WILCO

Door Cees Geluk gepubliceerd op Monday 19 January 00:16

Het is nacht. Wilco ligt wakker. Hij kan de slaap niet vatten. Voor de zoveelste keer draait hij zich om. De monochrome cijfertjes van de wekker vertellen hem dat het 03:44 is. En om half zes zullen de irritante piepjes hem weer dwingen aan een nieuwe werkdag te beginnen. Een werkdag waar hij totaal geen zin in heeft. Hij draait zich op de rug. Slapen zal er toch wel niet meer van komen. Zelfs in het halfduister weet hij de scheurtjes in het plafond te vinden. Hij probeert ze te volgen, te tellen, maar daarvoor is het weer net te donker. Hij sluit zijn ogen, hij krijgt hoofdpijn van het getuur. ‘Slaap je niet, dan rust je toch,’ heeft zijn moeder hem altijd voorgehouden. Dus blijft hij, rustig ademend, stil liggen.

Op het schoolplein is het druk en toch georganiseerd. Ieder leerjaar heeft zijn eigen ‘hangplek’. Het is een ongeschreven toewijzing die jaar op jaar door opeenvolgende generaties leerlingen aan elkaar wordt doorgegeven en waarvan niemand het waagt af te wijken. De brugpiepers staan het dichtst bij de hoofdingang. De hoogste jaren, 5 en 6 VWO, staan verder weg. Officieel staan ze nog wel op het terrein van de school, maar in hun beleving staan ze op de grens van het schoolplein en de openbare weg. Zo drukken vooral de examenkandidaten uit dat ze eigenlijk de band met de school aan het verbreken zijn, aan het vervangen door een band met de grote, de èchte maatschappij. Ze staan bovendien ver genoeg van de ogen van de leerkrachten verwijderd om zonder al te veel scrupules te kunnen roken, hetzij sigaretten, hetzij iets anders. Juist dáárom is deze plaats zo plezierig: tegen de tijd dat een leraar de afstand vanaf de docentenkamer heeft overbrugd, is een joint allang verdwenen.

Er wordt druk gediscussieerd. Dat is logisch, omdat het uur na deze kleine pauze maatschappijleer gaat zijn, en dat ervóór wis- schei- of natuurkunde was. Er wordt gelachen. Omdat dit het examenjaar is, zijn de onderwerpen van de les maatschappijleer niet al te zwaar. Er hoeft sowieso niets geleerd te worden, reden voor de klas om de leerkracht eens flink de maat te nemen. Van een afstandje hoort Wilco het aan. Hij weet waar ze het over hebben. De leraar maatschappijleer loopt wat moeilijk: zijn ene been is door een mislukte medische ingreep anderhalve centimeter korter dan het andere. Daarnaast heeft hij zulke slechte ogen dat er, op zijn toch al sterke bril, hulplenzen nodig zijn om te kunnen lezen. En zelfs dan lukt het alleen als hij het papier ongeveer tegen de bril aanhoudt. ‘Bril met hulpmotor’ is een vaak gehoorde grap. Maar ook ‘Jan-Janus van Hobbeldonk’ als het gaat om de manier van lopen.

Wilco kent al die grappen maar hij doet er niet aan mee. Dat ligt niet in zijn aard. Misschien zou hij er wel aan mee hebben gedaan als hij ooit toegelaten zou zijn geweest tot wat hij voor zichzelf de ‘in-crowd’ heeft genoemd: de groep populaire, er goed uitziende, succesvolle jongens en meiden die iedere hoogste klas wel heeft. Wilco is een ‘outcast’. Alles aan hem is volgens de ‘in-crowd’ verkeerd en lachwekkend. Hij heeft de verkeerde achternaam. ‘Naaktgeboren’, da’s lachen, gieren, brullen, toch? Hij heeft het verkeerde kapsel, omdat zijn ouders, Gereformeerd als ze zijn, van hem willen dat hij met een net, kortgeknipt hoofd door het leven gaat. Dat ‘beatle-haar’ moeten ze niet. En de ‘in-crowd’ geniet: ‘Hé Wilco, andere bloempot thuis?’ Hij draagt de verkeerde kleren. Zijn ouders hebben het geld niet voor kleding van het juiste merk. Voor de ‘in-crowd’ aanleiding om te vragen of zijn familie wel genoeg jute zakken in voorraad heeft. Hij is niet sportief, nooit geweest ook. Hij leest en schrijft liever. Dat maakt hem in de uren gymnastiek altijd het doelwit. De klasgenoten die in hun vrije tijd voetballen zorgen er altijd voor dat hij de bal krijgt. Die weet hij dan wel weg te schoppen maar dan steeds in een andere richting dan hij bedoelde. ‘Schuine drop in je schoenen, Wil?’ Dat is wat hij dan hoort. Nee, Wilco is al vanaf de basisschool een aanleiding voor spot en hilariteit, zeker niet iemand om tot de ‘in-crowd’ toegelaten te worden. En dus staat hij op afstand en ergert zich aan het gegiechel.

Wilco schiet wakker. ‘04:22,’ zeggen de cijfertjes van de wekker. Hij heeft kennelijk toch geslapen. Dat gaat hem voor de rest van de nacht vast niet meer lukken. Heeft ook geen zin, het is maar krap meer dan een uur voor de wekker zal gaan. Hij knipt het nachtlampje aan, voorzichtig om zijn vrouw niet wakker te maken, en staart in het vale schemerlicht naar de muur met de structuurverf. Bergen en dalen in diverse gelige schakeringen. In zijn hoofd draait hij de laatste maanden af. Een halfjaar geleden was hij dolblij geweest. De afdeling waar hij werkte, had een reorganisatie doorgemaakt en hij had die overleefd. Opgelucht had hij zijn Helena gebeld. Blij en opgelucht, want de hypotheek voor hun pas gekochte huis was voorlopig weer betaalbaar. Kort daarna was hij erover ingelicht wat zijn nieuwe positie op de afdeling zou worden. Hij zou in rang slechts één plaatsje onderdoen voor de teammanager. Dat had hem hoopvol gestemd. Misschien dat nu eindelijk eens zijn ambitie vervuld zou worden. Onder begeleiding van de teammanager zou hij willen doorgroeien naar iets moois, misschien zelfs iets leidinggevends voor hemzelf, een eigen team. In ieder geval zou hij in dit team de ‘second in command’ kunnen worden, ‘bootsman’ op het schip waarvan de teammanager ‘kapitein’ zou zijn.

Het is allemaal anders gegaan. Drie maanden nadat de nieuwe teams waren geformeerd, kwam Fatima. Fatima heeft in het verleden al eerder coördinerende rollen gespeeld. En vanuit dat verleden is dat voor haar volkomen natuurlijk geworden. Veel natuurlijker dan voor hem. Zij doet voortvarend dingen op die hij eigenlijk had willen doen. Had willen kunnen doen. Ze heeft toegang tot programma’s en toepassingen die haar in staat stellen zo te opereren. Toegang die hij ook had willen hebben maar die hij nooit heeft gehad. Nooit heeft gevraagd ook, omdat hij simpelweg niet wist wat hij moest doen, kon doen. Een gebrek aan begeleiding. En de rest van de leidinggevenden van de afdeling komen als vanzelf naar háár als het erom gaat te overleggen over het beleid van het team zelf of van het team als onderdeel van de afdeling als geheel. Zijn leidinggevende heeft hem kortgeleden wel toegang gegeven tot een toepassing, maar zo langzamerhand voelt dat aan als liefdadigheid, als een bot dat je een bedelende hond toewerpt: ‘Ach, Wilco moet óók wat interessants te doen hebben…’.

Nu begrijpt hij waarom hij zojuist gedroomd heeft wat hij gedroomd heeft: ondanks dat het schoolplein al meer dan veertig jaar achter hem ligt, behoort hij nog steeds niet tot de ‘in-crowd’, tot de groep populaire, mooie en succesvolle mannen en vrouwen die deze afdeling en dit bedrijf bevolken. De instelling die hem in zijn jeugd de pesterijen en plagerijen heeft doen overleven, speelt hem nog steeds parten. Liever dan voor zichzelf op te komen, kruipt hij in zijn schulp. Om de lieve vrede te bewaren. Zijn chef heeft hem wel eens gezegd dat hij het ‘gewoon’ moet doen, ‘gewoon’ zijn rol moet pakken. ‘After all,’ zei hij, ‘wat is het ergste dat er kan gebeuren?’ Het ergste? Dat hij in dit team helemaal geen leven meer heeft, weet Wilco. Hij heeft dik veertig, zo niet vijftig jaar ervaring met de ‘in-crowd’. En een hond leert snel.

Wilco draait zich op zijn andere zij, kijkt naar Helena, de enige die hem wèl heeft geaccepteerd voor wie hij is. Voor haar maakte zijn achternaam niet uit, ze heeft die in alle liefde door het huwelijk aangenomen. Zijn bril en kapsel heeft ze geaccepteerd. Om zijn kleren heeft ze wel gelachen, maar dan in zichzelf. En dat vertelde ze schuldbewust en verontschuldigend toen ze al getrouwd en gelukkig waren en hij zijn eigen kleding kon kopen. Hij denkt ook aan zijn kinderen. Twee meiden, een tweeling. Voor Helena, Sharon en Cathryn houdt hij het allemaal vol. Voor hen zal hij straks, als de wekker gaat, zijn bed weer uitkomen en zich naar zijn werkgever slepen. Voor hen zal hij accepteren dat iemand die qua rang een stapje lager staat dan hij, doet wat hij eigenlijk zijn werk vindt. Omdat hij niet bij de ‘in-crowd’ hoort. ‘Second in command’? Hij ziet dat niet meer gebeuren, zijn ambitie is gebroken, weg. Maar hij houdt het vol, hij accepteert het. Simpelweg omdat hij niet anders kan.

Hij heeft wel een droom, natuurlijk wel. Maar die is zó ver weg en de verwezenlijking daarvan duurt zó lang dat hij daaraan op zijn leeftijd niet meer durft te denken. Al vanaf zijn vroegste jeugd heeft hij interesse gehad in lezen, maar vooral in schrijven. En altijd al zijn er ook mensen geweest die hem vertelden dat hij het best goed kon, dat hij er vooral mee door moest gaan. Ook de docente van de schriftelijke schrijfcursus die hij kortgeleden afrondde (met een gemiddeld cijfer van 8,4) liet hem dat na iedere les weten. Maar zijn ‘publiek’ was, op de docente na, familie en dus bevooroordeeld. En de docente? Ach, die wilde natuurlijk dat hij de lessen bleef bestellen, bleef volgen. Een echt ‘publiek’, dat er geen belang bij heeft om hem de hemel in te prijzen, heeft hij nooit gekend. Omdat hij in het verleden nooit tot de ‘in-crowd’ heeft behoord, durfde hij niet te geloven dat hij werkelijk talent zou kunnen hebben. Niet te geloven dat hij talent heeft. Niet te…

De wekker gilt het uit: ‘05:30!!’ Wilco schrikt wakker. Toch nog iets geslapen, blijkbaar. Hij wrijft zich de ogen. Ze voelen branderig, hij heeft slecht geslapen. Hij gooit het dekbed van zich af. Het is fris, buiten motsneeuwt het. Het maakt niet uit, hij moet er toch door, zijn werk wacht. Na de douche en het ontbijt stapt hij, als altijd, om 07:25 in de tram, op weg naar zijn kantoor, zijn bureau, zijn werk. Het zal er allemaal nog zijn, er zal niets veranderd zijn. Fatima zal er ook zijn en ze zal doen wat ze al drie maanden doet: dat wat hij zo graag zou doen. Maar hij zal zwijgen. Dit moet hij nog tien jaar zo vol zien te houden, dan heeft hij pensioen. Misschien dat hij dan het schrijven weer op kan pakken, dat hij nog eens kan testen of hij nu werkelijk talent heeft. Die gedachte houdt hem nauwelijks op de been maar het is het enige houvast dat hij heeft. Als Wilco plaatsneemt op één van de weinige nog beschikbare plekken in de tram branden zijn ogen nog steeds. Hij slikt de tranen weg, net als destijds op het schoolplein. De ‘in-crowd’, de populaire jongens en meiden, mogen niet zien dat hij geknakt is, dat ze uiteindelijk toch gewonnen hebben…

© Cees Geluk, jan. 2015

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
wat op een prachtige manier is dit geschreven, de liefde voor hen die weten te accepteren wie iemand is, de populaire mensen die blijkbaar voorrang krijgen, om welke reden dan ook, dromen over iets terwijl de "in-crowd" je geknakt heeft door de jaren heen...en gewoon doen wat je hoort te doen, werken, hypotheek betalen en houden van je gezin. Zwijgzaam tolereren hoe je behandelt wordt....En dan je naam eronder..Cees Geluk.

Prachtig geschreven artikel, graag gelezen.