begon ze te zinken. Ze zonk dieper en dieper, totdat ze voelde dat ze op het lange dikke gras op de bodem van de poel lag, met de klaprozen onder haar hoofd en het heldere water hoog boven zich. Door het water zag ze het zuivere, slaperige gezicht van de maan, dat alleen werd verstoord door de rimpelingen die de druppels van de grote bloemen aan de oevers van de poel veroorzaakten.
Ze viel in een diepe slaap en droomde de hele nacht over thuis.

Vervolg Verkeerde bedoelingen, deel 2

 

 

 

Op dit artikel rusten auteursrechten.

 

Reacties (4) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ik had nog nooit van deze schrijver gehoord. Mooie vertaling!
Bedankt voor het delen
Hier geniet ik van! Yep, dit ga ik volgen. ☺
Deze sla ik alvast op bij mijn favorieten, mooi!
Mooi, dit ga ik volgen.