Thriller: volle maan

Door Nonnie gepubliceerd op Monday 19 January 16:44

7eaa35e616af34feeabf92412896a29d_medium.

Door de koude nacht loop ik naar huis. De maan toont haar volle gezicht en sterren fonkelen in een inktzwarte lucht. Een witte deken van vers gevallen sneeuw maakt van mijn vertrouwde stad een betoverend sprookjeslandschap. Diep adem ik de frisse lucht in. Deze stille wereld heeft een bijzonder rustgevend effect, want ik kan me niet herinneren me ooit zo vredig te hebben gevoeld, zo één met het universum.

Als ik de hoek om kom, zie ik dat ons huis het enige huis in de straat is waar nog licht brandt. De rest van de stad verkeert in diepe rust. Mams is natuurlijk weer opgebleven, want zoals ze zelf zegt, kan ze toch niet slapen voordat ik weer veilig thuis ben. In gedachten zie ik haar zitten in de leunstoel onder de schemerlamp met een dekentje over haar benen, haar leesbril op het puntje van haar neus en naast haar op het bijzettafeltje een vergeten kopje thee. En natuurlijk is ze toch in slaap gevallen, waarbij het boek dat ze aan het lezen was stilletjes van haar schoot op de grond is gegleden. Zodra ze dan de sleutel in het slot hoort, schrikt ze wakker en springt overeind om mij tegemoet te lopen, maar mij houdt ze niet voor de gek. Aan haar verwarde, grijze haar en haar minstens zo incoherente manier van doen kan ik zien dat ze zojuist is gestoord in haar slaap. Stiekem ben ik haar dankbaar dat ze er voor me is, ook op dit middernachtelijke tijdstip, zodat ik niet thuis hoef te komen in een koud en donker huis.

De snijdende kou van de wind gaat me door merg en been. Om warm te blijven stap ik stevig door, bijna thuis nu. Dan opeens blijf ik stokstijf staan. In de sneeuw ontwaar ik onder het zachte licht van een middeleeuwse lantaarnpaal kleine rode vlekjes. Bloed? Ik kijk naar mijn huis, dan naar de vlekjes, dan weer naar mijn huis en voor ik het in de gaten heb, heb ik me omgedraaid om meer vlekjes te zoeken. Mijn nieuwsgierigheid heeft de strijd gewonnen van mijn verlangen naar warmte. Onder de straatverlichting zijn de druppels makkelijk te vinden, maar op de maanverlichte stukken moet ik grondiger speuren naar de piepkleine gaatjes in de sneeuw. Gelukkig merk ik al snel dat de druppels in de sneeuw trouw worden begeleid door enorme voetafdrukken, die veel makkelijker te volgen zijn. En zo loop ik weer door het straatje waar ik zojuist vandaag kwam, waarna de stappen een smalle steeg in buigen. Ik aarzel voordat ik mijn tocht vervolg, want het is een erg donker gangetje. Het maanlicht beschijnt slechts de bovenkant van het hoge gebouw aan de linkerkant. De steeg zelf is geheel gehuld in duisternis. Er loopt een rilling langs mijn ruggengraat, die zowel de haren in mijn nek als die op mijn armen omhoog zet. Opeens strijkt er iets langs mijn benen. Van schrik spring ik opzij. ‘Miauw.’ De groene ogen van de zwarte kat kijken me recht aan met een blik waarmee ze zich lijkt te verontschuldigen voor de plotselinge aanval op mijn benen. Ik buk me om de kat een verzoenende aai over de kop te geven, maar voordat mijn hand beneden is, is ze met drie grote sprongen verzwolgen door de duisternis van de steeg.

Weer sta ik in dubio. Iets in mij verzet zich ertegen om de zwarte kat achterna te gaan de aardedonkere steeg in, waar honderden ogen me aanstaren vanuit het duister. Moet ik toegeven aan mijn weerstand en zo snel mogelijk mijn warme bed opzoeken of zet ik het avontuur door dat ik zo onbevangen ben aangegaan? Dan is het alsof een tedere hand op mijn schouder wordt gelegd, die me behulpzaam en met zachte dwang in de richting van de nauwe gang duwt. Ik hoor de wind fluisteren in mijn oor en door het wilde kloppen van mijn hart duurt het even voor ik de woorden kan ontcijferen: ‘Ga door. Vervolg je weg. Loop door. Ga, ga.’ De fluisterende stemmen worden steeds luider, zwellen aan tot orkaankracht. In een reflex duw ik mijn handen tegen mijn oren om het suizende geluid buiten te sluiten. Onbarmhartig rukt de wind aan mijn lichaam als zijn het duizend kleine handen, die mij hardhandig meetrekken. Achterin mijn keel heeft zich een vieze prop gevormd, die ik naarstig doorslik. De bittere nasmaak geeft me het gevoel dat ik elk moment kan gaan spugen. Dan zet ik de drie fatale stappen, die me middenin de steeg doen belanden, gedreven door een kracht sterker dan ikzelf. Terstond is de gewelddadige wind gaan liggen. Wat rest is de snijdende kou, die mij van alle kanten lijkt aan te vallen, venijniger dan voorheen. Een ijzige hand heeft mij in zijn greep. De nacht is grimmig, als een hellebeest dat uit een eeuwenlange slaap is gewekt. In de verte hoor ik zijn ketenen rammelen of is dat het klapperen van een tuinhek?

Genoeg!’ ‘roep ik mezelf tot de orde. Langzaam adem ik in en uit. De koude lucht vult mijn longen en brengt me weer bij mijn positieven. Mijn staccato hartslag vertraagt tot een tempo dat bijna normaal te noemen is. Is het de alcohol in mijn aderen die deze monsterlijke beelden oproept? Is het de eenzaamheid van deze stille nacht? Of de lugubere duisternis, waar mijn ogen nu langzaam aan beginnen te wennen? Er zijn hier geen beesten, geen ogen, geen stemmen. Slechts een steegje waar de maneschijn geen zeggenschap heeft. Het weinige licht dat de steeg te bieden heeft, wordt weerkaatst door de witte sneeuw, net genoeg om te zien waar de voetstappen heen gaan. Het is te donker om nog te zien of er bloedsporen zijn. Als vanzelf plaats ik mijn voeten in de afdrukken die er al staan. Langzaam, maar gestaag loop ik dieper de steeg in. Dan hoor ik een doordringende schreeuw, die de nacht in stukken lijkt te scheuren. Even staat mijn hart stil, dan adem ik weer langzaam uit. Een vogel, vertel ik mezelf. Ik laat me niet meer van mijn à propos brengen, maar speur geconcentreerd verder naar de volgende afdruk waar ik mijn veel kleinere voeten in plaats. Halverwege de steeg blijf ik als versteend staan. Daar, onder die donkere struiken ligt een schaduw. Mijn ogen moeten zich tot het uiterste inspannen om de contouren te onderscheiden. Het lijkt het lichaam van een vrouw. Doodstil ligt ze. Slaapt ze? Is ze gewond, dood? Heeft ze hulp nodig? Voorzichtig en op mijn hoede nader ik de bewegingloze gestalte. Als ik haar op enkele meters genaderd ben, hoor ik opeens voetstappen in de krakend verse sneeuw. In paniek kijk ik om me heen op zoek naar een plek om me te verbergen. Er is geen tijd te verliezen. Op mijn tenen sluip ik naar de manshoge bloembakken, die in de schaduw van een portiek staan en neem plaats achter de achterste. Met ingehouden adem wacht ik op wat komen gaat. Dan verschijnt aan de andere kant van de nauwe gang een schaduw, die even blijft staan en om zich heen kijkt voordat hij de steeg in loopt. Ik durf niet te bewegen of te kijken, maar luister hoe passen in de knerpende sneeuw steeds naderbij komen. Dan stopt het geluid, de stilte akeliger dan het geluid.

Opeens gaat een lampje aan in de steeg. Vlak boven mij twee huizen verderop is iemand bezig in de badkamer, waarvan het raampje een groenachtig spooklicht werpt in de smalle steeg. Snel trek ik me terug in de schaduw van mijn schuilplaats. Waar zit de andere schaduw? Waar is hij gebleven? Bevindt hij zich in de buurt? Zit hij gehurkt bij de struiken naast het levenloze lichaam? Heeft de slungelige verschijning überhaupt te maken met het lichaam of is het gewoon één van de bewoners van de steeg? Ik overweeg om de aandacht te trekken van degene in de badkamer door steentjes tegen het raam te gooien. Zou hij of zij reageren, uit het raam kijken? En dan? Ik besluit het niet te doen.

Steeds meer krijg ik het gevoel dat twee gloeiende ogen naar me staren in het donker, maar als ik nog meer mijn adem inhoud val ik terplekke dood neer, ben ik bang. Voorzichtig en geluidloos laat ik mijn adem ontsnappen door getuite lippen en herhaal dit enkele malen. Ik moet het koppie er wel bij houden. Een eeuwigheid later dooft het groene licht en is de steeg weer gehuld in duisternis. Koortsachtig probeer ik mijn ogen te laten wennen aan het donker, een kwestie van zien voordat je gezien wordt. Het blijft lange tijd stil. Achter de lege bloembak zit ik roerloos te wachten. Dan klinkt opeens het bekende geluid van knisperende sneeuw. Voorzichtig spiek ik langs de bloembak. De slungelige man zit op één knie naast de liggende gestalte met zijn rug naar mij toe. Hij schuift een laken onder haar lichaam en rolt haar erin. Dan haalt hij een touwtje uit zijn zak en bindt haar voeten samen. Een tweede touwtje gaat rond haar middel en het laatste rond haar hals. Ze is dood, ik weet het nu zeker. Er is niks meer wat ik voor haar kan doen.

Met een zwaai gooit hij haar lichaam over zijn linkerschouder en staat op. Hij komt mijn richting op. Pas nu valt het me op dat hij een beetje trekt met zijn linker been. In een flits schiet een herinnering door me heen, de lange slungelige jongen op het verjaarsfeest van Karen, een vriend van een vriend, zoals ze zei, trok ook zo met zijn linker been. Het hele feest had ik nog geen drie woorden met hem gewisseld en toch vroeg hij of hij me thuis mocht brengen. Natuurlijk had ik vriendelijk, maar beslist geweigerd en gezegd dat ik bij Anneke achterop ging. En zo geschiedde. Anneke woont nog geen 200 meter bij me vandaan en omdat het zo’n mooie, sprookjesachtige nacht was had ik besloten het laatste eindje naar huis te lopen.

De lange slungel loopt vlak langs me heen met het vrachtje op zijn rug en ik draai voorzichtig rond de bloembak, zodat hij me niet ziet. Als hij bijna voorbij de laatste bloembak is, valt het laken open, waardoor ik het gezicht van het dode meisje opeens haarscherp zie. Er gaat een schok door me heen, want dat meisje, dat ben ik.

 

Meer Nonnie?
http://www.nonniegelezen.nl

Reacties (31) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Gelezen en beoordeeld.
Mooi verhaal alweer.
Dank je wel, Gymbo.
Gelezen
Heerlijke verhaal Nonnie met een super einde!
Dank je wel, Ingrid.
superthriller !
Dank je wel, Lyra.
prachtig verhaal erg spannend
Dank je wel, Vandollum.
Geweldig!
Dank je wel, Yneke.