De leeuw en het lam- deel 2

Door Neerpenner gepubliceerd op Friday 05 December 19:10

Het vorige deel gemist? Hier is de link: http://plazilla.com/page/4295157666/

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 

Nu ik dit allemaal opschrijf, merk ik dat het minder pijn doet. Ik was me er niet van bewust dat het verleden mij pijn deed, het was toen een beetje zoals een irritant geluid naar de achtergrond verdwijnt. Maar dat blijft irriteren. Ik vraag mij nog altijd af waarom ze mij in de steek liet. Ik had haar gered, waarom was ze dan zo van streek toen ik hem doodde? Ze kon toch niet van hem houden? Ik zal het nooit begrijpen. Misschien ben ik daarom zo geworden. Ik miste iets om dat te begrijpen en dat iets had mij kunnen redden. Hoe langer ik hier blijf, hoe meer jaloers ik ben op jou. Jouw gave is sterker dan de mijne.
Het leven op de kostschool in de stad was een hel. Men zag mij als de boerenjongen waar iets smerigs aan kleefde. Ze hadden natuurlijk gehoord van die nacht. Het nieuws had zich verspreid en de helft van het land had erover geroddeld.
De andere jongens pestten mij van de eerste dag af. Dode kikkers in mijn leren boekentas, slakkenslijm op mijn kussen, liedjes in de slaapkamer. Ze hadden veel lol.
Ze hebben mij wel nooit aangeraakt. Ze durfden dat niet. Maar de leraren wel. Elke les werd er in mijn oor geknepen, tegen mijn achterhoofd geslagen. Ik was zeker niet de enige, maar ze behandelden mij het hardst.
Ik zweeg. Ze schreven mijn punten met rode inkt. Het kon me niet schelen. Mijn gedachten gingen naar het dorp, naar de dagen zonder hem voor die nacht.
De dagen gingen zo voorbij. Ik stond op het punt als hopeloos geval buiten geschopt te worden. Maar ik was hen voor. Per ongeluk.
Ik slenterde naar het internaat, en ik zag de jongens op mij wachten. Vaag benieuwd raadde ik wat ze weer gingen doen. Modder of tomaten? Nooit eieren, die aten ze liever op.
Veel deed ik niet tegen hun pesterijen. Het verzet in mij was al heel lang verdwenen. In die tijd had ik nog niet een keer met het vuur gespeeld, het was te koud in mij.
Maar toen sloeg hun leider mij. Het was de eerste keer dat ze dat deden. De stenen waren scherp toen ik neerviel. Gelach rond mij. Ze jengelden allerlei spotliedjes. Het regende modder op mijn gezicht.
Ik bleef stil liggen en ik zag hem. De leider, schuin boven mij. Hij zag mijn blik en lachte breed. En ik herkende zijn lach. Even flitste het verleden voorbij mijn oog, en toen hief de leider zijn hand omhoog in een overwinningsgebaar.
In een waas stond ik op. Het oude, vertrouwde gevoel bonkte weer. Die heerlijke hitte was terug in mij. Het gelach eindigde meteen. Dit waren ze niet gewoon. Ik had mij nooit verzet , had al hun pesterijen en spot over mij laten gaan. Dit was nieuw.
Ik rende op de leider af. Zijn uitdrukking was volkomen verbazing. Hij was te verrast om weg te rennen.
Meteen, zonder te aarzelen, legde ik mijn handen op zijn gezicht. Hij moet de hitte al eerder hebben gevoeld, want hij begon te gillen voor het vuur kwam.
Zijn gezicht brandde ik onmiddellijk weg. De rest zweeg, ze verroerden allemaal geen vin. Ze bleven staan en staarden naar hun brandende, spartelende leider.
Ik liet zijn gezicht los, zijn tanden grijnsden, het enige wit op zijn gezicht. Hij leefde nog, een schor gereutel borrelde uit zijn keel. Toen maakte ik hem af in een flits van vlammen. Zijn verkoolde lijf dreunde neer op de grond. De rook dampte ervan af.
Ik hijgde. Ik keek de rest aan. Ze stonden daar nog altijd. Met grote ogen. We waren allemaal rond de vijftien. Ze hadden mij als een van hen, een gewone jongen, gezien. Hoe zagen ze mij nu? Als een beest, buigend over hun dode leider?
Er heerste een stilte, al hun ogen leken zich vast te zuigen op het rokende lichaam. Terwijl ik hen vooral in de gaten hield. Hun gezichten waren als bevroren. Een soort versteende schrik en ongeloof. Toen hief een van hen het hoofd op en keek mij aan. Ik zag mezelf in zijn ogen weerspiegeld, de moordenaar van zijn leider. Hij jammerde zachtjes, een bijna niet te horen gepiep.
Daarna begonnen ze allemaal te gillen, een voor een, zonder weg te rennen. Ze probeerden wel, ik zag dat aan hun ogen, maar hun benen leken gelijmd op de grond. Die ogen, ze waren allemaal op mij gericht, daarin herkende ik wat ik bij mijn moeder ook had gezien. Walging.
Ik holde meteen weg. Het schrille gegil achter mij nam toe. Ik rende op de schoolpoort af. Ik wist niet waar ik heen wou. Het maakte ook niet uit. Als ik dat gegil maar niet kon horen was het goed. Er was een poortopzichter, maar hij stopte mij niet. Hij moet gevoeld hebben wat er zou gebeuren als hij dat deed.
Ik verdween in de straten van de stad en het gegil hoorde ik al snel niet meer. Na twee uur werd ik al gezocht. Ze wijdden er een radio-uitzending aan. Ik had me verstopt in een smalle steeg, ik luisterde naar de radio door een raam boven mij.
Ze waarschuwden voor een gevaarlijk mutantkind. Ze zeiden dat ik ter dood gebracht moest worden. Want ik was geen mens.
Jij weet misschien nog hoe het toen ging. Mensen ontdekten dat hun kinderen over gaven beschikten. Niet allemaal zoals nu, maar wel steeds meer en meer. Ze waren bang voor hen, ondanks dat de meeste van hen nauwelijks kwaad konden doen met hun gave. Ze noemden hen mutantkinderen en in sommige landen stootten ze hen uit. In andere doodden ze hen. En dan hadden er zo eentje dat zelf een kind had vermoord. Met vuur! Dus hij moest natuurlijk sterven.
In de kostschool werd daar nooit over gepraat, het was allemaal nog maar pas begonnen. Ik leerde het meeste van wat ik net schreef uit die uitzending. Zo wist ik dat mijn leven in gevaar was.
Ik hoorde vanuit mijn verstopplaats het gejoel van de meute die op mijn vel uit was. Ik zag de snelle blinkende laarzen van de Militsia, op zoek naar mij.
Iedereen wilde mij dood. Niet alleen in Rusland, maar ook in de wereld. Ik was niet normaal, een misvorming en een gevaarlijke nog ook. Ik was verdorven tot in mijn kern, al van bij mijn geboorte gedoemd om nooit werkelijk een mens te kunnen zijn.
Dat waren de gedachten die door mijn hoofd tolden. Ik hoorde hem lachen. Hij noemde mij nutteloos, iemand die beter niet geboren was. Ik hoorde mijn moeder gillen. Zij zag mij niet meer als haar zoon, sinds ze wist wat ik was.
Een monster.
Op dat moment nam ik een besluit dat de rest van mijn leven zou bepalen. Als ik toch niets anders dan een monster kon zijn, als het in mijn genen lag om te doden, waarom verborg ik mij dan? Iedereen zou op mij jagen, niemand zou mijn vriend worden. Ik was vervloekt. Ik zou er nooit aan ontsnappen, wat ik ook deed. Telkens zou ik met mijn handen mensen branden uit woede, en dan zouden zij mij weer haten. En najagen.
Wie zou mijn vriend durven te zijn, nu mijn ware aard bekend was? Wie zou een beest vertrouwen?
Laat ik dan maar opgeven om te proberen een mens te zijn. Laat ik dan maar toegeven aan het vuur!
Het was toch hetzelfde, allen was ik dan meer gevreesd dan geminacht.
Ik stapte uit de steeg, mijn handen brandden.
Iemand zag mij. Hij schreeuwde. Ik stak mijn hand uit en hij werd verzwolgen door mijn vlammen. De meute kwam, gelokt door het geschreeuw. Ik kwam hen tegemoet.
Ze vertraagden toen ze mij zagen. Aarzeling en angst waren op hun gezichten. Het brandde niet langer in mijn handen, maar ook in mijn keel. Dit zijn de mensen die mij haten, die mij pesten, die mij willen wegstoppen, ver weg van hen.
Ik veranderde in een massale vlam en waadde door hen alsof ik in de zee wandelde. Ik hoorde gegil, mensen vertrappelden elkaar om van mij weg te rennen. Er was geen bloed, daarvoor was het vlees te zwart en te droog.
Ik weet nog dat ik lachte. Zo zou ik vanaf nu zijn. Ik zou zo mijn eigen noodlot zelf vervullen.
Ik stichtte brand in de hele stad. Ik zorgde ervoor dat de meeste inwoners niet konden vluchten, maar in hun eigen huis stierven.
Ze wilden tegen mij vechten? Dan vocht ik terug.
De rest van de geschiedenis is in de hele wereld bekend. Ik zal je dus niet vervelen met details. Toen er van de stad niets overbleef behalve enkele rokende puinhopen met daarin menselijk as en een paar overlevenden die mijn legende zouden verspreiden, ging ik op weg. Ik had geen idee waarheen. Ik ging gewoon rechtdoor met het voornemen alles wat ik op mijn pad tegenkwam plat te branden.
Stad of dorp, alles onderging mijn woede. Mijn spoor was er een van geblakerde aarde. Ik raakte algauw bekend. Binnen een paar dagen stuurde de regering het leger ten strijde tegen mij. Maar ik had al zoveel geoefend, ik hoefde slechts het te denken en het vuur schoot uit mijn handen. Ik hulde mij in vlammen en liet hun kogels smelten, hun raketten ontploffen.
Ze trokken vlug terug, tenminste wat van hen overbleef. Ze kwamen terug met een van de nieuwste uitvindingen. Rupsvoertuigen of tanks zoals ze nu zeggen. Ze stelden niet veel voor. Er was alleen maar een hoop gesmolten lood over toen ik er klaar mee was.
De Communistische Partij verklaarde mij tot de nationale staatsvijand. Meerdere regering zouden later volgen. Want ik zag geen enkele reden om mijn haat te beperken tot de Sovjet-Unie zoals dat toen heette. Ik stak de grens over zonder problemen en zakte af naar China en sindsdien was ik in oorlog met de rest van de wereld.
Sluipschutters waren gevaarlijker dan een leger. Een enkele goedgemikte kogel op een moment waarop ik het vuur liet rusten, kon me nog steeds doden. Toen ik aan de eerste schutter ontsnapte door puur geluk, begreep ik dat ik mijn waakzaamheid nooit zou kunnen laten zakken. Sinds die dag ging ik altijd, zelfs al sliep ik, in vlammen gekleed. Niemand kon mij meer doden, het feit dat de mensen mijn gezicht niet meer konden zien was een handig extraatje.
Ik reisde van land tot land en waande mij onkwetsbaar. De mensen noemden mij de rode dood. Ik had een hekel aan die naam, het deed mij klinken als een van die superschurken van die Amerikaanse strips.
Ik moet toegeven dat ik van die tijd genoot. Ik was de schrik van alle mensen, alle landen. Ieder die mijn vuurharnas in de verte zag, vluchtte. Ontelbare levens legde ik in de as. Het versterkte mijn trots alleen maar. Ze hadden naar een monster gezocht en in hun zoektocht hadden ze mij gecreëerd. Een onoverwinnelijke, bloeddorstige beest dat onstuitbaar de mensen verslond in zijn vuur.
Maar mijn macht taande al na een paar jaar. De landen hadden zich uit vrees voor mij verenigd en zochten naar een manier om mij voorgoed te verslaan. Het leger en andere normale middelen faalden, het werd tijd dat ze iets anders probeerden.
Toen veranderde de stemming tegenover de mutantenkinderen.
Eerst was ik er de oorzaak van dat ze hen nog erger haatten, nu zagen ze hen als hun redding. Want er waren een paar die ook opmerkelijke gaven hadden. De mensen hoopten dat zij mij konden vernietigen.
Wat die uitbarsting van die gaven veroorzaakte, heeft men nu pas ontdekt. Dat zeiden de cipiers. Ze hadden de tijd niet om dat uit te vinden zolang ik een gevaar bleef. Het heeft mij niet verbaasd dat wetenschappers de oorzaak ervan waren.
Er volgde een oorlog. Ik werd gedwongen om tegen de andere mutantenkinderen te vechten. Het irriteerde mij, zij waren de enigen die ik niet wilde doden. Nu moest ik wel. Eerst kwamen zij een voor een. In het begin was het eenvoudig, ze wisten niet goed hoe sterk mijn gave was en vielen gemakkelijk ten prooi aan het vuur.
Ze werden al snel sluwer. Ze werkten soms samen of waren beter geoefend. Een meisje wist mij bijna op te sluiten in de aarde door het openen van een kloof.
Na een tijdje had ik er zelfs plezier in. Ik werd moe van het afslachten van weerloze mensen, zij gaven mij tenminste weerwerk, zij maakten het vechten weer leuk. Het was het leukste kat en muisspel in de geschiedenis. De wereld daverde vaak onder onze gevechten. Bijzonder, ik had graag geweten wat jij daarvan vond, was dat sommige mutantenkinderen beweerden dat ze volgelingen van mij waren en gingen, net als ik, ten oorlog tegen de mensheid. Het werd mutant tegen mutant.
Natuurlijk waren ze geen volgelingen van mij, ik kende hen niet. Ik wou geen kameraden of bondgenoten. Alleen ik, zo had ik al lang geleefd en gevochten. Ik vocht enkel voor mezelf en wilde dat ook zo houden.
Het duurde vele jaren. Op dat moment bestonden er geen grenzen meer. Vele regering werden uitgemoord door mij of anderen. Geld betekende niet langer iets, alle banken waren al geplunderd. De mensen werden  vijf eeuwen teruggeworpen en de aarde was slechts een barre grond waarop oorlogen werden gevoerd.
En ik? Ik moordde, brandde nog steeds erop los. Ik merkte dat mijn haat niet verzwakte, integendeel, het brandde steeds erger in mij. Met elke mens die opging in de vlammen, werd het vuur hongeriger. Het dorstte naar vlees en ik was meer dan bereid om het dat te geven. En zo sleet ik mijn dagen. Altijd op pad, altijd vechtend, altijd hatend en nooit heb ik sinds die nacht gerust.
Tien jaar ellende voor de mensheid gingen voorbij en bijna iedereen was nu mutant. Maar de meesten van hen waren zwak. De meesten van hen waren gewoon bijzonder in gewone dingen. Muziek spelen, beeldhouwen, bloemen laten groeien. Wat had je daar nou aan?
De wereld veranderde. Ik hoorde van een mutant die mijn sterkste vijand zou zijn. Hij heerste over water, kon het tevoorschijn roepen, vervormen en het zelfs tot ijs maken. Hij had al de macht van veel van die zogenaamde volgelingen gebroken.
IJs tegen vuur. Hem moest het wel lukken.
Ik maakte me geen zorgen. Ik was al vijfentwintig jaar oud en tien jaar daarvan vocht ik al met zovelen en overwon ik hen. Kon een enkele jongen echt mijn ondergang worden?
Jij weet hoe het gegaan is. Toch zal ik hier schrijven hoe het echt gegaan is. Hoe ik verslagen werd, hoe ik eindelijk viel. De mensen weten het niet. Zij geloven in dat idiote verhaal.
Zelfs al zou ik eeuwig leven, dan nog zou ik het niet vergeten. Het was nacht en ik wandelde terug  wat rond in het gebied dat vroeger Rusland was. Op zoek naar iets om in vuur te steken, desnoods een boerenhut.
En ergens in een bos ontmoette ik jou. De maan scheen door de bladeren van de bomen.
4a44978315cfdcb7fec27d5aeba06e72_medium.
Het witte licht viel samen met het gelige schijnsel van mijn vuurharnas.
Je zag het natuurlijk niet, of misschien wel dankzij die gave van jou, maar ik schrok. Je moet begrijpen, velen renden toen al panisch weg als ze maar rook roken, ook al was dat van een haardvuur. En daar stond een vrouw, nauwelijks jonger dan ik, in open plek naar mij te staren zonder weg te gaan! Je gezicht was anders dan die van de mensen. Het keek mij kalm aan, mij opnemend alsof je mij slechts een gewone vreemdeling vond. Jouw ogen waren de eerste die ik zag zonder angst erin.
Ik wist eerst niet wat te doen. Ik had je gemakkelijk kunnen doden of simpeler een van je ledematen verbranden.
Maar ik was benieuwd. Waarom ging een enkel meisje niet op de vlucht voor mij, iets wat hele legers hebben gedaan?
Ik kwam langzaam dichter. Je leek net een vredige schim. Ik verwachtte elk moment dat je uit die rare shock wakker zou worden en dat je krijsend zou verdwijnen.
Jij verdween niet en keek me nog steeds recht aan. Ik kwam zo dichtbij als ik kon zonder je pijn te doen.
Jij zweeg, knipperde zelfs nauwelijks met je ogen. En ik zweeg ook, niet goed wetend wat te zeggen. Ik had al zo lang gevochten dat ik van de rest van het leven nog maar weinig wist.
We hebben daar lang gestaan. In stilte. Nog altijd dacht ik dat dit een droom was, een zeepbel die zou openbarsten.
Na lang zwijgen zei ik: ‘Waarom ren je niet weg?’
Je zweeg nog een tijdje, je staarde in mijn vlammen alsof je mijn gezicht kon zien. Het maanlicht deed je ogen schitteren. Toen fluisterde je: ‘Waarom zou ik?’
‘Omdat ik overgoten met vlammen ben. Omdat ik een moordenaar ben. Omdat ik hele steden zonder spijt heb vermoord. Omdat de wereld zelf van angst voor mij beeft en vlucht en mij tot haar vijand verklaard heeft.’
Jij glimlachte triest. ‘Ik weet dat al. Ik heb ook een gave.’
Ik lachte, een vruchteloze en bittere poging om sterk te lijken, want jij doorzag het, en riep uit: ‘Wel, dan werkt jouw gave niet. Jij weet niet genoeg! Want jij zou dan al weg zijn. Er is duisternis in mijn hart, ik ben een beest, een verdoemde monster dat niets anders kan dan doden! Als kind doodde ik mijn vader! Weet jij dat dan ook?’
‘Ja.’
Ik viel stil. Ik geloof dat ik toen haast zonder het te beseffen een stap terugzette. Jouw ogen leken dwars door mijn vlammenharnas te priemen.
‘Maar ik weet nog meer,’ fluisterde jij nog steeds op die kalme en wat droevige toon. Jij zette een stap naar mij.
‘Jij hebt veel verdriet.  Een huilend kind, treurend om zijn moeder.’
Het was lang geleden dat ik nog aan haar had gedacht, haar glimlach flitste voor mijn geest, gevolgd door haar gegil.
‘Laat haar hierbuiten!’ snauwde ik. ‘Zij is mijn moeder niet meer!’
Jij ging voort, mijn gebrul negeerde je zoals mijn vuur.
‘Jij hebt al heel lang gevochten. Gevochten tegen jouw verdriet. Jij, sinds wanneer heb je voor het laatst gehuild?’
Ik proefde opeens smaak van de citroen en werd sinds jaren voor de eerste keer bang. Ik wankelde, ik was niet in staat om iets uit te brengen. Het vuur in mij brandde zwakker en zwakker met elk woord van jou. Het was belachelijk, de rode dood kon niet aan het wankelen gebracht worden door een gewone vrouw.
‘Jij hebt nooit gerust, alleen maar gevlucht voor jezelf. Je bent heel moe, wat een verdriet,’ vertelde jij en je keek bedrukt, alsof jij met mij mee leefde. Alsof jij mij kon begrijpen .
Zodra je die woorden uitsprak, besefte ik dat ik inderdaad me erg vermoeid voelde. Wat raar, ik had het niet eerder opgemerkt.
Ik was zelfs te moe om me nog langer te verzetten en zei, bijna zuchtend: ‘Ja, dat is zo. Het klopt dat ik mij al lang moe voel. Zo moe.’
‘Waarom geef je het dan niet op? Waarom stop je niet met die waanzin?’ Ik dacht iets te zien glinsteren in jouw oog.
‘Het is al te laat. Ik kan niet meer stoppen. Ik ben te ver gegaan om nog terug te keren.’
‘Maar dat is onzin!’ riep jij uit en verloor ook jouw kalmte. ‘Er is nog zoveel meer in jou dan die duisternis. Ook daar is licht, met je vuur zou je mensen kunnen helpen.  Het is nog niet te laat. Je kan nog zoveel doen.’ Je smeekte, en ik zag dat tranen over je wangen liepen.
Het was alsof ik in een kloof viel. En ik viel ook neer op de grond, mijn benen konden niet langer staan.  Wie van alle mensen op aarde had nog om mij gehuild? De vlammen doofden uit, ik merkte het nauwelijks op.
We zwegen toen allebei. Ik trachtte mijn tranen terug te dringen. Ik lag daar geknield in de sneeuw, naakt, zo anders dan de rode dood. Maar zelfs toen dacht ik niet aan veranderen.
Ik hief mijn hoofd na een tijdje op, keek jou van gezicht tot gezicht aan, en lachte grimmig: ‘Nee, dat kan alleen in een perfecte wereld. Maar toch, bedankt dat je om mij gehuild heb. Het zal niets veranderen, ik blijf wie ik ben, maar toch bedankt. Voor ik wegga, wat is jouw gave?’
Je keek mij ondraaglijk medelijdend aan. ‘Ik kan je helpen. Maar je wilt niet veranderen.’
Ik richtte mij op een knie en schudde mijn hoofd. ‘Het is niet van willen. Ik kan niet meer veranderen. Wat is je gave?’
Je viel in stilte, wendde je hoofd af. En toen zei je: ‘Ik kan in de harten van de mensen kijken.’
Ik glimlachte. ‘Je gave werkt niet goed.’
Je lachte even met je ogen neergeslagen en je zei: ‘Het spijt me.’
‘Wat bedoel je?’ wilde ik nog tegen jou zeggen, en toen hoorde ik een geluid achter mij. Ik draaide me om en zag niets meer. Ik zonk in een diepe duisternis en herinner mij nog alleen maar een gevoel van ijs en de diepste kou.

De wereld bejubelde die mutant. De kranten schreven over dat de rode dood eindelijk verslagen was en spoedig zou gedood worden. Ze prezen hem, de redder van de mensheid. Maar er is geen woord over jou gesproken.
Ik vind dat jammer. Want wees gerust, ik ben niet kwaad op jou dat je met hem samengewerkt hebt. Ik ben al zes dagen bezig met deze brief en heb lang nagedacht.
De wereld is altijd beter af met de dood van een monster. Maar ik wil, mocht je deze brief toch publiceren of wat dan ook, duidelijk stellen dat niet hij, maar jij mij verslagen hebt.
In het open plek in het bos is het anders gegaan dan jij dacht. Ik schreef net dat ik mij omdraaide en niets zag, omdat het zo voor jou geleken moet hebben. Een arme man die genadeloos in de val wordt gelokt. Jij was echt een goede keus van de mutant.
Hij wist dat zelfs ik jouw woorden en jouw priemende blik niet kon weerstaan. Hij wist dat ik mijn waakzaamheid ging laten verslappen en een gemakkelijke prooi ging worden.
Toch zag ik hem. Ik draaide me om en zag hem aanstormen. Uit zijn handen schoot het ijs al. Ik had de tijd om het te ontwijken en hem in vuur bedelven.
Ik deed het niet. Waarom?
Ik wou het doen, maar ik voelde opeens het gewicht van al die jaren op mij drukken. De jaren van vluchten en vechten. Hoe lang moest ik daarmee nog verder gaan? Ik zag jouw tranen voor mij en wist dat jij mijn haat had veranderd in vermoeidheid. Daarom liet ik mijn armen zakken en verwelkomde ik het ijs.
Natuurlijk heeft hij dat niet gezegd, een monster hoort geen menselijke kanten te hebben.
Want dat heb jij mij geleerd. En daarom schrijf ik je deze brief. Omdat jij mij hebt doen inzien dat er inderdaad meer is dan het vuur, dan het beest in mij.
Ik ben je daarvoor dankbaar. Het geeft mij een beetje rust, te weten dat er iemand op aarde is die weet dat ik niet alleen de rode dood ben.
Toch is het goed dat ik ga sterven. Ween niet en denk niet dat als ze mij niet veroordeeld hebben in deze mutantengevangenis, mijn krachten verzwakkend, dat ik dan een goed mens zou geworden zijn. Ontdekken dat ik niet geheel slecht ben, betekent nog niet dat ik goed word. Ik zou doorgaan met moorden, met vluchten zoals jij het zei.
Daarom ben ik opgelucht dat ik morgen doodga. Komt er eindelijk een eind aan.
Je zei tegen mij dat je spijt hebt, en ik geloof je, maar dat is nergens nodig voor. Hoe anders had dit dan kunnen eindigen? Alleen maar slechter. Ik weet dat jij daar anders over zal denken, dan is het maar zo.

Het is nu mijn laatste ochtend. Over een half uur komen zij mij halen. Ik weet dat jij er daar zult zijn. Dat hebben zij mij verteld. Ik ga daar als laatste wens deze brief aan jou wordt gegeven. Ik hoop, al is het niet waarschijnlijk, dat ik het zelf aan jou kan geven en enkele woorden met jou kan wisselen.
Ach ja. Laat dit dan mijn laatste woorden aan jou zijn.
Pas op jezelf. Je hebt een te groot hart. Ze zeiden mij, het is bijna grappig, dat dankzij mijn terreur de landen zich verenigd hebben en er een tweede wereldoorlog is vermeden. Er is nu vrede, maar dat zal voorbij zijn na mijn dood. Nu de sterkste mutanten mij niet meer moeten vrezen, zullen zij met elkaar om de heerschappij strijden. Het zal een woelige tijd worden, trek je ergens terug op een ver eiland en bemoei je er alsjeblieft niet mee. Probeer ze niet te helpen.
Tot zover mijn waarschuwing en dan nog een ding.
Weet dat zodra ze de strop om mij leggen, de rechter zijn vonnis voorleest, de mensen mij uitjouwen, de jury mij  vuil aankijkt, de luik onder mijn voeten openklapt, ik dan daar mijn dood tegemoet bungel met maar een gedachte. De gedachte aan jouw gezicht toen je om mij weende.

Je was mijn ondergang, maar ook mijn redding.

Vaarwel.


 

foto: https://www.flickr.com/photos/pannoniusrex/14186285520

Reacties (16) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Een prachtig epos, werkelijk fantastisch geschreven.
Als ik toch nog iets mag opmerken: het tweede deel vond ik zwakker dan het eerste. Komt waarschijnlijk omdat het meer beschrijvend is en ergens krijg ik toch ook de indruk dat je in deel 2 haast krijgt en snel naar het einde toe schrijft. Voor mij gaat het ten koste van het leesgenot en ook van de (zeer hoge) kwaliteit van jouw verhaal.
Dank je, Nonnie, ook voor je opmerkingen.

Hmmm.... het is inderdaad wat meer beschrijvender, zeker tijdens de ontmoeting met het meisje, ik heb daarvoor gekozen om te tonen dat die gebeurtenis hem heeft geraakt.
Ik stond inderdaad wat onder druk, want nu zou ik zo'n lang verhaal niet kunnen schrijven, maar ik denk dat ik deel 2 niet sneller heb geschreven dan deel 1. Misschien wel, ik heb er in ieder geval er niet bewust voor gekozen.

Spijtig dat deel 2 wat zwakker op jou overkwam.
Hora est. Dat is het gevoel dat ik kreeg bij deel 1. Ik dacht: het wordt tijd dat Neerpenner een boek gaat schrijven. Dat denk ik eigenlijk nog steeds, maar je moet jezelf wel de tijd en rust geven om een verhaal helemaal uit te spinnen. En dan wordt het prachtig. Zeker weten.
Dank je voor je vertrouwen en je geweldige complimenten. Ik ben eerlijk gezegd verbaasd dat je denkt dat ik een goed boek kan schrijven. (Iedereen kan een slecht boek schrijven)
Maar toevallig heb ik een idee voor een roman. Wel niets bovennatuurlijks. Ik zal wachten tot na de examens om te kijken of ik er iets mee kan doen. Vanwege de benodigde tijd en rust. :)
Ik ben benieuwd.
Ook twee keer gelezen, een keer deze middag, en nu in de avond.
Ik het het idee dat je in de tussentijd hebt gesleuteld aan je tekst. De vele vragen die de persoon stelt, ik zie ze niet meer. Wat er nu nog staat, stoort me niet. :-)

Een van de grootste Fantasy-clichés - en misschien ook wel religieuze clichés - is het complete gebrek aan zelfinzicht bij de "Kwaden". Jouw hoofdpersoon lijdt daar ook een beetje aan, maar ik snap dat dit nodig is voor het verloop van je verhaal.

Een paar kleine puntjes:
- de leider stond schuin boven hem, maar toen hij opstond moest hij op hem af rennen? Een of twee stappen zijn dan toch voldoende? Op mij werkte dit bevreemdend.
- hij ziet walging in de ogen van de jongens. Ik wijt dit aan een vertekend beeld van zichzelf. Angst, doodsangst lijkt me normaler. Maar die zogenaamde walging, dat maakt de rest van zijn beslissingen tot een zelfvervullende profetie.
- de zin "dit zijn de mensen die....ver weg van hier." Omschrijven is hier m.i. mooier. Een letterlijke gedachte van dat moment maakt het vlak.
- Lood in tanks? Lijkt me niet, maar ik kan het fout hebben.
- oorzaak van de komst van de mutanten behandel je nu heel terloops. Voelt vreemd, maar omdat je hoofdpersoon zich ook niet bezig houdt met zijn afkomst, maar alleen met wat hij nu is, kan het. De nieuwsgierige lezer (ikke) wil eigenlijk wel meer weten. Moreel dilemma: " jullie hebben ons veroorzaakt, en nu wijzen jullie ons af en haten jullie ons zelfs?"

Neerpenner, het is gewoon een erg goed verhaal. Een X-Menachtige wereld waar waarschijnlijk nog meer over te vertellen valt. De gave van het meisje, die zag ik wel aankomen, hij lag erg voor de hand. De bekentenis van de hoofdpersoon, het inzicht in wat gaat komen en het gevoel dat hij voor haar heeft ontwikkeld, dat beschrijf je heel mooi en dat komt ook aan. Alsof hij achter de tralies, wachtend op zijn dood ineens jaren wijsheid en zelfinzicht heeft verkregen. Ergens een mooie gedachte. Sommigen zullen dat misschien ook clichématig vinden, maar voor mij voelt het passend.
Vreemd, ik had gisteren toch een hele reactie geplaatst? Blijkbaar niet, dus ik schrijf het opnieuw. :)

Nochtans is er niet aan gesleuteld geweest. Het aantal vragen blijft gelijk. Dus misschien was je er aan gewend geweest?

Ik kon niet anders. Dat is nou net het centrale thema van het verhaal. Het hoofdpersonage heeft al jaren geweigerd om in zijn binnenste te kijken en verwierp dat zelfinzicht.
Maar daar staat dan weer tegenover dat hij die hele brief schrijft met zelfinzicht.

-Klopt, dat moet ik aanpassen. Dank je!
-Klopt weer. Het hoofdpersonage walgt in zekere zin van zichzelf en het past gewoon niet bij hem dat hij slechts doodsangst in hun ogen zou zien. Maar om heel eerlijk te zijn, ik zou als ik zomaar een vriend van mij verbrand zag worden door de handen van een andere jongen er toch naast die angst ook walging voelen, denk ik.
-Hoe zou het dan letterlijker omschreven kunnen worden? Kun je een voorbeeld volgen, want ik begrijp je niet helemaal.
-Het kan ook dat ik daar fout ben. Ik dacht dat tanken uit lood werden gemaakt, maar ik ben niet zeker.
-Ik weet het. Ik had een heel verhaal klaar in mijn hoofd over wetenschappers die in opdracht van de regering (natuurlijk) een biologisch wapen maakten, een virus die zich door de lucht verspreidt en de cellen van mensen aantast. Drie keer raden wat er toen gebeurde. Het virus ontsnapte...
Maar ik kon hem het niet laten opschrijven om twee redenen.
1)Het interesseert hem inderdaad niet zo erg.
2)Heel de wereld is op de hoogte gebracht van de feiten. Als hij daar veel woorden over zou schrijven, zou dat net zo vreemd zijn als ik jou een PB stuur over wat er met de Joden gebeurde tijdens de Holocaust met de veronderstelling dat jij dat nog niet wist.
-Dat moreel dilemma wordt vanzelf opgelost. Het virus verspreidt zich steeds meer en meer, en uiteindelijk is er geen 'normale' mens meer. De mutant is nu de norm. Er blijven wel verschillen in kracht. Een beetje zoals de X-men, inderdaad, met het verschil dat iedereen nu over gaven beschikt.

Dank je. :)
Zo he, dat was een lap. Ik weet wat jij van witregels vindt maar geloof me je doet je lezers er echt geen plezier mee om ze niet te plaatsen. Af en toe even ademhalen is namelijk erg fijn.
Dat gezegd hebbende vind ik het een voortreffelijk verhaal, erg indringend, mooi hoe je de emoties beschrijft. Wat me wel opvalt is dat de hoofdpersoon zichzelf ontzettend veel vragen stelt. Dat ging mij op een gegeven moment wat irriteren. Verder niets dan complimenten, steen goed verhaal.
Hmm, Yrsa zei hetzelfde.
Ik blijf het er moeilijk mee hebben, het voelt aan voor mij alsof ik mijn verhaal uit elkaar scheur als ik ergens een witregel plaats waar het niet nodig is. (Ik merk trouwens dat dit deel een witregel nodig heeft, dus dat zal ik wel aanpassen)

Als er echt zoveel lezers een probleem mee hebben, misschien dat ik van stijl verander.

Bedankt voor je compliment! En dat hij zichzelf veel vragen stel, ik vind niet dat het ontzettend veel is. Maar dat is je mening, en daarvoor bedank ik je ook. :)
ja.. zinnetjes die eruit moeten springen houd je boven een nieuwe alinea, zo houd je de aandacht van de lezer beter vast en geef je ze even rust. Je raakt dan echt niet uit het verhaal maar je blijft er juist beter in.
Er is onderzoek gedaan naar lezersgedrag en daaruit is gebleken dat na 500 woorden de aandacht verslapt en men scannend gaat lezen. Vandaar dat columns in kranten niet langer zijn dan 500 woorden.

(ik heb een journalistieke cursus gevolgd: 15 -20 uur huiswerk per week en dat een jaar lang.. geen examen gedaan omdat er geen droog brood in te verdienen is)

De verhaallijn is ijzersterk, daar blijf ik bij :)
Hmm... (zei hij opnieuw)

Dat zijn allemaal uitstekende argumenten. Misschien koester ik slechts een vooroordeel voor 'enters' op het internet. Want als ik een boek lees met op elke pagina een enter, lees ik juist nooit door. Mijn concentratie versnippert steeds, bij elke witregel wordt mijn trance onderbroken.
Maar op het internet is dat dus blijkbaar anders...
Hmm... Ik zal erover nadenken. :)

Fijne woorden die als muziek klinken voor iemand die journalistiek studeert. ;)

Daar ben ik blij mee.
Man wat schrijf jij goed.
en nóg onzeker hè?
Ja ook dat nog.
Wie weet is het die onzekerheid die me zo doet groeien. De lat leg ik altijd wat hoger. :)
Dank je!