Woordenschat in de klas

Door Schrijver-nu gepubliceerd op Tuesday 18 November 14:39

Woordenschat
Ik heb aan mijn collega’s gevraagd hoe zij met woordenschat in de klas bezig zijn. Hieruit kwam vooral naar voren dat ze de opdrachten uit de methode ‘ Taalactief’ gebruiken. Om woordenschat te toetsen gebruiken ze de CITO toets van woordenschat. Een collega uit de middenbouw gaf aan dat deze toets voor veel leerlingen best moeilijk was. Toen een leerling het woord ‘doel’ zag, dacht hij het antwoord snel te weten, omdat hij op voetbal zit. Verbaasd zei hij tegen de leerkracht dat het goede antwoord er niet bij stond, niet wetende dat ‘doel’ ook een andere betekenis heeft. In de onderbouw heb ik met mijn duo collega afgesproken dat wij bij elk thema een woordveld maken met woorden die bij het thema passen. Op deze manier leren leerlingen nieuwe woorden die zijn geplaatst in een bepaalde context (het thema). Leerlingen mogen ook spullen meenemen die met het thema te maken hebben. We maken ieder thema een lettertafel met allerlei spulletjes die met de letter beginnen die central staat. De spullen bespreken we met de klas. Wat is het en wat kan je er mee doen? Verder gaan we binnenkort ook de ‘boekjeskring’ introduceren. Leerlingen mogen hun lievelingsboek presenteren. Dit kunnen zij thuis met hun ouders voorbereiden. Natuurlijk lees ik als leerkracht elke dag minimaal één (prenten)boek voor. Deze bespreken we met de hele klas en ik stel hier als leerkracht ook vragen over. Wat is er precies gebeurd? En wat betekent een bepaald woord? Wie kan dit woord eens uitleggen of uitbeelden? Ik gebruik drie uitjes (Verhallen, 2009), namelijk;

Uitleggen: het geven van een korte kindvriendelijke betekenisomschrijving, zodat de kinderen begrijpen wat de woorden betekenen. Leerlingen uit de klas kunnen dit soms ook zelf. Helemaal in mijn combinatie groep kunnen kinderen uit een hogere groep veel woorden aan de jongere kinderen uitleggen. Een voorbeeld is het woord ‘pensioen’, toen we met de klas spraken over koningin Beatrix die zal aftreden in april. Een leerling uit groep drie legde dit haarfijn uit; ‘Pensioen betekent dat je gratis centjes gaat verdienen’.

Uitbeelden; Dit is van belang om leerlingen een beeld te geven van een bepaald woord, zodat zij de betekenis leren. In mijn klas doen we dit ook vaak als spelletje. Iemand beeld een bepaald woord uit en wij moeten raden wat het woord is. Vaak gebruik ik dan woorden uit het thema waar we recent de betekenis van hebben geleerd.

Uitbreiden: voor context en clustering: meerdere woorden worden bij elkaar aangeboden in een logische betekenisstructuur (bij ‘start’ hoort ‘finish’) Als leerkracht vertel ik niet alleen de betekenis, maar gebruik ik ook woorden die er bij horen. Uit welke context komt een bepaald woord. Hierbij is het dus ook een voordeel dat we in groep 1/2 met thema’s werken. Uitbreiden leidt tot een diepere woordkennisopbouw.

Uitproberen: Dit uitje is voor de leerlingen zelf. Ze gaan de kennis die zij hebben geleerd actief verwerken. Hierdoor begrijpen zij de woorden beter en kunnen ze de woorden beter onthouden. Er zijn verschillende ‘maps’ ontwikkelt die ik later in het vier-takt model aan de orde wil laten komen, zoals; de kast, de parachute, de woordspin en de woordtrap (Van der Nuft & Verhallen, 2009).

De ‘uitjes’ kunnen worden gebruikt in het vier-takt model van Marianne Verhallen. Zij schrijft over deze uitjes in de tweede stap van haar model ‘ semantiseren’. Collega’s hadden nog nooit van onderstaand model gehoord, dus het was interessant om hier in de vergadering wat over te vertellen.

Vier takt model van Marianne Verhallen om woorden te leren:

  • Voorbewerken – voorkennis activeren: Waar denk je aan als ik het woord ‘ vakantie’ op het bord schrijf. Leerlingen worden hierdoor actief en uitgenodigd om betrokken mee te doen. Door voorkennis op te roepen kunnen nieuwe woorden gemakkelijker aanhaken. Je kunt bij voorbewerken ook denken aan een kort toneelstukje, een voorwerp laten zien of een kort filmpje.
     
  • Semantiseren – uitleggen, verduidelijken: Bij deze stap verhelder je de betekenis van een woord. Hierbij kan je de ‘uitjes’ gebruiken die ik eerder heb beschreven.
     
  • Consolideren – inoefenen: aangeboden woorden moeten vaak en op verschillende manieren worden herhaald, zodat leerlingen de woorden beter onthouden.
     
  • Controleren – kijken of het woord is beklijfd/ is blijven hangen: Er wordt nagegaan in hoeverre de leerlingen een aangeboden woord kennen.

 

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.