EEN BLUESLEVEN EN IK (2)

Door Johan Wijngaarden gepubliceerd op Tuesday 25 November 11:34

3.

Medio augustus 1991 stap ik het grootste muziek- en platenwarenhuis binnen dat ik ooit heb gezien. In Cleveland, Ohio, USA. Hier vind ik de nagenoeg complete collectie elpees, waarop Chris Strachwitz op zijn Arhoolie label de blues revival van de zestiger jaren heeft vastgelegd. Met vijfendertig spiksplinternieuwe elpees (het blijft moeilijk kiezen en “zo’n kans krijg ik nooit weer!” houd ik mezelf voor) krijgt mijn blueshobby een geweldige boost. Natuurlijk door de voor mij nieuwe artiesten en hun interpretatie van de blues, maar ook de hoesteksten leveren meer kennis in inzicht op, die ik nog eens versterk met boeken over blues en abonnementen op de bladen Blues Unlimited en Living Blues. Zo graaf ik mij diep in deze wereld in. Daarin sla ik bijna door, wanneer ik serieus overweeg zelf(s) gitaar te gaan spelen. En als ik dan eens, om een rauwer stremgeluid te ontwikkelen, sigaren ga roken?

“Je houdt de gitaar verkeerd vast!” instrueert mij de verkoper in een muziekinstrumentenwinkel, “of ben je soms linkshandig?” Dat laatste blijkt nu en dan is de vervelende consequentie dat je de snaren als het ware up side down moet bespelen. Omdat ik ook nog eens absoluut geen enkele muzieknoot kan lezen, kom ik tot de conclusie, dat ik vooreerst beter de jacht op bluesconcerten, elpees en allerlei  literatuur zo wijd mogelijk open kan houden.

4.

Dankzij Wim Noordhoek’s programma Jazz en Blues (Ik luister alleen naar het tweede halfuur, van half twee tot twee uur) zit ik iedere zaterdag aan de VPRO radio gekluisterd en ontdek ik Francis “Scrapper” Blackwell en vooral Leroy Carr, een gitaar- en pianobluesduo, dat mateloos populair en trendsetter is in de periode 1928 tot Leroy’s dood (te veel aan whisky of zoals hij het zelf noemt “sweet corn”) in 1935. Ineens bevind ik mij in de bluesperiode van ver voor de Tweede Wereldoorlog. Het Oostenrijkse Document Records label van Johnny Parth heeft met steun van deskundigen en 78 toeren elpee-bezitters over de hele wereld het hele vooroorlogse blues reportoire op Cd’s gezet. Zo wordt mijn zang/gitaar verzameling uitgebreid met talloze gitaar/piano/zang duo’s en heropen ik een eigen blues rage uit de jaren dertig van de vorige eeuw: Peetie Wheatstraw, alias The Devil’s-Son-in-Law en Charley Jordan, Bill Gaither en Honey Hill, Bumble Bee Slim en een bijna ontelbare rij (al of niet zingende) pianisten, waaronder Henry Brown, Wesley Wallace, Sylvester Palmer, Barrel House Buck McFarland, Roosevelt Sykes (bijgenaamd the Honeydripper), Little Brother Montgomery, Cow Cow Davenport, Charlie Spand, Turner Parrish, Romeo Nelson, Montana Taylor, Bob Call, enzovoort. Het is een verzamelwoede, die zich twee keer per jaar openbaart in een inkooppelgrimstocht naar Amsterdam. Daar bevindt zich het Blues-Mekka in een winkeltje, dat blues ademt aan de Hendrik Jacobszstraat 12 tot ruim halverwege 2010. In Bluesleeftijd uitgedrukt ben ik dan pas 39.

abedff50751d696eacc58cc2e41efbed_medium.

Blues Record Centre, begin tachtiger jaren, eigenaar Paul Duvivié (L) en Martin A. van Olderen (Blues Promotor).

5.

Een oude zwart-wit film -Boogie Woogie Dream- tijdens een bluesmiddag in Amsterdam’s “Rode Hoed” laat mij kennis maken met een virtuoze pianoblues-variant, boogie woogie! De linker hand houdt een doorgaans strak ritme vast, de rechter zorgt voor vindingrijke, creatieve en melodieuze varianten en niet lang daarna ben ik verknocht aan Albert Ammons, Meade “Lux” Lewis en Pete Johnson, het beroemdste en nooit te overtreffen trio in dit genre, daarin vooraf gegaan door de uiteindelijke grondlegger, William “Pine Top” Smith. Voeg hierbij de door deze vier heren terecht bewonderde en muzikaal gerespecteerde Jimmy Yancay en je hebt de ongeëvenaarde top van de Boogie Woogie wereld uit de jaren 1928 tot de begin jaren veertig van de vorige eeuw bijeen. Al deze rasartiesten zijn inmiddels dood, maar hun muzikale erfenis wordt met geweldig elan nagespeeld door buitengewoon goede pianisten uit de hele westerse wereld. In Europa heeft bijna elk land wel een echte topper op dat gebied: Martijn Schok, Eeco Rijken Rapp, Erik Jan Overbeek alias Mr Boogie Woogie, Jeroen Sweers, Jaap Dekker (Nederland), Axel Zwingenberger[1] (Duitsland), Hannes Othahal en Christoph Rois (beide uit Oostenrijk) Silvan Zingg (Zwitserland). Uit de Verenigde Staten komen Little Willie Littlefield, Bob Seely en Ricky Nye.

Als ik nu ook eens piano leer spelen? Eigenlijk een veel mooier instrument dan een gitaar. En je hebt ook prachtige langzame boogies en bij een piano is het van ondergeschikt belang of je nu rechts- of linkshandig bent, lijkt mij. Maar als ik dan eens achter een piano ga zitten, zijn achtentachtig toetsen ineens wel weer erg veel.  “Als je maar vaak genoeg over de toetsen heen en weer gaat dan raak je vroeg of laat vanzelf de goede” “Of je kunt het direct heel goed of je doet je hele leven over twee hooguit drie nummers”, legt men mij tijdens een boogie woogie workshop uit. Ik hoor ontegenzeggelijk tot de laatste groep. En dan is de afstand tussen “boer d’r ligt een kip in ‘t water” tot een eerste vloeiende boogie voor mij veel te groot. En, hoe je het ook uitvoert, professioneel of slecht, het blijft naspelen.

Vaak en zeer intensief luisteren kan ik gelukkig wel. Dat geeft mij immers al een overweldigend betrokken bluesgevoel, dat nooit zal worden overtroffen, de rest van mijn blues leven lang.

 

[1] Zie ook Boogie Woogie Dream.

 

 

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Mooi P1eter! We sterven langzaam uit.
We houden de blues levend waar maar kan.
Prachtig om te lezen voor een Blues liefhebber als ik...