De andere kant

Door Natuursmurf gepubliceerd op Wednesday 07 January 20:38

Daar zit ik dan: midden op de Stille Oceaan. Een veredeld roeibootje is het enige wat mij scheidt van het oneindige blauw. Ik draai mijn hoofd naar alle windrichtingen, maar er is niets anders te bekennen dan water zo ver het oog reikt.
Hoe ben ik hier gekomen? Een brief in een fles. Aangespoeld bij Hoek van Holland en later met de post doorgestuurd. Een uitnodiging van mijn neef Augustus die ik nauwelijks ken, rukte me uit mijn saaie leventje.  Hij kwam met een belofte: een betoverend eiland, een prachtige bruiloft en ik als gelukkige getuige. Het enige wat ik mee hoefde te nemen was een paar goede wandelschoenen, een jute zak en paracetamol.
Ik had genoeg vakantiedagen over, het avontuur lonkte en dus gaf ik toe aan mijn verlangens.
Bestemming: Quatscholonië, aan de andere kant.
De andere kant van wat? Daar moest, nee wilde ik achter komen en dus pakte ik mijn koffer en vertrok naar de andere kant. Eerst met het vliegtuig richting Polynesië. Het werd me al snel duidelijk dat ik naar een vrij onbekend eiland op zoek moest. Ergens in de buurt van de Cookeilanden vond ik een gids die mij verder kon helpen. We huurden een boot of iets wat daarvoor door kon gaan maar na twaalf dagen lijken we nog nergens te zijn. Het eten en drinken is op en ik vraag me af of ik hier ooit nog levend vandaan kom.

8c091b88ef32cfc6bef35ebed6ad42c7_medium.

Ik voel een hand op mijn schouder.
‘Meneer, het is zover.’
‘Wat?’
‘We gaan omkiepen,’ zegt mijn gids doodleuk alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Ik kijk hem verschrikt aan. ‘Is er iets mis dan?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘We moeten omkiepen. Dat is de enige manier om in Quatscholonië te komen. Om aan de andere kant te komen,’ verduidelijkt hij.
Hij haalt een paar leren riemen tevoorschijn waarmee we onszelf aan de boot vastsnoeren.
Na een paar keer flink schommelen, draaien we in één soepele beweging om.
Ik neem een flinke teug lucht als de boot omkiept. Met wijd open ogen kijk ik door het heldere water richting de bodem. Hoe lang gaat dit duren? Ik kan niet eeuwig mijn adem inhouden.
Opeens zie ik de horizon verschuiven. Hemel en aarde (water in dit geval) lijken van plaats te verwisselen. Voor ik het weet zit ik weer rechtop in de boot. Ik hap naar adem en laat mezelf langzaam tot rust komen. ‘Is het gelukt?’ vraag ik de man tegenover mij.
Hij grijnst en wijst. Ik draai me om. Tussen flarden mist doemt een donkere schaduw op. Ik scherp mijn blik terwijl de zon net op dat moment tussen de wolken door haar licht voor ons uit werpt. Een eiland met hoge klippen rijst uit het water.

Met de wind in de rug bereiken we binnen een kwartier het strand. Opgewonden spring ik uit de boot en laat me voorover op het glinsterende zand vallen. Ik rol op mijn rug en sluit genietend mijn ogen. Uren lig ik voor mijn gevoel te sluimeren tot een overvliegende meeuw mij doet ontwaken. Ik kijk naar het water maar de boot is weg. Ik lig hier helemaal alleen. Ik kom overeind en in de verte ontwaar ik een schim. Geduldig wacht ik tot hij voor me staat. Ik herken hem niet direct, maar zijn stem klinkt vertrouwd. Hij schudt me hartelijk de hand.
‘Fijn dat je kon komen kerel. Welkom in Quatscholonië.’
‘Het was niet makkelijk te vinden,’ mompel ik. ‘Ik dacht trouwens dat je langer was.’
Hij negeert mijn opmerking en gaat me voor naar het dorp van zijn aanstaande. Het is bijna vier uur lopen en het landschap veranderd langzaam in een barre woestenij. Geen wuivende palmen, weelderige bossen of betoverende oases te bekennen.
Het dorp ligt verborgen in de glooiing van een hoge berg. Er groeit weinig. Wat grassen, struiken en een enkele Acacia.
We worden uitbundig onthaald en ik kijk mijn ogen uit. Heel even denk ik nog dat ik in Smurfenland ben beland, maar het zijn gewoon hele kleine mensen. Pygmeeën vallen bijna in de categorie reuzen vergeleken met dit volk.
Wat de Quatscholoniërs aan lengte missen, maken ze ruimschoots goed aan breedte. Ik kan er verder weinig appetijtelijks aan toevoegen. Hun gezichtskleur en verder hun hele huid valt nog het best te omschrijven als ziekelijk geelbruin. Ze hebben nog het meeste weg van een uitgedroogde, verschrompelde appel op pootjes. Het valt me nog mee dat er een vorm van klederdracht is ook al is die behoorlijk pover te noemen. Het is niet veel meer dan een jute zak op maat gemaakt.

Uit een kleine hut komt een nog kleiner vrouwtje aanhobbelen. Ze is werkelijk afzichtelijk.
‘Dit is ze dan. Mijn verloofde Baf.’
Mijn oren klapperen. Mijn ogen doen pijn. ‘Je had altijd al een aparte smaak beste neef, maar wil je echt gaan trouwen met dat mens?’
Hij knikt bevestigend.
‘Je bent hartstikke gek! Een aardappel ziet er nog aantrekkelijker uit.’
Mijn neef haalt berustend zijn schouders op. ‘Ik kan niet anders,’ zegt hij. ‘Ik ben gestrikt.’
De ware betekenis van die woorden ontgingen mij op dat moment. Daar zou ik later pas achter komen. Toen het veel te laat was.

Bij het avondeten dat trouwens weinig meer is dan een bordje modderige pap, maak ik kennis met Bof, de zus van Baf. Ze is een robuuste vrouw met een duidelijk uitgesproken mening. Ze werpt me af en toe van die hongerige blikken toe waarvan ik niet zeker ben of ze me wil opeten of gewoon nieuwsgierig is.
Het Quatscholonisch is een taal die nog het meeste weg heeft van het opgewonden geblaf van een hond. De vrouwen laten zich luidruchtig horen terwijl de mannen vooral een teruggetrokken bestaan lijken te leven. Het is vrij duidelijk wie hier de jute broek aan heeft.
Na het eten wordt mij een lemen hut gewezen waarin ik de nacht mag doorbrengen. Op mijn zij, met mijn knieën opgetrokken tot mijn borst, pas ik er net in.
De volgende dag stap ik zuchtend uit bed. Vermoeid strek ik mijn opgevouwen ledematen. Uit een put tap ik wat modderig water waarin ik me provisorisch was. Ik neem me voor om - zodra de mogelijkheid zich voordoet - snel de benen te nemen.

Opeens schrik ik van een schrapend geluid. Ik slaak een kreet van pijn als een hand me bij de haren pakt en me letterlijk over de grond sleept. Uit alle macht probeer ik me los te rukken, maar dat zorgt er voor dat de greep zich nog meer verstevigd.
In een flits zie ik mijn neef voor zijn hut staan. ‘Help me!’ roep ik hem toe.
‘Sorry maat, ik kan je niet helpen.’
Met alle kracht die ik in me heb, geef ik een flinke ruk en heel even ben ik vrij. Achter me staat Bof met een pluk van mijn haar in haar handen. Geschrokken staar ik haar aan, maar ze kijkt heel kalm terug. Ik hoor iets van “Woef” en dan grijpt ze me weer beet.
‘Wat gebeurd er allemaal?’
Op de achtergrond hoor ik mijn neef zeggen: ‘Ze probeert je te strikken. Als ze de grot in de kloof hierachter bereikt, ben je gestrikt. Dan is er geen weg meer terug.’
Zonder dat ik er nog iets aan kan doen word ik weggesleept. Ik kan het gewoon niet geloven.
Eenmaal in de grot probeer ik er zo snel mogelijk vandoor te gaan. Verder dan die gedachte kom ik niet. Het duurt uren voor ik weer bijkom. Met een van pijn vertrokken gezicht voel ik aan de gigantische bult die uit mijn achterhoofd puilt.
‘Tja, dat heb je aan jezelf te danken,’ hoor ik Augustus zeggen.
Ik kijk hem vragend aan.
‘Mannen die niet meewerken worden geknotst.’
‘Mooi is dat!’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Waarom heb je me eigenlijk uitgenodigd?’
‘Herinner je nog dat geintje wat je vroeger met me heb uitgehaald?’
‘Waar heb je het over?’
‘Die 1 april grap waardoor ik voor gek stond voor de hele familie.’ Augustus wijst naar zijn hoofd. ‘Ik vergeet nooit wat.’
‘Je bent gek!’ vuur ik hem toe. ‘Knotsknettergek!’
‘Dat zal best, maar je staat morgen mooi naast me voor het altaar. Ik spoelde hier vorig jaar aan na een schipbreuk en werd gedwongen te trouwen met Baf en jij doet vanaf nu lekker mee.’
Hij loopt breed grijnzend weg. Ik wil hem achterna lopen, maar voor de grot zie ik Bof staan met een grote knots in haar hand. Dit is een nachtmerrie. Een afgrijselijke nachtmerrie.

’s Middags blijken ze nog een andere verrassing voor mij in petto te hebben. Ik word bij de dorpsoudste gebracht die tevens moet doorgaan voor medicijnman. Hij kent zelfs nog een paar Nederlandse woorden: ‘Ik jou beter maken,’ zegt hij mij.
Ik heb geen idee waar hij het over heeft, maar ik word weer geknotst en als ik bijkom, ben ik ineens een heel stuk korter. Ik schrik me een hoedje.
‘Ze hebben je op maat gemaakt,’ zegt mijn neef. ‘Er is een stukje af.’
‘Een stukje? Ik ben minder dan de helft van wat ik geweest ben!’ roep ik hysterisch uit.
‘Het hoort er allemaal bij,’ krijg ik als antwoord.
‘Maar ik wil er helemaal niet bij!’
Een nieuwe ontsnappingspoging wordt ogenblikkelijk verijdeld. Ik begin inmiddels op een veelbultige kameel te lijken. Nu weet ik waarom ik paracetamol moest meenemen.

Het is weer avond geworden. Morgen is de bruiloft waar ik uiteraard weinig naar uit kijk. Dit is mijn laatste kans om ertussenuit te knijpen. Ik doe net of ik slaap wat een behoorlijk zware opgave is gezien de afschuwelijk jeukende jute hobbezak waarin ik lig die ik dag en nacht behoor te dragen. Eindelijk is het stil. Op mijn kousenvoeten sluip ik het dorp uit en probeer onder het licht van de sterren het strand weer terug te vinden. Het kost me uiteindelijk dubbel zo lang als op de heenweg. Ook niet zo verwonderlijk, op mijn korte beentjes. Ik ben uitgeput en val hijgend neer op het koele zand. Ik gun mezelf vijf minuten rust. Aan de horizon begint het reeds te dagen. Ik krabbel overeind en strompel langs de vloedlijn. Wat moet ik zonder boot beginnen? Maar ik moet het proberen. Steeds verder loop ik de zee in en niet lang daarna neemt de schoolslag het over. Ik concentreer me op mijn ademhaling en als ik na een tijdje heel even durf op te kijken, neemt mijn hartslag direct het ritme over. Heel in de verte zie ik de vage contouren van een eiland. Ondanks mijn pijnlijke armspieren ga ik over in een borstcrawl.
Dodelijk vermoeid kruip ik aan land. Ik slaak een zachte overwinningskreet en verlies het bewustzijn.
Als ik weer wakker word vraag ik me direct af of ik droom. Ik lig op een divan in een schitterend park omgeven door weelderige wouden, watervallen en prachtige tempels die in het ochtendlicht tussen de bergen en valleien een adembenemend schouwspel bieden.
Een dame in een hemelsblauw gewaad schrijd op me toe. Haar lange donkere haren omkransen haar beeldschone gezicht en nu probeer ik mezelf te overtuigen dat ik in de hemel ben beland.
Toch maar voor de zekerheid even vragen. ‘Waar ben ik?’
‘Aan de andere kant,’ krijg ik als antwoord.
‘Toch niet weer in Quatscholonië?’
‘Er is maar één eiland aan de andere kant, maar dat eiland heeft ook een andere kant. Je hebt Quatscholonië reeds ervaren. Deze kant noemen wij Atlantis.’

507ae88fba178b661e52b96e25282a24_medium.

Op dat moment ervaar ik een levensvreugde die ik voel tintelen in mijn hele wezen. ‘Wat een geluk!’ roep ik uit. ‘Wat een hemelsmooi geluk.’ Uitgelaten huppel ik als een kind door de vele kleurrijke bloemenvelden, speel met vrolijke vlinders een prachtig spel terwijl ik me vergaap aan vele vergezichten en zweef op wolkjes vol…

Mijn hoofd is een supernova geworden. Ik probeer tussen de sterren door te zien, maar het is gewoon teveel. Ik word overspoeld door een zondvloed van onsamenhangende gedachten en stemmen en tenslotte niets. Een vredige stilte reikt naar boven en ik open mijn ogen.
‘Ha, je leeft nog,’ hoor ik mijn neef zeggen. ‘Je hebt zeker van de cactus gesnoept. Die hebben hier namelijk een hallucinerende werking.’
Ik ga rechtop zitten en kijk verward om me heen. Weg paradijs. Weg Atlantis. Ik bevind me weer in de woestenij en heb niet eens de zee bereikt.
‘Bof is niet zo blij met je vlucht. Je kan maar beter snel meekomen.’
‘Neeeeeeeeeeeeeeee!’

Reacties (21) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Om je te bescheuren, wat een heerlijk maf verhaal.
Sorry, maar dan heb ik toch liever mijn groene vrouwen die geen groentjes blijken te zijn. :P
Daar ben ik goed in :)
Gelezen en beoordeeld!
Toch maar liever thuisgebleven?
Vlak een ontsnaplustige smurf niet uit ;)
Gelezen.
Soms is het misschien beter het avontuur te negeren als je lokt.:-)
Dat zou ik niet kunnen met een saai leventje.
Gelezen + beoordeeld!
Fantastisch, smurf. Wat een verhaal!
Bedankt Nonnie.