Ik, Illanipi, vrouw van Napayshini

Door LadyDi gepubliceerd op Wednesday 18 February 21:07

5269d51bdac422328c384f5e579b9993_medium.

Illanipi is de naam die mij bij mijn geboorte gegeven is.
Mijn moeder heb ik nooit gekend. Haar afbeelding staat in de grot der Groten geëtst; zij was een moedige vrouw. Toen ons dorp onverwacht aangevallen werd, was zij het die de pijl van onze vijand de Kiowa, opving, die voor Mahpia Ithica bestemd was. Ik was nog een ongeborende, maar ik kwam volgroeid uit haar gestorven lichaam ter wereld. Illanipi betekent ‘wonderbaarlijk’; een naam, die mij onlosmakend verbonden houdt met mijn moeder. Vaak ga ik naar de grot der Groten, om mijn eer aan haar te bewijzen.

Mahpia Ithica is ons opperhoofd.
Zijn naam betekent ‘groot leider’, een titel die hij verdiend ontvangen heeft na bewezen moed, tijdens de beestachtige aanvallen van de Kiowa op ons dorp. Onze grootste krijgers hebben gevochten voor de instandhouding van onze stam, waar de vrouwen en kinderen veelal slachtoffer werden. Wamblee (adelaar), Ohitekah (dapper), Napayshini (sterk en moedig) en Akecheta (krijger/vechter) staan hem bij met hun wijsheden in de Raadvuren, die gehouden worden bij alle moeilijkheden, met als doel om de Grote Geesten aan te roepen.

Wij, de Sioux, zijn een sterk volk.
De oorsprong van de oorlog waar wij ons in bevinden, stamt uit vele zomers terug. De naam van onze krijger Kangee (raaf of kraai) mag nooit meer genoemd worden. Hij liep over naar de Kiowa, na een mislukte poging om onze leider te worden. Het ‘kringgevecht in zand’ tegen Mahpia Ithica had hij verloren en uit wraak verraadde hij ons aan de Kiowa. Mijn moeders dood kleeft aan zijn vlees. Sinds de zomer van mijn geboorte wordt er dag en nacht over ons kamp gewaakt door onze grootste krijgers.

Wij, de Sioux, zijn ook hard. Straffen worden koelbloedig uitgevoerd, nadat het oordeel van de Grote Geesten is geveld. Respect, gezag, rituelen en tradities, zijn termen die inherent zijn aan ons volk.

796030e279b1f87b109ce136db7de582_medium.

Ik vertel u een verhaal; opdat het nooit verloren mag gaan.

Het was een nacht waarin de maan hoog stond.
Zijn volle verschijning liet de vele sterren onwaarschijnlijk sterk stralen. Beeltenissen van de Groten, die ons al hadden verlaten, fonkelden aan de hemel. Die nacht, vereerden wij hen, die ons de krachten gaven in het nu. Het kampvuur laaide hoog op en de dansers dansten hun dans, zoals nooit eerder ervoor. Grote schalen met bizonvlees gingen rond en de Takimi werd gulzig gedronken. Ook vierden wij de samensmeltingen van de mannen en vrouwen, die aan elkaar waren toebedeeld. De kracht van de Sioux is immers mede door die saamhorigheid zo sterk geworden. De krijgers rookten de  Kahnishpijp, om nader tot de Grote Geest te komen. Verering en dank werden uitgesproken door Mahpia Ithica. Pas toen de wolken de maan bedekten, werd het vuur gedoofd, en ging iedereen naar hun eigen Tipi. Bedwelmd door de krachten van de Kahnishpijp en het rijkelijk ingenomen Takimi, vielen de mannen neer in de armen van hun gewillig, toebedeelde vrouw.

0dda46973747d11d06233f862985d65e_medium.

Napayshini streelde mijn huid.
Nooit eerder ervoer ik de intensiteit zo heftig. Elke aanraking leek in mijn vlees te branden om een zaligmakend geurend litteken achter te laten. Ook zijn huid betaste ik, en het leek erop alsof ik het nooit eerder aangeraakt had. Fluweelzacht vlees vleide zich tegen mijn vingertoppen. Zijn hals beroerde ik met mijn tong en het aroma leek mij steeds verder weg te voeren, naar een eeuwigheid op een wilde rivier. Gulzig nam zijn mond mijn borsten tot hem, waardoor mijn tepels gloeiden als een fakkel in de duisternis. Kronkelend bewogen wij ons naar de hoogste gebergten, om daarna uitgeput neer te vallen in een verkoelend meer.

Mijn ogen waren gesloten, maar het ontging me niet dat hij bij de eerste zon de Tipi verliet. Een vreemd, angstig gevoel overmande mij. Of was het wantrouwen?

Teetonka, mijn rivale!
Haar naam deed haar geen eer aan, want deze luidde ‘praat teveel’.3283545d5837d2914274af8a9f9d5c31_medium.
Waarom had zij altijd van die lonkende ogen? Haar schoonheid was als die van een pasgeboren hert in het schijnsel van de zon, geschitterd onder de dampen van een neerstortende waterval.

Een pracht, waar je je ogen moeilijk van af kon wenden, zelfs voor de vrouwen in de stam. Haar borsten, die altijd als de meest zeldzame, rijpe vruchten, in de wind priemden, maakten velen van het vrouwvolk jaloers. Een dergelijke schoonheid kon ik wel accepteren, maar dat zij een duidelijke voorkeur had voor mijn Napayshini, kon ik haar nooit vergeven. Met haar scherpe tong had zij haar liefde voor hem uitgesproken. Ooit zou zij hem bezitten, of in ieder geval, hem mij ontnemen.

Ging hij naar háár Tipi?

Heel even wilde ik het afwachten.
Het kon toch niet zo zijn dat hij na zo’n nacht, die ons door de Grote Geesten gegeven was, bij haar zijn gerief ging halen? Had ik hem niet alles gegeven? Bood haar lichaam zoveel meer als het mijne? Mijn slechte gedachten zouden wellicht afkomstig zijn van de hoeveelheid verraderlijke Takimi die ik tot mij genomen had. Met een woest kloppend hart pakte ik de bizonhuiden op, om ze buiten uit te kloppen. Uiteraard hield ik haar Tipi in de gaten. Vreemde klanken ontsnapten uit haar Tipi en in mijn angst durfde ik nauwelijks een vergelijking te maken met de genotskreuntjes van mijn lieveling en mij, van de afgelopen nacht. Weer ging ik naar binnen, dit keer om mij te kleden. Ik zou hen confronteren met hun overspel, en het recht zou uitgesproken worden door de Raad. Mijn liefste Napayshini zou dan ook zijn lot moeten ondergaan, doch, een dergelijk verraad mocht ik niet toelaten. Als laatste sneed ik de huiden die te drogen lagen van hun spalk af en ik groette mijn trouwe valk, die mij altijd overal volgde.

Een luid geschreeuw ging door merg en been.
Al gauw was het hele dorp in rep en roer. Een van onze krijgers was aan de rand van het dorp, dood aangetroffen.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik, terwijl iedereen me aanstaarde.
Teetonka stapte op me af.
‘Zie hier, haar mes nog in haar handen! Zij heeft de keel doorgesneden van Napayshini!’ De keel doorgesneden? Is mijn lieveling dood? Het bloed gonsde door mijn oren en heel even dreigde ik te wankelen. Mijn liefste…
‘Wat jij, overspelige! Hij was net nog bij jou in jouw Tipi! Jij hebt hem de jouwe gemaakt en hem daarna gedood, zodat hij nooit meer van mij kan zijn!’
‘Hah! Jij jaloerse teef, jij hebt hem gedood uit jaloezie! Het bloed van deze krachtige krijger kleeft aan jouw handen!’
‘Nee!’

Ik wilde haar lange, zwarte haar uit haar kop trekken, zo hard, dat haar ogen tot spleetjes getrokken zouden worden. Ik zou haar vermorzelen onder mijn kracht, gehaald uit het immens groot verdriet van dit verlies, maar we werden uiteengetrokken door de mensen van het dorp.
Vastgebonden aan elk een paal, die in de volle zon stond, moesten we beiden afwachten wat het vonnis zou zijn. De Raad voegde zich bij elkaar en de Tipi van Mahpia Ithica werd gesloten. Tot diep in de nacht werd de Grote Geest om wijsheid gevraagd.

Mijn Napayshini was dood! Mijn grote liefde zou ik nooit meer in mijn armen voelen. Zij, de moordenares, mocht van mij eeuwig branden.
Versuft en uitgedroogd door de volle zon van de nieuwe dag, voelde ik opeens een schaduw over mij heen vallen.
‘Illanipi, heb jij je man gedood?’
De stem was onmiskenbaar die van Mahpia Ithica. Schor van de droogte fluisterde ik: ‘op het graf van mijn moeder, nee, ik heb mijn man niet gedood.’ De zon kwam weer terug in mijn gelaat en in de verte hoorde ik de vraag wederom gesteld worden, aan Teetonka. Ook zij ontkende.

Aan handen gebonden werden we aan de Raad voorgeleid.
‘Illanipi, Teetonka, de Grote Geest heeft ons geen sluitend antwoord gegeven wie van jullie de schuldige is. Het lot zal bepalen wie zal leven en wie zal sterven. De vrouw die onschuldig is, zal van elke blaam gezuiverd worden, en de schuldige zal de stam, zonder eten, drinken of wapens moeten verlaten, waardoor haar kans op overleven nihil zal zijn. Haar huid zal ingesmeerd worden met bloed, opdat de wolven haar snel zullen vinden. Het recht zal zegevieren in de kuilen van Zutsi. Zij, die bij het ochtendgloren bovenaan de rand is, zal de onschuldige zijn.’

3fcce1d89d3b27bbf3801bf4e2c2066e_medium.

De kuilen van Zutsi!
Slechts éénmaal was het iemand gelukt om omhoog te klimmen uit een kuil van Zutsi, en hij was een sterke krijger. Alle andere keren werden de tegenstanders beiden veroordeeld tot schuld, waarop de dood op een verschrikkelijke manier volgde. De twee naast elkaar gelegen kuilen zijn ongeveer twintig man diep en twee beenlengtes breed. Het is een raadsel hoe die krijger omhoog heeft weten te klimmen; gefluisterd wordt dat hij door de Grote Geest geholpen moet zijn geweest.

Oog in oog met Teetonka, staan we aan de rand van onze kuilen.
Waarom bekent ze niet? Waarom trekt ze mij mee in dit afschuwelijke relaas? Haar dood staat al vast, want zij is de schuldige. Onze ogen spuwen vuur.

Als eerste laten ze mij afdalen in de diepe kuil.
Ik heb een mes meegekregen en een buidel, gevuld met water. Haar lot zal hetzelfde zijn, als de takel weer bovenkomt. Naarmate ik dieper kom, wordt het kouder. De wanden bestudeer ik, en de gladheid, veroorzaakt door vocht, valt me op. Heel af en toe steekt een stuk rots uit, maar dit komt te weinig voor om als trap te dienen. Beneden gekomen, stap ik uit de takel, die meteen meer opgehesen wordt. Daar zit ik dan. Ik moet meteen met mijn gevecht beginnen om boven te komen, maar ik neem eerst een slok water om mijn schrale keel te smeren. Mijn mes haal ik uit de holster en met al de kracht die ik in mij heb, probeer ik deze tussen de stenen van de wand te zetten. Mijn voet zet ik iets hoger, om het mes er weer uit te halen en deze meteen hoger te plaatsen. Met mijn hand krijg ik geen goed houvast en mijn mes zit beklemd tussen de stenen in de wand, waardoor ik mijn voet weer lager moet plaatsen. Op deze manier gaat het me niet lukken. Wellicht moet ik eerst om mij heen gaten hakken, om mijn voeten in te plaatsen. In de kuil naast mij, verneem ik dat mijn rivale ook is aangekomen en waarschijnlijk hetzelfde aan het proberen is. Een hard gekreun van het neerkomen is hoorbaar.

Ik spreid mijn armen.
Met mijn vingertoppen raak ik beide zijden aan maar ik kan mij er niet tussenklemmen, om zodoende naar boven te klimmen. Ook mijn benen krijg ik niet ver genoeg uit elkaar om op deze manier boven te geraken. De kuil is een halve armlengte te breed.

Om mij heen hak ik vier gaten, om zodoende half horizontaal naar boven te komen. Mijn voeten zet ik in twee gaten, en met mijn handen houd ik me vast in de hoger gelegen twee gaten. Nu moet ik een derde, gat hakken om mijn voet in te verplaatsen. Weer val ik uitgeput naar beneden. Ik sta te uitgestrekt om genoeg kracht te kunnen zetten. De wand vertoont daarbij grote verschillen in gesteente. De ene keer is het broos en brokkelt het af, en de andere keer krijg ik er met mijn mes bijna geen opening in.
Ik ga zitten en ik voel dat het nog kouder wordt. De nacht is gevallen en het licht dat eerst nog tot in de helft van de kuil viel, maakt langzaam maar zeker plaats voor volledige duisternis. In de kuil naast mij hoor ik ook geen geluiden meer, die duiden op het hakken met een mes.

5a37b621779e509781261e6ed3954397_medium.

‘Hoor je mij?’ roep ik.
Heel even blijft het stil, tot ik een kort ‘ja’ hoor.
‘Waarom heb je niet bekend? Je hebt me mijn man al afgepakt, en nu sterven we beiden. Neem je verlies en sterf alleen!’
‘Ik heb het niet gedaan! Jij hebt je man gedood uit jaloezie!’
‘Nee, dat heb ik niet gedaan. Ik zag dat hij jouw Tipi in ging maar voor ik naar jullie toe zou komen, had je hem al vermoord, en hem een stuk weggesleept zodat je de schuld op mij kon schuiven.’
‘Dat is niet waar. Jawel, ik wilde hem verleiden en lokte hem naar mijn Tipi, maar hij duwde mij van zich af toen hij doorhad dat ik … nou ja, en toen is hij weg gegaan om op de uitkijk te gaan staan. Jij had dat natuurlijk gezien en je was ervan overtuigd dat hij en ik van elkaar hadden genoten. Jij bent toen achter hem aan gegaan om hem te doden. Ik hield van hem, ook al was hij niet de mijne!’
‘Ik hield van hem en hij was mijn man! Jij verdient het al om te sterven, omdat je hem wilde verleiden!’

Ik hoor dat ze verder gaat met hakken en ik volg het voorbeeld.
Er moet een manier zijn om boven te komen. Dit keer hak ik op andere plaatsen, in de hoop dat ik een gemakkelijker ondergrond tref, maar door het feit dat het aardedonker is geworden, weet ik niet meer wat ik doe. De huid op mijn vingers wordt steeds dunner, omdat ik me op probeer te trekken aan de wand en mijn voeten laat zoeken naar kleine inhammen. Tevergeefs, weer val ik uitgeput neer. De grond onder mij wordt steeds natter en de wanden worden gladder. De nacht zal lang gaan duren en niets positiefs brengen.

Wat nou als ze echt onschuldig is?
Is het mogelijk dat er een derde persoon in het spel is? Wie van de stam zou Napayshini willen doden? Wie zou er een reden hebben? Hij was heel geliefd onder het Siouxvolk omdat hij zijn moed al meerdere malen getoond had tijdens de aanvallen van de Kiowa.
Weer strek ik mijn armen uit en ik voel de beide zijden van de wand.

‘Teetonka!’
‘Ja, wat wil je?’ klinkt gesmoord uit de andere kuil.
‘Stel dat we beiden onschuldig zijn? Dat jij enkel schuldig bent aan verleiding?’ Het blijft stil. Zou ze ook bedenken dat dit een optie is?
‘Als wij hier beiden uitkomen, dan zijn we beiden onschuldig’, roep ik er nog achteraan.
‘Jij vertrouwt mij niet’, hoor ik een resolute stem zeggen. ‘En trouwens, wat dan nog? We komen nooit naar boven, dus we worden beiden schuldig verklaard!’
‘Als ik jou vertrouw, en jij mij, dan hebben we een kans. Samen kunnen we hier wel uitkomen namelijk.’
‘Hoe had je dat gedacht dan? Ik zit in mijn kuil en jij in de jouwe.’
‘We kunnen een groot gat naar elkaar hakken. Rug aan rug halen we de breedte van de kuil. Als de één naar beneden valt, dan valt de ander ook, omdat die dan de ruggensteun kwijt is. We moeten elkaar dus vertrouwen.’
‘Val dood!’
‘Jij ook!’

e004874c0019c8a5c218ac8a67ab9555_medium.

Ik zal sterven.
Morgen zal ik met bloed op mijn huid uit de stam gezet worden en verscheurd worden door de wolven. Mijn naam zal nooit meer genoemd worden en de Grote Geest zal zich niet om mij bekommeren. Nu ik het nog kan, kan ik beter het mes op mijn keel zetten, om er een einde aan te geven dat draaglijk is. Ik zal doodbloeden en in een roes mijn eeuwige slaap tegemoet gaan. Heel even voel ik nog met mijn hand over mijn buik. Zou de Grote Geest mij een zoon geboden hebben in de laatste nacht met mijn Napayshini? Ik hef mijn mes…

‘Illanipi!’
Ik schrik. Mijn mes had bijna uitgehaald.
‘Ja, wat wil je?’
‘Je hebt gelijk. We moeten elkaar vertrouwen.’

Heftig hakkend banen we een gang naar elkaar toe. Daar waar de wand broos is, hak ik tot het bloed me in de handen komt te staan. Het geluid van de messen komt steeds dichterbij.
‘Wacht’, zeg ik. ‘Straks steken we elkaar neer. We gaan nu om beurten hakken, ik begin.’ Ik voel dat ik een opening heb, en nu er eenmaal een gat is, laat het puin gemakkelijker los.
‘Ik neem het over’, hoor ik Teetonka zeggen.

Vermoeid rusten we even uit.
‘Het gat is nu groot genoeg. Kom jij in mijn kuil?’
Teetonka wurmt zich door het gat, en als ik haar voel, twijfel ik nog even of ik haar hals zal doorsnijden. Ook zij zal die gedachte hebben, maar beiden weten we, dat dit onze eigen dood zal betekenen.
We gaan rug aan rug staan. Met onze handen en voeten tasten we de wand af, terwijl we hard tegen elkaar aandrukken.
‘Kan ie? Eén, twee!’ en we zijn los van de vloer. Elke keer melden we het als we goed houvast hebben, en zodoende drukken we elkaar naar boven. Halverwege nemen we een moment rust, en strekken we onze benen horizontaal tegen de wand. ‘Kan ie weer? Eén, twee!’

Nahijgend, liggen we aan de rand van de kuil.
Aan de horizon verschijnen de eerste lichtstralen van de opkomende zon.
We kijken elkaar aan en we geloven oprecht in elkanders onschuld. Geen van beiden hebben we de gedachte om nu alsnog de ander terug te kuil in te werken. We leven nog en we zijn onschuldig!

Langzaam voelen we de aanwezigheid van de Raad, die daar al die tijd gewacht moeten hebben. Op het teken van Mahpia Ithica, pakt Akecheta het hoofd vast van Teetonka. Het mes flikkert in het zonlicht, als hij uithaalt, en haar lange, weelderige haardos in één beweging afsnijdt. Het hele dorp zal hiermee weten dat zij schuldig is wegens het aanzetten tot overspel. Zij zal, tot haar haar weer aangegroeid is, niet aangesproken worden.

Mijn valk daalt tussen ons neer.
In zijn snavel houdt hij een veer, waar een kraal aan bevestigd zit.
Een kraal van de Kiowa.

9ac08260eb7d29652482dd5133450cf1_medium.

 

Reacties (51) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Gelezen en beoordeeld!
Gelezen.
Wat fijn! :)
Gelezen.
Daar ben ik heel blij mee :)
echt prachtig geschreven
Dank je wel Lyra
Wow, alweer zo'n subliem verhaal. Hoe kan iemand dit evenaren ? Ben zelf volop nog aan het zwoegen met een hoop zinnen in de hoop er iets verhaal van te maken :)
In elk geval alweer knap geschreven !
Over dit verhaal heb ik twee dagen gedaan :)
- genoeg vrije tijd, dat heb ik mee

Ik ben benieuwd naar jouw verhaal.
Dank je voor je mooie reactie
Dit is wel een heel goed verhaal.
Dank je wel Anerea
Zit goed in elkaar en zeker... in deze krijgt ieder zijn gerechte straf. Jij waarschijnlijk wel een plaats op het ereschavot
Ik hoop het :)
Dank je wel Dora!