Het vallen van water (kort verhaal)

Door Marmara gepubliceerd op Sunday 07 December 18:12

Alles dat niet leeft is beter. Ik ga ongeveer twee keer per maand dood. Soms wat minder, maar in slechte tijden bijna elke week. Elke keer duwt hij me naar de dood toe, net naar de rand, zodat ik de kleuren zie. En precies op dat moment is het voorbij. Hij laat los en ik zak tegen de koude tegels van de muur, en keer weer terug naar de levenden. Ze zeggen dat verdrinking een mooie dood is. Misschien als je toegeeft, als je loslaat, maar dat durf ik niet. Ik weet dat hij me niet dood wil hebben, nog niet tenminste. Dus iedere keer opnieuw voel ik de laatste lucht verdwijnen en de beklemming op me neerdalen. Ik voel me gevangen in mijn eigen, falende lichaam en ben bang dat hij deze keer niet stopt. Dat de kleuren zullen verdwijnen, vervangen worden door eeuwig zwart. Daarom wil ik soms niet leven, maar het zand op het strand zijn, of de wolken in de lucht. Altijd aanwezig, maar nooit meer de angst voor het einde, dat lijkt me fijn. Ik kan jaloers zijn op een lege fles wijn, die een tijd lang is, en dan weer iets nieuws wordt. Bestaan zonder leven, de ultieme vrijheid.

Geschrokken kijk ik op de klok. Ik lig te lang te peinzen, straks is hij al wakker. Het is kwart over zeven, meestal ben ik om zeven uur beneden. Gehaast trek ik wat kleren aan, de douche sla ik vandaag maar over. Ik houd er toch niet van. Behoedzaam sluip ik de trap af. Er komt nog geen geluid van beneden of uit zijn kamer, dus ik hoop dat hij nog slaapt. Ik zet thee, ook voor hem, hij vindt het vervelend als het ontbijt niet klaarstaat wanneer hij beneden komt. Voor hem doe ik wat brood in de broodrooster, voor mezelf gooi ik snel wat muesli en yoghurt in een bak. Terwijl ik de happen naar binnen schuif, smeer ik wat brood voor mezelf voor de lunch op school. Ik wil een appel meepakken, maar zie dat het de laatste is. Dat zou hij niet waarderen, ik leg hem weer terug. Ik giet mijn thee in een thermosfles en gooi die in mijn rugtas met de lunch. Het is nog steeds stil in huis. In de gang trek ik mijn jas en schoenen aan en heb mijn hand al op de deurklink wanneer me iets te binnen schiet. Bord en mes! Ik leg altijd een bord en een schoon mes voor hem neer naast de broodrooster. Stom, stom, stom, mompel ik tegen mezelf. Ik draai me weer om en ruk een bord uit het keukenkastje. Op het moment dat ik het mes ernaast leg op het aanrecht, hoor ik opeens achter me: “Goeiemorgen Nina.” Ik verstijf.

Langzaam draai ik me naar hem om, maar ik wil hem niet direct aankijken. “Goeiemorgen.” Hij loopt achteloos langs me en zet het broodrooster aan. “Wanneer ben je thuis vanmiddag?”, vraagt hij. Ik wijs op het rooster dat op de koelkast hangt, waar mijn lestijden op staan. “Ik heb tot het 6e uur.” Met een geïrriteerde zucht draait hij zich om. “En dat is hoe laat?” “Ik ben rond half drie thuis.”, mompel ik snel. “Oké, vergeet je klusjes niet vanmiddag.” Ik knik en stap vast naar achteren. “Tot vanavond.” Hij zegt niets terug.

Het is pas kwart over acht uur als ik aankom op school, maar meestal ben ik nog vroeger, om hem te vermijden. Hoe minder we bij elkaar in de buurt zijn, hoe beter. Dan is de kans kleiner dat ik iets doe of zeg waar hij kwaad van wordt. Hij heeft nu eenmaal een kort lontje, dat moet ik inmiddels wel weten, maar soms doe ik stomme dingen. Als er iets mis gaat in huis of op zijn werk, moet ik nog beter oppassen. Hij heeft het natuurlijk best zwaar, zo in zijn eentje voor mij zorgen en geld verdienen voor ons tweeën. Zonder hem had ik ergens in een opvangtehuis gezeten, want pleeggezinnen zouden me toch niet willen hebben. Ik weet dat ik hem dankbaar moet zijn, maar ik ben ook bang voor hem. Ik kan niet wachten tot ik oud genoeg ben om uit huis te gaan.

“Hé Nina!” Teresa komt de traptreden opgelopen naar de tafels in de gang waar we vaak zitten in de pauze of in tussenuren. Omdat ze van net buiten de stad moet komen is ze ook vaak best vroeg, zo zijn we vriendinnen geworden. “Goeiemorgen.” Ik ben blij haar te zien, ze is bijna altijd vrolijk. Het eerste wat ze doet, is naar voren leunen en mijn haar als twee gordijnen wegschuiven van mijn gezicht. “Jij ook een goeiemorgen daarbinnen!”, zegt ze sarcastisch. “Hahaha.”, met een glimlach duw ik haar handen weg en laat mijn haar weer over mijn gezicht vallen. Teresa klaagt er altijd over dat ik mijn haar naar achteren moet dragen, zodat ‘de wereld mijn mooie gezicht kan zien’. Ik laat haar lekker klagen, ik vind het prettig als niet iedereen continu mijn uitdrukkingen kan zien. We praten wat over een opdracht van Engels, en toetsen die we komende week hebben. Langzamerhand wordt het drukker in de gangen, tot de bel gaat en we naar onze eerste les moeten.

Tijdens natuurkunde kan ik mijn aandacht er niet echt bij houden. Ik maak me zorgen over de repetitie van Latijn die we morgen hebben. We moeten woordjes leren, maar ook een stuk tekst vertalen, dat vind ik altijd het lastigst. Met de opdracht van Engels en het werk in huis heb ik nog nauwelijks tijd gehad om te leren en ik ben bang voor een onvoldoende. Vanmiddag moet ik de badkamer en de w.c. schoonmaken, zoals ik elke twee weken doe. Het kost best veel tijd om het goed te doen, en hij ziet het altijd als ik het heb afgeraffeld. Pas als de bel gaat, merk ik dat ik nauwelijks wat in mijn schrift heb geschreven, maar gelukkig let Meneer Mislow toch niet echt op de leerlingen, hij gaat meestal te veel in zijn eigen verhaal op.

Vlak voor de grote pauze hebben we nog Latijn. Omdat we het vak twee dagen achter elkaar hebben, betekent dat soms twee keer huiswerk. Deze keer wacht er helaas nog iets ergers; cijfers van de toets van vorige week. Het was een kleine toets, die niet zo zwaar meetelt, dus ik wilde de avond van tevoren gaan leren. Alleen liet ik toen bij de afwas een beker kapot vallen. Eén van zijn favorieten. Toen strafte hij me, en kon ik het niet meer opbrengen om daarna nog woordjes in mijn hoofd te stampen. De hele klas zeurt om de uitslag van de toets, dus het eerste wat Meneer van Zande doet is de nagekeken blaadjes uitdelen. Bij mij en Teresa blijft hij even stilstaan en zegt; “Niet zo goed Nina, morgen beter.” Ik pak het papier aan; 4,5. Teresa ziet mijn cijfer en legt even haar hand op de mijne. “Balen. Maar het was maar een s.o., dat haal je morgen zo weer op.” Ik knik, maar voel me rot. Als ik het morgen ook verpest sta ik straks onvoldoende voor het vak, terwijl het één van mijn favorieten is. De rest van de les zit ik uit met een naar gevoel in mijn maag. Als ik een stuk tekst voor moet lezen, mompel ik mijn weg er doorheen. Eindelijk gaat de bel, maar zodra ik opsta loopt van Zande naar me toe en vraagt; “Wil je even blijven, ik wil je nog wat vragen.” Natuurlijk kan ik niet weigeren, dus ik knik, en voel dat ik bloos. Teresa kijkt een beetje verwonderd, maar zegt; “Zie je zo.”, en loopt het lokaal uit.

“Ga even zitten.”, hij gebaart naar de tafel vlak bij zijn bureau. Om de één of andere reden ben ik doodzenuwachtig. Alsof ik iets op mijn geweten heb, terwijl ik weet dat ik niets fout gedaan heb. Mijn handen zijn ijskoud en trillen een beetje. Ik hoop dat hij het niet ziet. Ik mag van Zande graag, hij is een rustige, vriendelijke leraar die graag grapjes maakt met zijn leerlingen en gepassioneerd kan vertellen over de oude Romeinen. Hij gaat aan zijn bureau zitten en ik voel dat hij naar me kijkt, maar ik staar naar mijn handen. “Gaat alles goed thuis, Nina?” Ik schrik van de vraag, heeft hij iets gemerkt? Ik geef niet direct antwoord. “Want je cijfers baren me een beetje zorgen. Meestal doe je het prima, maar af en toe haal je opeens onvoldoendes, ik vraag me af hoe dat komt.” Het lukt me nog steeds niet om hem aan te kijken, ik ben bang dat hij de waarheid ziet. “Thuis is prima…Ik.., het is soms druk. Samuel werkt, en we zijn maar met z’n tweetjes.” “Samuel is je vader?” “Nee!”, flap ik er uit, net iets te snel en te hard. “Nee, mijn ouders zijn overleden toen ik drie was. Sindsdien woon ik bij hem, hij was een vriend van hun.” Ik vraag me af of van Zande dit niet al lang weet, ik loop hier tenslotte al vijf jaar rond. Misschien heeft Samuel in de oudergesprekken nooit laten vallen dat hij niet mijn vader is. “Oké.”, van Zande lijkt te twijfelen. “Gaat het verder wel goed, vrienden, vriendjes misschien?” Nu bloos ik weer, maar ik hoop dat mijn lange haar het verbergt. “Ik heb geen vriendje, maar met vrienden enzo gaat het prima.” Hij blijft nog even stil. “Nou, oké. Maar Nina, als er iets is, kan je het mij vertellen, of iemand anders als je wilt, ja? Je bent soms zo in jezelf gekeerd, daar maak ik me zorgen over.” Ik moet mijn best doen niet te gaan huilen, al weet ik niet precies waarom. Ik knik en dwing mezelf even oogcontact te maken. “Bedankt, zal ik doen.”

Het liefst wil ik me de rest van de dag in het toilet verstoppen, maar ik ga toch maar op zoek naar Teresa. Ze vraagt me wat van Zande wilde, en ik vertel haar een beetje luchtig dat hij zich zorgen maakte om de paar lage cijfers die ik af en toe haal. Tijdens wiskunde kan ik me weer niet concentreren, maar dat heeft een andere reden dan vanochtend. Schuin naast mij heb ik namelijk perfect zicht op Tristan. Met zijn korte, bruine haar en lichte blauwgroene ogen trekt hij steeds de mijne naar hem toe. We hebben wel eens een opdracht samen gedaan voor biologie, zijn favoriete vak. Verder praten we niet zo veel, maar hij is aardig, niet zo overdreven stoer als de populaire jongens in de klas. Een hand zwaait voor mijn gezicht langs. “Nina, ben je daar?”, vraagt Teresa met een grote grijns. Ze weet dat ik hem leuk vind, en probeert ons steeds bij elkaar in de buurt te krijgen. “Als je nou dat haar eens naar achteren doet, kan hij tenminste zien hoe leuk je bent.”, fluistert ze. Ik geef haar een duw onder tafel. “Zo leuk ben ik niet.” “Natuurlijk wel. Misschien vraagt hij je wel naar het schoolfeest als je met hem gaat praten!” We smiespelen nog wat verder, tot Mevrouw de Jong ons veelbetekenend aankijkt.

Na ons laatste lesuur lopen Teresa en ik samen naar buiten. Voordat we de poort uitlopen pakt ze mijn arm. “Wacht even, ik wil je iets geven.” Verbaasd volg ik haar naar een bankje op het schoolplein. “Wat is er?”, vraag ik nieuwsgierig. Ze kijkt een beetje ongemakkelijk, maar glimlacht. “Ik wilde het je eigenlijk voor je verjaardag geven, maar ik denk dat je het beter nu kunt gebruiken.” Ze graaft in haar tas en haalt er een pakketje uit ter grote van haar handpalm. “Alsjeblieft. Ik zie heus wel dat er soms iets mis is… ik dacht… misschien vrolijkt dit je op.” Verbouwereerd pak ik het cadeautje aan. “Dank je…”, ik weet niet wat ik verder moet zeggen. Wat bedoelt ze precies? Weet ze hoe het thuis is? Voorzichtig maak ik het pakketje open. Het is een haarclip. Hij heeft een sierlijke, golvende vorm en is in mijn lievelingskleur, paars. Ik staar er naar. “Ik weet dat ik zeur over je haar,”, vult Teresa de stilte op, “maar ik denk echt dat je, nou ja, wat meer mensen zullen zien wie je bent als je je niet aldoor verstopt.” Mijn duimen draaien rondjes over het gladde oppervlak van de clip. “Hij is prachtig, dank je. Je bent een schat.” Snel geef ik haar een knuffel, in de hoop dat ik niet in tranen uitbarst. Heel soms is die vrolijke Teresa serieus, en dan zegt ze dit soort dingen. Ik heb me nog nooit zo speciaal gevoeld.

Eenmaal thuis stort mijn goede humeur als snel weer in. Het is al vier uur, zelfs als ik snel ben met de badkamer en de w.c., moet ik direct als ik klaar ben koken en heb ik alleen nog een paar uurtjes na het eten om te leren. Besluiteloos loop ik naar mijn kamer om mijn tas en boeken weg te leggen. Mijn boek voor Latijn leg ik op mijn bureau. Ik aarzel, en blader door de stukken die we moeten leren. Was ik maar eerder begonnen, maar daar had ik gewoon geen tijd voor. Even sta ik naast mijn bureau met mijn tas in mijn hand. Dan gooi ik de tas onder tafel en schuif achter mijn bureau. Hij was rustig vanochtend, hij begrijpt vast wel dat school belangrijker is.

Het is zes uur als ik de voordeur dicht hoor slaan. Ik heb het gevoel dat ik goede vooruitgang heb gemaakt met leren, maar nu zakt er toch een steen in mijn maag. Zijn voetstappen gaan de trap op, langs mijn kamer en naar de w.c. Ik kan bijna horen hoe hij de deur open doet, stil staat, en rond kijkt. Ik krimp ineen in mijn stoel. Als ik het uitleg begrijpt hij het vast, deze toets is belangrijk, ik moet het gewoon goed uitleggen, zeg ik tegen mezelf. De deur van mijn kamer klapt open. Hij blijft in de deuropening staan, met zijn rechterschouder leunend tegen de deurpost. “Nina.” Ik draai in mijn stoel naar hem toe, en blijf zitten. “Je hebt tegen me gelogen.” Daar schrik ik van. “Waarover?”, vraag ik niet begrijpend. “Je had gezegd dat je je klusjes zou doen, maar de w.c. en badkamer zijn allebei niet gedaan.” Ergens heel diep van binnen is er iets wat op woede lijkt. Dat hij dat liegen noemt, ik had gewoon geen tijd. Ik durf hem niet aan te kijken, dus zeg ik tegen zijn voeten: “Ik weet het, het spijt me. Ik..heb morgen een toets, een grote. Hij telt zwaar mee en de vorige keer ging niet goed, dus ik wil deze halen. Ik dacht…ik zou het niet redden als ik vanmiddag ging schoonmaken, maar morgen is de toets, dus dan doe ik het direct uit school.” Het liefst had ik veel rustiger en duidelijker gepraat, maar hij vind het vervelend als ik niet snel antwoord geef.

De schuchtere blik die ik omhoog werp, vindt zijn gezicht dat op donder staat. Nee hè, niet vanavond. “Daar heb ik niets aan. Ik heb een lange dag gehad, en ik wilde een bad nemen in een schone badkamer.” “Sorry, dat wist ik niet….”, ik wil nog meer zeggen, maar de woorden blijven steken, ze weten dat ze nutteloos zijn. “Je had van tevoren rekening moeten houden met je klusjes, denk je dat je gewoon kan doen waar je zin in hebt?” In gedachten zet ik me vast schrap voor wat er komen gaat, maar tegelijkertijd denk ik: ‘waar ik zin in heb? Ik probeer mijn best te doen voor school!’. In werkelijkheid schud ik alleen mijn hoofd. “Je bent ondankbaar.”, hoor ik hem zeggen, en nu weet ik dat er geen weg terug meer is. Samuel doet een stap naar me toe, zodat hij over me heen staat. “Ik was de enige die je in huis wilde nemen, zonder mij was je alleen!” Het is de zoveelste keer dat hij dit soort verwijten naar me toe smijt, maar vandaag moet ik opeens aan Teresa denken. Mijn enige vriendin, iemand die me wel de moeite waard vindt. Zo veel zelfs dat ze een cadeau aan me geeft waarmee ik mezelf aan de wereld kan laten zien. En dan van Zande, misschien wel de enige docent die doorheeft dat er iets mis is, terwijl ik het zo probeer te verbergen. Ik geloofde Samuel altijd, ik geloofde dat ik alleen was, en dat niemand me zou helpen als hij me zat was.

Hij schreeuwt inmiddels tegen me, maar ik hoor nauwelijks waar hij me allemaal voor uitmaakt. Als hij mij arm pakt en me overeind trekt, weiger ik hem aan te kijken. Hij schudt me door elkaar en duwt me de kamer uit. Samuel is sterk, veel sterker dan ik. Toch heeft hij me nooit geslagen. Dat laat namelijk sporen achter. Hij is altijd zo slim geweest om me pijn te doen op manieren die van buitenaf onzichtbaar zijn. Wie zal het ooit geloven, als er geen bewijs is? Ik stribbel nauwelijks tegen als hij me de badkamer induwt en de deur op slot doet. Zijn hand grijpt achter in mijn nek, precies waar hij me altijd vasthoudt. Bij het geluid van de kraan wil ik achteruit stappen, na al die jaren wil ik nog steeds vluchten als het al te laat is. Hij staat vlak achter me en duwt me voorover, met mijn hoofd onder de kraan. Nu komt het deel waar ik nachtmerries over heb. Met twee handen duwt hij mijn hoofd tegen de onderkant van de wasbak, terwijl het water langzaam stijgt. Iedere seconde voel ik de waterlijn langs de zijkant van mijn hoofd omhoog kruipen; langs mijn oor, over mijn wang, dan moet ik mijn oog dichtdoen en al snel komt het moment dat het mijn mond en neus in loopt. “Stop”, sputter ik nog net voordat het water mijn hele mond bedekt.

Het is stil onder water. Dat is het enige voordeel. Zodra mijn hoofd onder water is, stopt hij met schreeuwen, en alles klinkt gedempt. Ik hoor mijn eigen hartslagen rondgalmen in mijn oren, en er is een kort moment van rust, voordat de zuurstof in mijn longen op is. Het branden begint in mijn keel, die ik ervan moet overtuigen dicht te blijven om geen water in te ademen. Mijn lichaam siddert, maar hij duwt alleen maar harder.

Het is niet eerlijk, denk ik opeens. Als Teresa vindt dat ik iets waard ben, dan geloof ik haar. Ik ben het zat, ik wil weg, ik wil niet meer bang zijn, niet meer verdrinken. Mijn vingers klemmen zich om de rand van de wasbak. Mijn longen zijn pijnlijk samengetrokken, wanhopig op zoek naar verborgen restjes lucht. Voor het eerst in jaren vecht ik terug. De vorige keer was ik elf, dat was de enige keer dat ik een zichtbaar bewijs had van wat hij me aandeed. De schram die ik toen had opgelopen heb ik aan niemand durven laten zien. Als straf kreeg ik een week nauwelijks te eten, en verdronk hij me nog drie keer in de dagen erna. Nu ben ik sterker, en ik probeer naar zijn armen te grijpen, ze los te rukken. Het heeft geen zin, ik duw ze nog geen centimeter van hun plek. De paniek begint te komen, het moment dat ik mijn brandende lichaam niet meer kan tegen houden, en het zich probeert te blussen met happen water. Uit alle macht probeer ik me nu los te wrikken, weg te komen uit zijn greep. Ik zet me met mijn hele lichaam af tegen het koude steen van de wasbak. Het water klotst over de rand en sijpelt langs mijn armen en nek naar beneden. Mijn nek doet pijn van het gevecht met zijn handen. Heel even lukt het om half boven het water uit te komen en lucht naar binnen te zuigen. Het heeft geen zin. Een paar seconden later staat alles alweer in vuur en vlam. Maar ik heb nu een doel, iets om voor te vechten. Ik blijf spartelen als een kat die een pil moet krijgen, ook al kost het me alle zuurstof die ik nog had. Dan, net zodra het me begint te duizelen en ik me alleen nog kan concentreren op het stikken, laat hij los.

Als een pijl uit de boog schiet mijn lichaam overeind. Normaal was ik nu op de vloer in elkaar gezakt, maar ik houd mezelf tegen de muur overeind. Hij staat hijgend voor me, zijn kleren nat van onze worsteling. Even denk ik dat hij me nu zal slaan, zijn armen zijn zo gespannen dat ik de aderen kan tellen. Tot mijn eigen verbazing blijf ik hem aankijken. We zeggen allebei niets. Dan draait hij zich om en slaat de badkamerdeur achter zich dicht. Eindelijk stort ik in. Hoestend en piepend zit ik op handen en knieën op de tegelvloer. Mijn kleren en haren zijn zeiknat en ik tril over mijn hele lichaam. Ik wacht tot mijn lichaam weer voldoende zuurstof binnen heeft om helder te zien. Voorzichtig sta ik op, grijp een handdoek van het rek en maak de paar passen naar mijn kamer. Ik doe de deur dicht, hoewel er geen slot op zit. Het duurt een tijd voor ik echt weer op adem ben. Ondertussen doe ik mijn pyjama aan en kruip onder de dekens met het lesboek van Latijn. Natuurlijk heeft het geen enkele zin om daar nog naar te kijken, ik voel me geradbraakt. Of beter gezegd, gekielhaald.

Tot mijn grote opluchting komt hij niet meer naar mijn kamer die avond. Hij roept me ook niet om te koken of te eten, maar dat kan me niet schelen. Ik wil nu zo ver mogelijk bij hem vandaan blijven. Vlak voor ik ga slapen kijk ik in de spiegel. Mijn ogen zijn rooddoorlopen zoals altijd na zijn straf, maar dat is morgen alweer bijna verdwenen, weet ik. Mijn nek is rood van de kracht waarmee hij me onder water moest houden. Alleen een nacht slapen zal duidelijk maken of mijn plan geslaagd is.

Ik heb mijn wekker op zes uur gezet. Al bij de eerste tonen ervan zit ik rechtovereind. Het is nog donker buiten, dus ik moet de lamp naast mijn spiegel aandoen om mijn reflectie goed genoeg te zien. Mijn maag trekt zich samen van angst en triomf. Het is gelukt, ik heb niet voor niets gevochten. Ik probeer kalm en gecontroleerd te bewegen terwijl ik het nodige in mijn rugtas gooi, inclusief het Latijn boek. Ik kam mijn haren en trek schone kleren aan, maar was me niet. Voorlopig wil ik even geen water in mijn gezicht. In de keuken gooi ik snel alles wat ik kan vinden in mijn rugzak. Ik wil geen seconde langer in dit huis blijven dan nodig. Met mijn jas aan in de gang check ik nog snel of het allerbelangrijkste in mijn tas zit. Mijn redding ligt te glanzen boven op de lesboeken. Plotseling hoor ik boven een deur opengaan. De deur van zijn slaapkamer. Het is alsof twee koude handen mijn keel vastgrijpen. Zo geruisloos mogelijk pak ik mijn huissleutels en het moment dat ik de deur opentrek hoor ik hem roepen: “Nina?”. Ik hoor onmiddellijk aan zijn stem dat hij nog kwaad is, dat hij me wil straffen voor mijn verzet. Zonder een woord trek ik de deur dicht en ren naar mijn fiets. Met trillende handen maak ik het slot los, steeds blikken werpend op de voordeur. Ik sleur mijn fiets de voortuin uit en stap op. Achter me hoor ik de voordeur opengaan, maar ik weet dat hij me niet meer in kan halen. “Denk maar niet dat ik het vanmiddag vergeten ben!”, schreeuwt hij me na. Tranen lopen over mijn gezicht terwijl ik door de kou fiets, maar ik weet niet zeker of ze van angst of woede zijn.

Het is nog te vroeg om naar school te gaan, weet ik. Die gaat pas vanaf acht uur open, dus ik heb nog bijna een uur tijd te doden. Ik blijf fietsen, bang dat als ik ergens stop hij me zal vinden. Na een half uur ben ik zo koud dat ik bij het treinstation in de buurt van school naar binnen loop. Er is al een winkeltje open dat broodjes en drinken verkoopt aan de vroege forensen. Met geld van het oppassen op de twee buurjongetjes koop ik thee en drink die langzaam op, verscholen in een hoekje van het station. De minuten kruipen voorbij op de grote klok in de hal, maar eindelijk besluit ik dat ik nu de school in moet kunnen.

Zodra ik naar binnen stap, blijft een deel van mijn angst op het plein liggen. Dit is mijn veilige haven, hier zal hij niet komen, al weet hij dat ik er ben. Ik loop direct door naar het toilet en ga voor de spiegel staan. De clip van Teresa pak ik uit mijn tas en ik ga aan de slag. Eigenlijk steek ik mijn haar nooit op, dus het duurt even voor het goed blijft zitten. Tevreden bekijk ik vanuit mijn ooghoeken het resultaat. Als ik mijn eigen blik vang in de spiegel knijpt mijn hart zich even samen. Ik voel me niet meer zo dapper als vanochtend. Het kan mislukken. Straks ziet niemand iets, vraagt niemand iets, of het kan ze niet schelen. Of nog erger, het kan dat niemand me gelooft. Mijn hart klopt zo heftig dat ik in de spiegel de huid van mijn hals zie kloppen. Mijn ogen zijn roder dan ik had verwacht. Misschien is die angst wel goed, vertel ik mezelf. Dan kan niemand denken dat ik lieg.

Het duurt nog meer dan twintig minuten voor de eerste les begint, dus ik schik me op mijn favoriete plekje in de gang. De rij tafels op de eerste verdieping zijn dichtbij de docentenkamer, zodat het er vaak stiller is dan op andere verdiepingen. Nu zitten er pas een paar docenten aan de koffie, en ze merken mij nauwelijks op. Ik pak mijn boek uit mijn tas en staar naar de Latijnse woorden. Ze drijven rond voor mijn ogen, alsof ik nog steeds met mijn hoofd onder water zit. Steeds opnieuw probeer ik me te concentreren op wat er staat, maar mijn gedachten kunnen maar aan één ding denken. Er is geen ruimte in mijn hoofd voor Latijn, zolang hij er groot en dreigend huishoudt. Ik heb al tien keer het woordje ‘blandior’ gelezen als ik voetstappen hoor op de gang.

Met mijn hoofd steunend in mijn handen blijf ik zitten terwijl de voetstappen recht achter me vertragen en stoppen. Wanneer en hand op mijn schouder wordt gelegd schrikt mijn lichaam, ook al wist ik dat er iemand achter me stond. “Dag Nina, wat ben je vroeg.”, zegt van Zande. Zijn stem klinkt anders, geschrokken. Het lukt me niet om een woord uit te brengen, dus knik ik maar. Op van Zande’s vriendelijke gezicht staat een diepe frons. “Zou je even mee willen lopen naar mijn lokaal?”, vraagt hij voorzichtig. Van zijn gezichtsuitdrukking lees ik af dat de mijne er wanhopiger uit ziet dan ik had gewild. Ik knik weer, bang dat ik direct in tranen uitbarst als ik probeer te praten. Ik pak mijn boek op en prop het in mijn tas. Als ik die over mijn schouder wil gooien, neemt van Zande hem van me over. “Zal ik die dragen?” Ik knik maar weer bedeesd. De donkerblauwe plekken in mijn nek lijken te branden terwijl ik hem volg naar het kleine lokaal een verdieping hoger. Hij doet de deur achter ons dicht en draait zich naar me om. “Vertel het me alsjeblieft, Nina. Ik kan je helpen.” Met een gevoel van doodsangst en immense opluchting voel ik schone schijn rond me ineen storten. Sidderend over mijn hele lichaam begin ik te huilen. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst hoop heb gehad. 

Reacties (4) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Een heel goed verhaal!
Dank je!
Ontzettend mooi en ontroerend. Het kippenvel staat op mijn armen. De gevoelens van het meisje heb je zeer goed verwoord. Ik heb zelf ook, in een andere situatie, de gevolgen van lichamelijk en mentaal geweld ondervonden en mijn herinneringen kwamen onmiddellijk terug boven. Met een krop in de keel heb ik het volledige stuk gelezen.
Dag Lilithx, dank voor je mooie reactie. Ik waardeer het erg dat je dit deelt.