De leeuw en het lam - deel 1

Door Neerpenner gepubliceerd op Friday 05 December 19:05

Dit is eigenlijk een te late inzending voor de schrijfopdracht 'Gave'. Het verhaal liep uit de hand en ik kreeg het niet op tijd af. Ik besloot toch om het te publiceren, ook al win ik daarmee niks. Behalve dan het plezier en een interessante worsteling met het schrijven van dit verhaal.
Ik wil hierbij Doortje bedanken die de tijd nam om me wat kritiek te geven. Bedankt!
Verder wens ik jullie een aangename leeservaring toe, het is wel nogal lang, als je iets dringends te doen hebt, laat je dit beter voor even liggen.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Ik ga binnen een week dood. Hun oordeel. Niemand protesteerde. Ook ik kijk er naar uit. Met opluchting. Eindelijk komt er aan deze waanzin een eind.
Ik heb nog een laatste taak. Het is dwaas en het zal niks veranderen. Toch vind ik dat ik het moet doen. Deze brief aan jou schrijven.
Uiteindelijk was jij mijn ondergang. En ook omdat ik aan iemand, een persoon, mijn verhaal wil zeggen. Iemand moet weten dat ik meer dan het monster ben waarvan de wereld snel verlost zal geraken.
Jij bent de enige die zou luisteren. Ik vraag je als een gunst dit te lezen tot het eind. Doe daarna ermee wat je wilt. Verspreid het naar de mensen, al denk ik niet dat zij mij zouden willen lezen. Verscheur het, gooi het in de vlammen. Of bewaar het. Of gooi het weg van een gebouw van veertien hoog, het aan de wind gevend.
Als je het maar gelezen hebt.

Hoe lang had ik mijn gave al? Ik weet niet, misschien al van mijn geboorte. Maar ik weet wel wanneer ik het ontdekte. Het begon met een citroen. Mijn moeder was erbij.
Ik was nog jong, zes of zeven jaar. Ik groeide op in een Russisch gehucht. Zo klein dat het geen naam had. Als ik nu terug kon en wou, zou ik het nu toch niet meer vinden. De landen zijn veranderd.
Ik herinner me niet veel van het leven in dat dorp. Het was koud. Het sneeuwde zelden, maar de sneeuw bleef lang liggen. De huizen waren van hout, dat meer kou doorliet dan warmte vasthield. Men kon zich alleen maar warmen door wodka.
Mijn vader hield van die drank, het was ook het enige waarvan hij hield. Hij ging ’s morgens naar zijn werk. En na het werk ging hij naar de cafés en zoop zijn geld op. Als het al lang nacht was, wankelde hij onze hut binnen.
Ik herinner me hem heel goed. Zijn ogen waren klein en lagen diep in het gezicht. Ze stonden altijd wazig en waterig. Alsof hij door de bodem van een glas keek. De hut was vol van zijn stank, zweet en wodka.
Hij leek op het zwijn van onze slager. Behalve dan dat hij groot was en sterk. Zijn handen voelden als de steenblokken die hij kapte.
Wanneer hij er niet was, hield moeder zich met mij bezig. School bestond niet in ons leven. Ze vertelde verhalen, terwijl ze kookte. Ze vertelde altijd met een kleine glimlach. En dan keek ze in de verte, net of ze op iets wachtte.
Ze was een zwakke vrouw. Ze hoestte veel. Vooral in de winter.
Als hij binnenkwam, glimlachte ze niet meer. Hij schold haar uit. Hij riep dat zij meer met mij bezig was dan met hem. Hij zei vaak nog meer.
Ik heb een keer gezegd dat hij verkeerd was. Hij deed mij zwijgen.  
Hij vervloekte mij en greep haar vast. Hij trok haar naar hun kamer.  Ze verzette zich nooit. Ze zweeg alleen maar. Ze was een zwakke vrouw op vele manieren.  
Ik hoorde dan zijn gebrul achter de deur. Ik heb lang gedacht dat hij haar sloeg. Dan hoorde ik hem snurken en kwam zij terug naar mij. Ze nam mij op de schoot en zong zacht een slaapliedje terwijl ze over mijn haar streek. We troostten elkaar.
Het was winter, het sneeuwde en zij hoestte. Ik beloofde haar toen dat ik iets voor haar zou halen. Zij probeerde mij tegen te houden, maar ik was al weg.
Ik wist naar waar ik heen moest. We hadden een paar kruidenierswinkels, vaak met halflege blikken en bedorven vlees. Maar er was ook een winkel voor het gemeentebestuur. Het vlees was daar  nooit bedorven. Op feestdagen, wanneer moeder door haar zondagse werk bij de wasserij genoeg geld spaarde, kocht zij daar eten. Het was duur. Meestal kreeg ik een aardappel of een tomaat.
Ik zocht daar naar eten dat haar sterker zou maken. Ik was er nooit eerder geweest. Er was zoveel. Wortels, dadels, noten en natuurlijk aardappelen. Er waren zelfs buitenlandse groenten en fruit. Maar het juiste eten vond ik niet. Of ze waren te klein of ze waren te groot. Mijn handen konden geen meloen dragen. En eindelijk vond ik het. Het glinsterde geel in het licht van de kaarsenluchter.
Citroenen lagen op elkaar gestapeld in een hoge hoop. Ik zeg nu citroenen, maar ik wist toen hun naam niet. Ik had ze nog nooit gezien, ze waren prachtig. Het deed me denken aan het glimmen van de roebels. Er stond een bordje bij, dat ik niet lezen kon, maar er stond een landkaart op met een rode pijl naar een Europees land. Europa! Ik wist niet precies waar het lag, maar ik had er wel iets van opgevangen. Het was het land van melk en honing. Iets uit dat land moest wel gezond zijn, genezend zelfs.
Ik stal er twee. Een voor haar, een voor mij. Ik voelde even hun huid, vol kleine putten, maar dat hoorde blijkbaar zo. Ik stak ze in mijn zakken. In de winter, iedereen draagt lange jassen met veel zakken. Genoeg ruimte.
De beveiliging stelde toen niet veel voor. Twee mannen, en zij dachten niet dat een kleine jongen een dief kon zijn.
Ik stapte terug naar huis. Mijn moeder weende en viel mij om de hals. Ze liet mij beloven dat ik dat nooit meer zou doen. Ik toonde toen de citroenen. Ze sloeg haar handen voor de mond en ze was bang dat ik gepakt zou worden. Ik zei dat niemand mij gevolgd had en ze werd na een tijd kalm. Ze pakte de citroenen op en begon te glimlachen. Zij nam een mes en pelde de citroenen. Een nieuwe geur vulde onze hut. Het was zuur, maar dat voelde juist. Die geur van de citroen drukte de wodkastank bijna weg.
Ze sneed de citroenen in partjes en leerde mij hun naam. Citroenen. Het klonk nieuw en Europees. We aten samen een hele citroen. De smaak was zo bitter dat mijn ogen prikten. Maar een goed medicijn is bitter. Ik dacht dat ze minder begon te hoesten en onze handen gingen naar het volgende partje.
Toen kwam hij. Het was al donker geworden. Een koude wind blies door de open deur in ons gezicht. Hij zag de ene gesneden citroen en de resten van de ander. Hij sloeg de deur dicht. Hij schreeuwde dat zij mij verwende en hem vergat. Was ze dan vergeten wie de kost verdiende? Wie deze hut gebouwd had? En dan verspilde ze geld aan mij.
Hij beende naar de tafel, ik zei iets. Wat, weet ik niet meer. Maar zijn hand was als de donderslag.
Ik viel op de grond en hij pakte de gesneden delen van de citroen. Hij zei dat als er iemand dit eten verdiende, dan was hij het wel. Mijn moeder zweeg.
Hij trok een stoel naar zich en at daar een voor een de resten van de citroen op. De smaak was ook voor hem bitter, ik zag zijn ogen tranen. Waziger en wateriger dan anders. Hij zag mij kijken met zijn kleine ogen en lachte. Een zure lach.
Toen er van de citroen niets meer overbleef dan gele natte vlekken op zijn kin, stond hij op. Hij had hard gewerkt, zei hij, en hij verdiende rust. Hij verwachtte na zijn slaap een goede maaltijd. Zij kon maar beter rap beginnen koken in plaats van met de kleine bezig te zijn. Hij sloeg de deur naar zijn kamer dicht en in onze hut stormde het niet meer.
Ik herinner me het scherpst van al mijn woede. Het brandde in mijn maag, ik voelde het prikken in mijn ogen en het maakte dat mijn wangen heet aanvoelden. Het moest eruit of ik zou sterven. Ik stond op, en rende naar zijn deur.
Ik weet nog altijd niet wat ik toen van plan was. Ik weet alleen dat ik niet meer van plan was om zijn klappen te verdragen. Ik zou niet langer zwijgen, en zijn handen zouden niet meer slaan.
Maar mijn moeder trok aan mijn arm. Zij siste dat het waanzin was. Dat ik te jong was.
Ik schreeuwde dat ze uit de weg moest. En toen kwam mijn gave. Was ik de eerste? Ik denk van niet.  Er waren zeker anderen. Maar bij hen was het gemakkelijker te verstoppen.
Het was vuur, vuur sprong van mijn vingers. Het waren kleine vlammen die uit de vingertoppen kwamen, rood met een beetje blauw van binnen. Ze wiegden in de wind uit de kieren van onze hut.
Het duurde niet langer dan een tel. Zoals de vonken van een aansteker. Toen doofden ze uit. Er was wat rook.
We bewogen ons niet. Mijn moeder en ik staarden naar mijn hand. Ze reageerde het eerst. Ze greep mijn hand en voelde aan mijn vingers. Haar ogen stonden wijd.
Het had geen pijn gedaan, het voelde alleen maar lekker warm.
Ze zag geen brandwonden en smeekte dat ik zoiets nooit meer zou doen. Bang en verward beloofde ik het haar. Ze omhelsde mij. Ik hoorde haar bezorgd fluisteren in de hese klanken van mijn taal: ‘Mijn kind. Mijn kind.’
De dagen gingen voorbij. Ik brak al snel mijn belofte. Want sinds die dag kwam het vuur als ik mij niet kon beheersen. Eerst de woede en daarna de vlammen. Maar ik had ook gezworen om het nooit aan hem te laten zien. Hij zou mij doden of mij wegjagen.
Dus elke keer als ik hem zag drinken, hem hoorde brullen achter de deur, ging ik naar het woud naast ons dorp. De nacht is daar het donkerst. Ik ging zo ver tot ik de geuren van het dorp niet kon ruiken. Zo ver tot ik het huilen van de wolven kon horen. Ik zocht dan een open plek. Veilig weg van het hout van de bomen.
Daar liet ik het vuur komen. Daar botvierde ik mijn woede. Mijn vingers spogen vuur op het smeltende sneeuw. Ik beeldde mij dan telkens zijn lachende gezicht in. 
Het verwarmde en kalmeerde mij. Elke keer als de kleine vlammen op mijn vingers dansten, voelde ik mij veilig. Ik zou mijzelf en haar uit dat hol en uit zijn klauwen kunnen halen als het juiste moment kwam.
Ik kwam elke nacht. En na een tijdje kon ik het vuur roepen, ook als ik niet boos was. Ik leerde het vuur kennen. Eerst waren het wapperende vlammen op mijn vingertoppen, maar het verspreidde zich verder en verder. Op mijn handen verscheen het vuur. Hoe meer vuur, hoe meer licht en warmte. En daarna op mijn armen. Ik moest mij daarvoor wel uitkleden. Ik had de eerste keer bijna mijn hemd verbrand. En uiteindelijk werd ik een grote vlam. De schaduwen van het woud vluchtten voor mij. Het had mij twee jaar gekost om zo ver te komen. En het kostte nog vier jaar om nog verder te kunnen gaan.

5154ac0392a66d3ab93c9ccb7ad9e4f2_medium.
Het vuur kon uit mijn lichaam stromen. Ik was op een nacht kwaad, de vlammen waren meer blauw dan rood. Hij was weer gekomen en ik had zijn handen niet zien aankomen.
Er was een beweging in het woud, een zacht gekraak. Ik draaide me om en zag een rennende schaduw in de struiken. Ik zag plots zijn kleine ogen voor mij en hief mijn handen op. Vuur daalde neer op de schaduw. Vuur verscheurde het.
Een vreemd geluid. Schel en hoog,  zijn stem niet.
Het was een ree. Haar gezicht had ik afgebrand. Haar nek was zwartgeblakerd vlees en een van haar poten trekte nog en viel stil.
Ik glimlachte, ik had iets nieuws aan mijn gave ontdekt. De volgende nachten oefende ik. Het duurde lang voordat het zo gemakkelijk ging als bij de ree.
Ik weet niet waarom ik zo bezig was met mijn gave. Mijn dagen waren vol van verhalen verteld door mijn moeder, ik had ook verhalen kunnen verzinnen. Waarom werkte ik dan zo hard aan het vuur tijdens de nachten? Wist ik al dat ik het nodig zou hebben?
Ik heb hier veel tijd om na te denken. Het is iets wat ik nog niet eerder heb gedaan. En tijdens de momenten dat ik niet naar jou schrijf, vraag ik me veel dingen af. Zoals waarom ik al zo vroeg zo hard werkte aan het vuur. Nee, ik wist toen nog niet welke toekomst ik zou hebben. Ik geloof dat ik het prettig vond om iets te kunnen wat de anderen niet konden. Dat is nog steeds zo. Ik vind nog altijd plezier in het maken van een vlam met slechts een handgebaar. Al is dat hier natuurlijk niet zo makkelijk als buiten.
Mijn moeder wist waarom ik elke nacht buiten ging. Ze wist niet waar en ze ging nooit mee. Maar ze wist het. Ze wachtte mij elke nacht op. Als ik terugkwam, zag ik het vage licht van een kaars door het raam. En wanneer ik door de buitendeur stapte, leek ze altijd opgelucht. Ze pakte mijn handen vast, kuste mij op het voorhoofd en wenste mij welterusten. Hij sliep allang rond die tijd. Het was de gelukkigste tijd van mijn leven.
Misschien had het zo blijven duren. Ik denk van niet. Het stond al lang vast dat het zo zou aflopen.
Ik denk dat ik toen twaalf of dertien jaar was. Winter kwam en de daken waren bedekt met een dikke laag sneeuw. Ik herinner mij hoe ik tijdens die avond keek hoe mijn adem omhoogwolkte naar de volle maan. Net rook.
Ik stapte uit het woud naar de hut. Wanneer had ik het geweten? Wanneer begreep ik het? Er brandde geen kaars voor het raam.
Ik rende naar de deur, greep naar de deurknop en draaide het om. Mijn herinneringen zijn vanaf dat moment wazig en minder duidelijk. Dat merk ik nu pas. Het scherpst is een gevoel. Hoe moet ik dat gevoel aan jou uitleggen? Kun jij zoiets wel begrijpen? Er is een wereld tussen ons. Jij zou zoiets nooit voelen.
Laat ik eerst wat ik herinner van het gebeurde opschrijven. Hij stond in het midden met zijn rug naar mij toegekeerd. De hut was veranderd. De tafel lag op de grond met gebroken borden en glazen errond. Zijn geur prikte in mijn neus. Hij ademde zwaar en snel.
Er lagen kleren rond hem. Waaronder mijn moeders lingerie. Hij was naakt. Ik zag het zweet druipen van zijn rug. Het glinsterde in het licht van de maan, die achter mij naar binnenkwam. Het deed hem meer dan ooit lijken op een dier. Van zijn vuisten droop ook iets. En aan zijn voeten lag mijn moeder. Ik kon haar gezicht niet zien, zij lag in zijn schaduw.
Wat deed ik daarna? Rende ik op hem af? Nee, ik bleef staan. Dat gevoel, het schuurde in mijn keel als papier. Ik kon alleen maar kijken. Ik deed niets.
Hij moet mij gehoord hebben. Hij draaide zich om en hij keek niet verbaasd toen hij mij zag staan. We keken elkaar aan. Zijn diepe en kleine ogen, in het maanlicht leken ze twee glimmende muntstukken. De wodkageur stroomde samen met het zweet van zijn lijf af.
Hij verbrak als eerste het zwijgen. Hij toonde zijn tanden in een brede grijns. Vroeg wat ik ging doen. Ging ik net als zijn vrouw mij tegen hem keren? Ging ik weer voor de zoveelste keer ondankbaar zijn?
Hij lachte en hief zijn zware, donkerdruipende vuisten.
Een goede vrouw luistert naar zijn man , een goede zoon luistert naar zijn vader. Soms vergeten ze dat. Dat is normaal, ieder wijkt weleens van het pad. Het is aan de man om ze terug op het pad te zetten. Dat is zijn recht, nee, zijn plicht.
Ik luisterde niet en zijn woorden veranderden in een klankenstroom. Ik begreep de waanzin niet. Was het noodlot of toeval? Het maakte niks uit. Later wist ik uit ervaring dat het gewoon zijn humeur was.
Soms valt er niets te begrijpen.
Ik keek naar het lichaam van mijn moeder en hief daarna het hoofd naar hem op. Het bonkte in mijn hoofd. Ik wilde schreeuwen, het uitkrijsen. Maar de schreeuw bleef opgesloten in mijn lichaam en ik stond op scherp.
Hij raaskalde nog voort. En toen zag hij mijn blik. Hij viel stil. Zijn ogen veranderden. Er had een soort sluier over gelegen. Nu waren ze helderder. En strak op mij gericht. Zijn lichaam kromp ineen. Hij had iets van een wolf die mij naar de keel zou springen.
We hielden elkaars lichamen en ogen in de gaten. Ik zag dat hij niet twijfelde. Hij was zeker wie zou winnen.
Ik dacht niet meer aan mijn moeder. Hij was alles wat voor mij bestond. Het maakte mij ziek. Hem daar te zien staan. Hij, die altijd brulde achter de deur. Hij, die altijd kwaad lachte. Hij, die altijd leefde met zijn handen.  Ik wilde zijn lach van zijn gezicht bijten, ik wilde zijn handen van zijn lijf scheuren.
Ik zette een voet vooruit. Een plank kraakte. Hij bewoog alsof dat een startschot was. Hij stormde op mij af. Zijn hoofd hield hij naar voren gericht. Zijn vuisten suisden langs zijn zij. Ik zag zijn wijdopen mond. Tanden blikkerden in het licht. Er kwam een woordeloos geraas uit.
Toen pakte ik hem bij zijn schouders. Hij was eindelijk verrast. Zijn handen vertraagden. Voor een tel veranderde de zekerheid op zijn gezicht in angst. Ik proefde op dat moment iets bitters en toch ook heerlijks, gelijk de smaak van de citroen.
Van mijn vingers vlogen de vlammen op hem af en verslonden ze hem. Hij krijste, ik liet zijn schouders los. Ze zagen felrood. Ik rook geschroeid vlees, een onbekende geur. Het rook smerig.
Zijn gezicht was verwrongen van pijn. Hij had zijn ogen opengesperd, toen hij voor het eerst zag wat ik was. Hij wankelde, maar haalde nog uit met zijn rechtervuist. Mijn hand werd een fakkel en ik hield zijn vuist tegen. En daarna hield ik het vast.
Het was boeiend om te zien hoe zijn hand bijna meteen een stomp werd. Dit keer krijste hij niet. Hij viel alleen op zijn rechterknie. Hij had ook teveel pijn om het in een keer uit te schreeuwen.
Ik liet zijn narokende stomp los en hief mijn beide handen op. Hij wist wat ik ging doen. Hij was een man die naar zijn instinct luisterde. Hij sprong overeind. Zijn linkerhand greep naar mijn keel.
Ik verzengde hem. Het vuur omhulde hem totaal. Zijn lippen brandden weg, zijn linkerhand verdween. Hij was een toren van rode en blauwe vlammen. Ik bleef schieten. Mijn vuur is altijd heviger geweest dan de gewone, want na een paar seconden al zakte de toren in. Ik zag nog vaag een paar geknielde botten en zelfs dat verdween.
Het vuur doofde. De rook stroomde door de deur weg. Ik ademde snel. Er was maar een hoop as over. Het werd al wat verstrooid door de wind.
Ik geloofde het niet. Jaren heerste die man, en dan doodde ik hem? Het kon niet. Jij zou misschien zeggen dat met die daad mijn weg al vastlag. Dat ik met de moord op hem mijn lot bezegeld had. Misschien is dat zo. Ik had misschien niet moeten luisteren naar de woede.
Toch heb ik nooit spijt gevoeld. Zijn dood was een van de beste dingen die ik gedaan heb. Hij was een monster, net als ik. En de wereld is altijd beter af met de dood van een monster.
Ik herinner mij dat ik naar mijn handen staarde. Ze voelden heet aan. Heter dan ooit. Als ik ze in de sneeuw buiten had gestoken, dan was het gesmolten. Dezelfde handen die hem versloegen terwijl zijn handen niet meer bestonden.
Ik hoorde gejammer. Ik keek op en zag hoe mijn moeder overeind krabbelde. Ze leefde nog! Zij bloedde uit haar mond, maar ze was niet dood. Hij had haar niet kunnen doden. Vlug pakte ik een wollen dekentje, om over haar naakte lichaam te leggen.
Maar toen ik bij haar kwam, deinsde ze terug. Ze drukte haar rug tegen de houten muren, alsof ze van daaruit kon wegkruipen. Ik kende de blik in haar ogen, maar ze had die nog nooit eerder op mij gericht. Alleen op hem.
Haar gescheurde lippen trilden. Ik wist niet wat te doen. Ik was maar een jochie, iemand voor wie zijn moeder alles was.
Ik bleef staan met die deken in mijn handen. Ik wilde haar omhelzen, verdwijnen in haar armen. Haar horen fluisteren dat het goed was. Dat ik haar gered had. Dat het vanaf nu beter zou gaan.
Ik zag haar ogen. Zij was zoveel groter dan ik, maar zij lag op de grond te beven over haar hele lichaam. Voor mij.
Nu pas begin ik het te begrijpen, maar ik voelde het toen wel. Die afstand. Toch boog ik mij naar haar over. Ik strekte een hand uit om haar een knuffel te geven. Bewijzen dat ik niet hem was, maar haar zoon.
Ze keek naar mijn hand en gilde. Ze keek zelfs niet meer naar mijn gezicht, alleen maar naar een jongenshand. In haar ogen besmeurd met het bloed van haar man.
Ze sloeg wild om haar heen. Ze was zwak, haar slagen deden nauwelijks pijn, maar toch viel ik op de grond. Haar geschreeuw galmde in mijn oren.
De deur zwaaide nu helemaal open. Het maanlicht verblindde mijn ogen. Ik zag eerst slechts gedaanten, maar daarna zag ik de slager, de pastoor, de kruidenier, en ga maar zo voort. Het dorp, eerst gewekt door zijn gekrijs en nu gekomen door haar geschreeuw, stond in de hut.
Ze zagen mijn moeder, naakt en bebloed. De vader was nergens te bekennen, en ik lag daar op de grond. Ze zagen en hoorden haar gillen terwijl ze probeerde om zo ver mogelijk van mij weg te kruipen.
Ik zag hen ondersteboven, maar toch was het duidelijk dat hun blikken vooral op mij rustten. Ze zagen zoveel.
De rest is gemakkelijk verteld. Het dorp sloot mij eerst op in de gevangenis. Een houten bouwsel dat ik gemakkelijk plat kon branden, als ik daarvoor de lust had.
De vrouwen verzorgden mijn moeder, terwijl de mannen zijn verdwijnen onderzochten. Ze wisten van zijn handen en dachten zeker dat ik hem gedood had. Met een goede spade kan elke jongen een goede mep uitdelen. Een beetje wat zoeken, en dan zouden ze wel genoeg bewijs vinden.
Natuurlijk vonden ze helemaal niets. In die tijd was de opkomst van de gaven nauwelijks bekend. De as was al verspreid en hoe hadden ze kunnen denken dat ik hem met vuur doodde?
Ze verklaarden mij onschuldig, ik geloof met tegenzin. Maar ze besloten dat ik naar de stad gestuurd werd, daar waren kostscholen. Ik had geen vader meer en een kind had opvoeding nodig. En zo waren zij mij ook kwijt.
Mijn moeder hield hen niet tegen. Ze zei niet dat ze mij dan ging opvoeden. Ze weigerde sinds die nacht nog met mij te praten. Ze was er zelfs niet toen de koets mij ophaalde. Ik verzette mij niet. Het leek mij nutteloos.

 

 

Deel 2 lezen? Hier is de link: http://plazilla.com/page/4295157667/de-leeuw-en-het-lam-deel-2

Foto: https://www.flickr.com/photos/baileyfamily/1025642147

Reacties (13) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.

Eerst even boodschappen doen en dan verder met deel twee.
Deel 1 heb ik nu twee keer gelezen. Omdat jij zo aardig bent om uitgebreide feedback te geven en omdat ik weet dat jij daar ook prijs op stelt, geef ik je nu alvast mijn gedachten, ook al weet ik nu nog niet hoe je verhaal eindigt.

Het begin: veel korte zinnen. Iets teveel voor mijn smaak, waardoor ik moeilijker in het verhaal kom, ook al zijn je woorden op zich interessant genoeg. Je wekt interesse. Met iets meer afwisseling in het begin sleep je me denk ik mee.

Maar dat gebeurde desondanks toch. De hele sfeer van je verhaal is beklemmend, maar op een mooie en interessante manier.

Even nog een stijlpuntje over het begin. " het aan de wind gevend", werkt niet voor mij. Tegenwoordige deelwoorden hebben vaak dat effect dat het minder beeldend wordt. Je begint dat gedeelte met een mooie "ritmische" opsomming. Zelf zou ik het stuk over de wind helemaal uit het ritme laten lopen. Iets als " voor mijn part geef je het aan de wind!" Dan wordt het een climax.

De zinnen "de landen zijn veranderd" en " in die tijd was de opkomst van de gaven nauwelijks bekend", daarvan gaan mijn nekharen overeind omdat ze op een veel grotere dramatische setting duiden dan alleen maar een persoonlijk verhaal. Dit doe je erg goed!

De gevoelloosheid tegenover de ree die hij verminkt, verbijstert me. Ik snap het nu nog niet, weet niet of dit iets over hem zegt, maar ik onthoud het wel. Je schrijft trekte. Ik neem aan dat het trok moet zijn, tenzij trekte Vlaams is. Datzelfde heb ik bij deurknol. Vlaams? Of bedoel je deurknop?

Je verhaal komt beter tot zijn recht als je het verdeeld in logische alinea's, bijvoorbeeld telkens als je van verleden tijd naar tegenwoordige tijd gaat en vice versa.

Je schrijft " in haar ogen besmeurd met het bloed van haar man". Hoe weet de hoofdpersoon dit? Ze spreekt immers niet meer met hem.

Al met al een beklemmend en erg goed geschreven verhaal. Sfeer en opbouw mooi in balans. Een wereld waar ik meer van wil weten, een hoofdpersoon die ik beter wil leren kennen. Chapeau tot nu toe! Straks deel twee...
Ik stel het op prijs, hoe meer ik zulke reacties krijg, hoe beter ik met feedback leer omgaan.

Die korte zinnen, ja, daar heb je een punt. Ik zal je mijn dilemma uitleggen, ik wou een afstand tussen de ik-persoon en de schrijver (ik) scheppen. Want in mijn vorige verhaal (de merel) viel de ik-persoon en ik volledig samen. Dus ik daagde mezelf uit door in dit verhaal de ik-persoon dit verhaal op zijn eigen manier te laten vertellen. Hij leek me het type dat in korte zinnen vertelt en schrijft. (Zeker geen Proust-type. :) )
Maar ik heb hierin gefaald, want het is blijkbaar storend. Je bent de enige niet. Het is een les voor mij geweest. Voortaan zal ik beter erover denken hoe ik een ik-figuur aan het woord laat, op een wijze dat hem kenmerkt én zonder dat het afbreuk aan de afwisseling doet.

Dank je, de beklemmende sfeer was gemakkelijk, daarvoor hoefde ik alleen maar in zijn hoofd kruipen. :)

'Voor mijn part geef je het aan de wind.' Ja, dat werkt beter, je hebt gelijk.

Het blijft natuurlijk een persoonlijk verhaal, maar die dramatische setting was onontbeerlijk. Niet in de laatste plaats omdat het hoofdpersonage daar deels verantwoordelijk voor is.

Ik denk dat ik hier een fout heb begaan. Ik wou tonen dat zijn leven in dat koude dorp spijkerhard was, er was nauwelijks plaats voor sentiment, vandaar dat ik hem nogal gevoelloos laat reageren. Maar ik heb het niet in de juiste context geplaatst. Dat was de fout.
Trekte, wil zoveel zeggen als stuiptrekken. Dat is wellicht Vlaams, net zoals feut Nederlands is. :)
Deurknol is geen Vlaams, maar gewoon Wartaals. Een heel bijzondere taal die je enkel kan spreken als je er niet bewust van bent. Ik zal dat rap vertalen, dank je wel! :)

Ik denk dat dat geen goed idee is. Het gros van dit deel is in het verleden tijd en de meeste zinnen in tegenwoordige tijd zijn al in gescheiden alinea's. De rest zijn gewoon enkele nagedachten, om nu hen in een andere alinea te zetten, lijkt me juist storend.

Bedankt voor zulke kritiek waar ik wat mee kan. Ik hoop dat het tweede deel even goed zal blijken!
Neerpennert, mooi dat je zelfkritisch bent, maar maak het niet te groot. :-)

Bij het begin zou ik zeggen dat het mooier loopt als je b.v. in twee gevallen de korte zinnen samenvoegt tot 1 zin. Dan gaan de zinnen meer vloeien, terwijl je toch hetzelfde zegt. Dus falen? Nee, zeker niet. Trouwens, in de rest van je verhaal wisselt de hoofdpersoon kort en lang op een "natuurlijke wijze" af.

Die beklemming was voelbaar, en als dat de oorzaak is? Ik zit hier even te grinniken. Volgens mij speelt zich een hoop af in jouw hoofd en zeker niet alleen maar beklemmend. Ik kan me nog genoeg muizenissen herinneren die toch eerder absurd humoristisch waren. ;-) Ach....die herinneringen!

Nee, niet fout. Plausibele verklaring. Een sentimentele dwaas als ik denkt te veel aan de zieligheid van het Bambietje. Een Russische dorpsjongen zou het beest ongetwijfeld als prooi mee naar huis zeulen.
Ah, stuiptrekken! Ja, dat is een goeie. ;-)

Wartaals, een schitterende uitvinding waar maar beter heel snel een woordenboek van kan verschijnen. We hebben allemaal inspiratie nodig toch?

Oh op die manier! Dan bedoelen we denk ik hetzelfde. Ik zou tussen bepaalde alinea's een extra witregel inlassen. Geeft toch meer rust aan je tekst. Yrsa had het er ook al over.

Ok, hij interpreteerde zijn moeders gedrag dus zo. Lijkt me logisch. Wilde even testen of de schrijver zich hiervan bewust was.

Op naar deel twee...



Zelfkritiek vind ik moeilijk te doseren. Op sommige momenten had ik juist te weinig (geloof me), op andere momenten heb ik dan weer te veel. Dat is ook deel van het leerproces, neem ik aan.

Er speelt inderdaad een heleboel in mijn hoofd af. Soms zijn het duistere dingen die beter enkel via het papier tot leven komen, soms zijn het knettergekke muizen. Die combinatie is gezond. :)

Ik vind het heerlijk hoe wij elkaars verhalen bekritiseren. We zouden het goed met elkaar vinden op een offline schrijversclub. :)

Ik kijk uit naar je reactie...
Ik zie trouwens dat ik je voorlaatste alinea over het hoofd heb gezien.
Hij weet dat inderdaad niet, en hoewel hij zich niet bepaald schuldig voelt over de dood van zijn vader, is hij wel geschrokken van haar reactie. Hij probeert nu nog altijd haar te begrijpen, in haar hoofd te kijken als het ware, om haar afwijzing te kunnen verdragen.
Die zin is dus eerder zijn eigen mening.
'Zij moet het zo gezien hebben...'
Mooi beeldend geschreven met veel korte en krachtige zinnen. Dit weekend ergens probeer ik deel twee te lezen, want ik ben zeker wel nieuwsgierig naar het vervolg.
En nu ben ik nieuwsgierig naar jouw volgende reactie. :)

Dank je wel.
Het leest lekker weg, maar jouw verzuim om af en toe op de enterknop te drukken kost wel wat concentratie. Je schotelt namelijk een behoorlijke lap tekst voor.
Het is niet echt een verzuim, eerder een doelbewuste beslissing om dat niet te doen.

Ik heb een hekel aan verhalen die om de haverklap een witregel hebben, zonder dat er op zijn minst een wending in het verhaal is. De tekst wordt dan gevoelsmatig los voor mij, gefragmenteerd. Ik kies er voor om de tekst slechts op te delen, waar het echt nodig is. E

Ik ben mij er echter van bewust dat concentratie kost. Maar in gewone boeken zijn er meestal ook bar weinig witregels. Dat kost toch ook concentratie?

Neemt niet weg dat ik je eerlijkheid op prijs stel, hoor.
Ik ben het met je eens dat de 'enters' zelden correct worden ingezet, maar omdat vanaf het scherm lezen vaak meer concentratie kost dan een boek,kan het in sommige gevallen een oplossing zijn.
Echter, jij heb de regie - en als jij ervoor kiest het niet te doen, dan begrijp ik dat.
Dat is waar, het scherm is anders dan papier.
Misschien verander ik later van gedachten, maar voorlopig doe ik het zo. Bedankt voor je begrip. :)
Geweldig geschreven.
Dank je wel, Candice.