Het gevaar van een 'wat is'-vraag

Door RogierCenin gepubliceerd op Wednesday 03 December 16:02
Wat is liefde? Een vraag sinds mensheugenis gesteld en in vele klanken bezongen. Maar wetenschappelijk is ze nooit goed begrepen, laat staan bevredigend beantwoord. We weten echter allemaal wat liefde is. We herkennen het gevoel van verliefd zijn, de vlinders in je buik, de overmatige aandacht voor de geliefde, de blinde vlekken en het ophemelen. We weten dus blijkbaar heel goed wat liefde voor ons betekent. Maar zodra we de vraag stellen: wat is de liefde? staan we met de mond vol tanden of vol met duizend en een filosofische gedachten. Wat liefde an sich en überhaupt echt is, weten we nog steeds niet. We zijn ervan overtuigd dat de liefde bestaat, dat het iets is wat ons raakt, beweegt en in bezit neemt.
16758d1fb349ef77e6b1748fc294f858_medium.
Wat is rechtvaardigheid? Ook zo'n vraag die al een lange geschiedenis heeft. Vele denkers hebben hun licht erover laten schijnen, hun geest gekweld en hun hersenen gekraakt. Maar een bevredigend en finaal antwoord blijft uit. Ook hier geldt dat we rechtvaardig gedrag wel degelijk kunnen herkennen; vooral onrechtvaardige handelingen zijn in onze beleving evident herkenbaar. Zodra iemand zich onrechtvaardig gedraagt, raakt het ons pijnlijk, zijn we verontwaardigd of worden we zelfs boos. Maar wat is rechtvaardigheid nu in haar wezen, in haar kern? Een vraag waar Socrates al naar opzoek was way back in de antieke tijd. Rechtvaardigheid op zichzelf ontglipt steeds ons begrip en blijkt maar moeilijk te vatten. Desalniettemin hebben we een overtuiging dat rechtvaardigheid wel degelijk bestaat. We menen zelfs dat de ene persoon er meer of minder van heeft dan de andere en dat het iets is dat we kunnen kweken door opvoeding. Net als de liefde, zijn we ervan overtuigd dat het iets is dat ons raakt en beweegt; iets dat wezenlijk bestaat.
 
Nog eentje dan. Wat is waarheid? Een al even oude vraag waar onophoudelijk mee is geworsteld. De waarheid heeft een grote waarde voor ons. Het is van belang bij het geven van getuigenissen, bij het beschrijven van verhalen en wanneer we ons geheugen raadplegen. Wetenschap is ondenkbaar zonder waarheid. Het heeft een belangrijke waarde in morele kwesties als ook bij esthetische oordelen. Het is voor ons immers waar dat sommige handelingen goed zijn en andere kwaad zijn. Het is immers waar dat sommige objecten of vertoningen zijn schoon en mooi, terwijl het andere lelijk zijn. Beschrijvende, morele of esthetische uitspraken hangen in de lucht als we niet weten of ze ook waar zijn. Het is ook alles of niets: iets is of waar of onwaar en niet een beetje van beide. De waarheid heeft voor ons altijd te maken met de uiteindelijke werkelijkheid zelf, hoe dingen werkelijk zijn, welke kenmerken zij echt hebben, welke waarden en overtuigingen werkelijk zijn. We verlangen naar DE waarheid als een ultieme, alles overstijgende duiding. Maar wat het nu eigenlijk, wezenlijk en in zichzelf is?
Zo kunnen we een tijdje doorgaan met het stellen van 'wat is x'-vragen en telkens zullen we ons herhalen: we herkennen x, hebben er een vage notie van en willen graag weten wat het wezen van de x-heid is. En daarin schuilt wellicht het probleem: we verschuiven onbewust van het fenomeen x naar een abstracte zelfstandige x-heid en veronderstellen stilzwijgend dat deze x-heid bestaat in de onafhankelijke werkelijkheid. We veronderstellen dus zij ontologische gegeven is. Sinds de antieke filosofen stellen we 'wat is'-vragen, een vraag naar het wezen van de dingen. We willen de essentie van iets weten en vanuit deze wil-tot-weten vooronderstellen we dat dit iets bestaat
 

bc6a21cdc9ed1e352134d6d5e898c92c_medium.

Weten dat bepaalde zaken zijn, stelt ons gerust. Het zijn der dingen geeft ons een gevoel van houvast, zekerheid en grond onder de voeten. Want wat is kan niet toevallig zijn, vaag zijn, vermengt of tijdelijk zijn. Wat werkelijk is, is onafhankelijk van wie dan ook. Plato zocht naar deze vorm van zekerheid toen hij opzoek ging naar de essentie van de verschijnselen, naar de kern van onze overtuigingen en naar de ultieme betekenis van waarheid, rechtvaardigheid en schoonheid. De wereld die Plato zag was chaotisch, vluchtig en modieus. Hij verafschuwde de zienswijze van Heraklaitos dat alles wisselend en van voorbijgaande aard is, dat alles vloeit en stroomt. Hij wilde vastigheid in de geest van Parmenides die meende dat het zijn stabiel is, oneindig en onverdeeld, eeuwig en onveranderlijk. Het zijn vormde voor hem een vast fundament. Deze wens en gedachte ligt nog steeds ten grondslag aan onze verlangens en behoefte aan vastigheid en zekerheid. "Je kunt wel meningen hebben, zienswijzen delen, maar we willen weten hoe het nu definitief, wezenlijk en echt is?" Het lijkt wel een psychologische of zelfs existentiële behoefte van ons mensen dat zaken die belangrijk voor ons zijn, ook werkelijk moeten zijn en niet slechts opgevat worden als een eigenschap, kenmerk of zienswijze.
196fd41c4b23ec8b15ba2087cdc17955_medium.
De valkuil van dit zijnsdenken, dit wezensdenken neemt ons echter niets vermoedend mee in haar rabit hole. De valkuil van deze oergedachte is die van het hypostaseren. Hypostaseren betekent een idee in ons hoofd een zelfstandigheid geven. We maken van een gedachte een ding, geven het substantie of stoffelijkheid. Het meest in het oog springend voorbeeld is de idee van een god. We bedenken dit grootse, almachtige, alwetende, alomtegenwoordige idee en geven het een wezenlijk bestaan. God staat daarom ook in de filosofie symbool voor een ontologisch fundamentalisme. God bestaat niet alleen, maar is ook de grond van al het denken, al het weten, alle waarden en waarheid. Maar of god nu echt ook werkelijk bestaat, kunnen we helemaal niet weten. Het is nu juist de 'wat is'-vraag die ons (onbewust) verleidt tot zo'n hypostaseren van het onderwerp. We herkennen weliswaar rechtvaardige mensen en rechtvaardig gedrag, maar weten niet of er ook iets bestaat dat 'rechtvaardigheid' is. Dit impliciet en onbewust veronderstellen, is de valkuil. We herkennen het verschijnsel 'liefde' en denken dat er dus iets moet bestaan als 'liefde'. Zelfs Descartes maakte deze vergissing: "Ik denk dus ik best" wat zoveel betekent als: "hoe radicaal ik ook aan alles twijfel, aan dit twijfelen kan ik niet twijfelen; dus moet er wel iets bestaan dan twijfelt; dus ik besta." Descartes had het bij de constatering moeten laten dat hij aan het twijfelen zelf niet kan twijfelen. Hij hypostaseerde echter de veronderstelling van een ik dat twijfelt en viel prompt in de valkuil.
 
Maar is dit hypostaseren zo erg? Als mensen willen geloven dat bepaalde ideeën, concepten of eigenschappen ook echtbestaan, ook wezenlijk  en onafhankelijk zijn, wat is daar zo verkeerd aan? Het gevaar van wezensdenken is dat meningsverschillen zich tot onoplosbare conflicten kunnen ontwikkelen. Denk aan een situatie waarin mensen van mening verschillen over niet alleen het bestaan van een zaak, maar juist over de waarheid ervan. Die vermeende waarheid wordt dan doorgaans gestaafd, gestoeld of gefundeerd en wel op iets dat voor hen wezenlijk is, als iets dat werkelijk is en bestaat en niet zo maar als zienswijze, structuur of ordening. Zij zeggen dan: "Nee, dat is niet zo. Ja, dat is wel zo!" en houden elkaar gevangen in dit conflict. We bouwen liever op een fundament dan het bouwwerk te beschouwen. We strijden liever tot de dood voor deze grond, dan te zeggen: "Nee, ik zie het anders. Ja, ik ook!"  Een onoplosbaar conflict is wanneer de een gelooft dat god bestaat, de ander dat hij niet bestaat; in plaats van de idee dat god wel of niet een zingevend beginsel vormt - dan wordt het een oplosbaar conflict. De een is ervan overtuigd dat de vrije wil bestaat en (wetenschappelijk) gevonden kan worden, de ander dat het niet bestaat en een illusie is - onoplosbaar conflict; inplaats van de idee dat de vrije wil wel of niet een psycho-sociale structurering is die persoonlijk en moreel gedrag betekenis geeft - oplosbaar conflict.
 
Meningsverschillen ontaarden in onoplosbare conflicten zodra we er een ontologisch fundamentalisme op na houden. Zolang we vast houden aan de idee van een werkelijke grond onder onze voeten, kunnen we nooit de grond van een ander accepteren. "Het is, of het is niet", zoals Parmenides zei en het kan niet beide of een beetje van elk zijn. Elk fundamentalisme is radicaal. We zijn zo gedreven om grond te vinden dat we liever blijven strijden tot de dood, dan inzien dat er eigenlijk geen grond is. Het zijn der dingen, zo leert dit fundamentalisme, kan niet verschillend zijn, veranderlijk, tijdelijk, plaatselijk of persoonlijk zijn; het zijn is zoals het is en niet anders, het ligt niet aan mij of aan jou maar aan het zijn zelf. 
 
We vinden het maar lastig om dit fundamentalisme van ons af te schudden. De valkuil van het hypostaseren, van dit wezensdenken ligt telkens weer voor onze voeten. We vinden het moeilijk te geloven dat ons collectieve verstand de wereld ordent en de verschijnselen voor ons begrijpelijk maakt. Dat dit verstandelijke denken onze menselijke werkelijkheid structureert, kenmerkt en ordent, in plaats van dat dit denken de werkelijkheid aantreft zoals het echt in zichzelf is, gaat er bij menigeen nog steeds niet in. Dat gaat ons gewoon te ver; we kunnen niet geloven dat die werkelijkheid onafhankelijk van ons zelf geen orde of structuur bezit. Juist in tijden van twijfel en moreel verval, gaan mensen radicaler opzoek naar grond onder de voeten, naar onbetwijfelbare fundamenten. En zo raken zij meer en meer geïsoleerd op eilanden van zekerheid, raken hele culturen van elkaar vervreemd en lopen de spanningen alleen maar op.
7061f46662bfae656fcebabb92b63db7_medium.
Als we echter de ontwikkeling van het menselijke denken in grove lijnen bezien, lijkt er hoop aan de horizon te gloren. Dan tekent zich een beweging af waarin het moderne denken steeds meer verwijderd raakt van dit antieke wezensdenken. Denk bijvoorbeeld aan Plato, Aristoteles en Plotinus waarin het wezensdenken, dit ontologisch fundamentalisme, tot ontwikkeling kwam en tot grote hoogten werd gevoerd in de middeleeuwen. Deze ontwikkeling komt uiteindelijk, onder andere via Descartes en Kant, uit bij de opvatting dat ons rationele denken een ordenende werking heeft op onze werkelijkheid. Nietzsche en Wittgenstein en anderen lieten zien dat deze structurerende werking niet alleen door het rationele denken geschiet maar zeker ook door collectieve machtsstructuren, culturele taal en het politieke spreken. Marx, Foucault en andere structuralisten lieten zien dat de ordeningsprincipes van onze werkelijkheid ook door culturele waarden, wetenschappelijke en technologische instituties en sociaal economische normen worden bepaald. Paradoxalerwijs is het onze hele evolutionaire menselijke werkelijkheid die in haar dynamische complexiteit onze werkelijkheid zelf realiseert, structureert en ordent. We hebben slechts toegang tot onze werkelijkheid, in onze meervoudigheid en niet meer tot een onderliggende wezenlijke werkelijkheid. God is dood, zei Nietzsche al en er zijn nog slechts individuele mensen; met onze perspectieven moeten we het doen. Nu komt het eropaan te leren om het ontologisch fundamentalisme ook in ons dagelijkse spreken te verlaten en ons relativerend, perspectivistisch en kritisch uit te drukken. Of moeten we daarvoor eerst zelf goden worden om dat klusje klaar te spelen? Waar wilt u uw meningen op bouwen: grond, water of lucht?

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Heerlijk om zo te filosoferen!
Een interessante vraagstelling, goed geschreven artikel. een zin die er voor mij uitspringt is deze;
Het gevaar van wezensdenken is dat meningsverschillen zich tot onoplosbare conflicten kunnen ontwikkelen.

Gevolgd met op het einde deze;
Nu komt het eropaan te leren om het ontologisch fundamentalisme ook in ons dagelijkse spreken te verlaten en ons relativerend, perspectivistisch en kritisch uit te drukken. Of moeten we daarvoor eerst zelf goden worden om dat klusje klaar te spelen?

Relativeren is een kunst die in combinatie met goed weten uit te drukken het een juist perspectief kan bieden.

prachtig geschreven artikel

Er bestaat volgens mij niet één objectieve waarheid, maar wel heel veel kleine subjectieve waarheidjes van elk individu en die uit kunnen groeien tot een waarheid of een waarheid die als universeel wordt aangenomen.