Noodlot

Door Natuursmurf gepubliceerd op Thursday 13 November 18:13

8.00: Supermarkt in Oud-Bijerland

‘Goedemorgen inspecteur.’
‘Hm, ja goedemorgen Angela.’
‘Vergeef me dat ik het zeg, maar u ziet er nogal… eh verfomfaaid uit.’
‘Het is die verdraaide mist,’ bromt Kloezo. ‘Mijn hele voorkant is ingedeukt. Achterlijke eend!’
‘Heeft u het nu over uw auto inspecteur?’
‘Nee, ik heb het over die eend die mij liet uitwijken naar een boom. En bomen wijken niet.’
Hoofdschuddend loopt hij de winkel verder in. ‘Is het slachtoffer al geïdentificeerd?’
‘Het gaat om Hans Visser, de supermarktmanager.’
‘En waar is Jansen?’
‘Bij het slachtoffer in de kantine inspecteur.’
In de kantine? Ik dacht dat de man midden in de winkel was gevonden?’
‘De medewerkers hebben hem verplaatst.’
‘Wat een idioten! Ik wil ze onmiddellijk spreken. Waren er trouwens al klanten binnen?’
‘Twee, inspecteur. Ik heb…’
‘Ik vind dit allemaal hoooogst bezwaarlijk!’
Kloezo fronst zijn wenkbrauwen. ‘Wat is dat voor sirene?’
‘Dat is meneer Hopjes, de assistent supermarktmanager. Hij is het er niet mee eens dat we de supermarkt sluiten.’
‘Weet je het zeker dat het een man is?’


f072cfc330e9d7374521e83386fed6e0_medium.

De inspecteur komt bij de assistent manager staan die op bijzonder hoge toon één van zijn agenten aan het uitfoeteren is. De man die zeker een meter of twee meet, praat zó opgewonden dat zijn adamsappel bij elk uitgesproken woord op en neer springt als een stuiterbal.
Kloezo kijkt er even gefascineerd naar en klopt de man dan – met enige moeite – op de schouder. ‘Heeft u een momentje meneer?’
De opgewonden sopraan keurt de kleine inspecteur nauwelijks een blik waardig en gaat vervolgens verder met zijn tirade. ‘Dit is een schande zeg ik u. Ik meen u. Ik meen u! Dit is…’
Met een bruusk gebaar draait Kloezo de handen van de man op zijn rug en dwingt hem op zijn knieën. Terwijl de man klagelijk begint te jammeren, brengt Kloezo zich op oorhoogte en zegt op rustige toon: ‘Nog één woord van u en ik laat u arresteren.’ Daarbij kijkt hij hem veelbetekenend aan.
Het is op slag stil in de zaak.
Kloezo knikt tevreden. ‘Op naar de kantine.’ Zijn assistent Angela loopt met hem mee. Nog voor ze er zijn horen ze een hels kabaal. Zodra de inspecteur de deur opent, krijgt hij een halve salade in zijn gezicht. ‘Wat krijgen we nou?’
Terwijl hij zich met zijn linkermouw bevrijdt van sla en stukjes aardappel overziet hij de chaos: twee luidkeels vechtende vrouwen die elkaar letterlijk de haren uit het hoofd trekken en elkaar met van alles bekogelen terwijl hoofdagent Jansen met vergeefse moeite probeert de viswijven te kalmeren.
Kloezo haalt zijn scheidsrechtersfluitje uit zijn zak en geeft hem van jetje. Vroeger blies hij voetbalwedstrijden bij de jeugd. Dat ging hem altijd bijzonder goed af.
In de kortstondige stilte die ontstaat geeft Kloezo zijn stem de ruimte: ‘Attentie! Ik ben inspecteur Kloezo en zou iemand mij in hemelsnaam willen vertellen wat er hier aan de hand is?’
De beide dames snellen op de kleine inspecteur af en beginnen direct opnieuw te kakelen.
Kloezo klapt één keer hard in zijn handen. ‘Nu,’ wendt hij zich tot de vrouw aan zijn linkerzijde, ‘wat is uw naam?’
‘Miep Dobbelsteen,’ antwoordt ze perplex.
‘En u?’ vraagt hij de ander.
‘Margriet Luiten.’
‘Goed. En u beiden werken in de supermarkt?’
‘Wij bedienen de kassa.’
‘Goed. Jullie blijven hier staan en ik wil geen woord meer horen, begrepen?’
De dames knikken bedeesd.
Kloezo loopt naar een van de tafels waarop het slachtoffer ligt opgebaard. Jansen komt bij hem staan. ‘Is de doodsoorzaak al bekend?’
‘Waarschijnlijk een harde klap op het hoofd,’ zegt de hoofdagent. ‘Zijn schedel is behoorlijk ingedeukt. Degene die het op hem voorzien had is behoorlijk tekeer gegaan.’
‘Hoe laat is hij gevonden?’
‘Ongeveer een uur geleden.’
‘En niemand heeft de winkel sindsdien verlaten?’
‘Niemand inspecteur.’
‘Dus…’
‘De dader is nog steeds aanwezig,’ knikt Jansen.
Kloezo knikt bedachtzaam. ‘Heb je de dames al ondervraagd?’
Jansen schraapt zijn keel. ‘Ik was juist bezig… nou ja, ik deed een poging tot…’
‘Ik begrijp het,’ glimlacht Kloezo. ‘Opsplitsen dan maar?’


8.30

Kloezo zit tegenover Miep Dobbelsteen.
‘Heeft u…’ begint de inspecteur.
‘Ik heb het niet gedaan,’ onderbreekt ze hem.
‘Dat wilde ik niet vragen. Heeft u hem gevonden?’
‘Nee. Ik hoorde een schreeuw en toen ik ging kijken waren Margriet en Jan er al.’
‘Jan?’
‘Ik bedoel meneer Hopjes.’
‘Juist. En toen?’
Nerveus friemelt ze met haar handen. ‘Mag ik hier roken?’
‘Nee!’
‘Alstublieft, ik moet even…’
‘Vertel verder juffrouw Dobbelsteen.’
‘Ik weet het niet. Hij lag daar zo, helemaal alleen. We waren het er allemaal over eens dat we hem niet zo konden laten liggen.’
‘Aha. En wat is uw relatie tot het slachtoffer?’
Miep schuift nerveus over haar stoel. ‘Hij was mijn baas.’
De inspecteur kijkt haar recht in de ogen. ‘En?’
‘Goed,’ zucht de vrouw. ‘We waren verliefd.’ Bij die woorden glimlacht ze even, maar vrij snel daarna verstrakt haar blik. ‘Tenminste, dat dacht ik. Als ik had geweten dat hij ook met die slet naar bed ging…’ Ze slikt de rest van haar woorden in.
‘U bedoelt juffrouw Luiten?’
‘Ik zeg niets meer.’
‘Goed dan.’ Kloezo staat op.

Op de gang overlegt hij met Jansen. ‘Juffrouw Dobbelsteen vertelde dat zij pas als laatste op het plaats delict arriveerde.
‘Wat toevallig,’ zegt de hoofdagent. ‘Juffrouw Luiten zei dat ook.’
‘Ik neem aan dat ze ook een relatie had met het slachtoffer,’ merkt Kloezo op.
‘Inderdaad.’
‘Dus ze hadden beide een motief. We moeten meneer Hopjes maar eens ondervragen. Ik ben heel benieuwd wat hij te vertellen heeft.’

 

90f3944e8e6423dd789f96991d97bf17_medium.

 

9.00

‘Ik was het niet. Niet zeg ik u! Ik was mijn handen in onschuld,’ verkondigt Hopjes uit de hoogte.
‘Natuurlijk niet. En u heeft meneer Visser ook niet als eerste gevonden?’
‘Nee,’ antwoordt de man bars. ‘Miep en Margriet waren er als eerste. Ik zat op kantoor toen ik werd opgeroepen.’
‘En u heeft ook niet meegeholpen het slachtoffer te verplaatsen?’
‘Jawel,’ knikt Hopjes. ‘We kunnen toch niet zomaar een lijk in de winkel laten liggen? Wat zullen de klanten wel niet denken? Het moet hier schoon zijn. Onberispelijk. Dat ben ik als supermarktmanager verplicht!’
Kloezo kijkt hem scherp aan. ‘Assistent supermarktmanager bedoelt u.’
‘Niet meer. Nu ben ik de baas.’
‘Dat klinkt alsof u hier op gewacht heeft,’ merkt Kloezo op.
‘Nou ja, niet precies.’
‘Oh?’
‘We hebben beide op de functie van supermarktmanager gesollicteerd. Ik had het moeten worden, maar het hoofdkantoor besliste anders. Duidelijk een vergissing. Wie laat zich nu midden in een supermarkt vermoorden. Alleen een grote kluns en dat was hij. Zo waar als ik het zeg!’

 

9.15

‘Duidelijk motief. Wat denk jij?’
Kloezo schudt zijn hoofd. ‘Ik weet het niet Jansen. Die meneer Hopjes is een enorme verwaande kwast en hij heeft een ego ter grootte van een Boeing 747, maar het ligt er te dik boven op. Laten we eerst maar het plaats delict onderzoeken. Onze drie verdachten kunnen ons daarbij assisteren.’


4d8968443e0761883f2eff1bcbc626bc_medium.


9.30

‘Hier was het,’ wijst Hopjes op een plek midden in de winkel. Hij lag precies naast de blikken met tomatensoep, nietwaar juffrouw Dobbelsteen en juffrouw Luiten?’
‘Ja,’ antwoorden de dames tegelijk.
Kloezo kijkt van de een naar de ander.
Jansen onderzoekt ondertussen de vloer. ‘Geen enkel spoor. Geen bloed of wat dan ook. Hoe verklaart u dat?’
‘Kraakhelder. Tiptop. Alles moet hier smetteloos zijn,’ vervolgt de wippende adamsappel. ‘Dat zijn we onze klanten verplicht.’
Jansen staart de man onthutst aan. ‘U heeft dus niet alleen het slachtoffer verplaatst, maar ook alles schoongemaakt voordat u de politie belde. Ben u soms gek?’
De man antwoordt zonder te knipperen: ‘Onberispelijk.’ Daarbij priemt hij zijn wijsvinger in de lucht.

 

10.00

‘Wat doen we met dat stelletje clowns?’
‘Neem ze mee naar het hoofdbureau. Daar zoeken we het verder wel uit. Angela zei trouwens dat er nog twee klanten aanwezig waren. Zijn ze er nog?’
‘Ze zitten in het kantoortje.’
‘Goed,’ knikt Kloezo. ‘Ik praat wel met ze. Neem jij de drie verdachten maar mee en wijs ze op hun rechten.’

‘Goedemorgen,’ groet de inspecteur zodra hij het kantoor binnenkomt, ‘ik ben inspecteur Kloezo.’
‘Ogenblikkelijk veert een besnorde veertiger uit zijn stoel op. Hij draagt een zwart pak en een zwarte zonnebril. Zijn strak achterover gekamde haar glanst in licht.
De man maakt een kleine buiging en stelt zich voor als: ‘Jacques Gaspard.’
‘En ik ben mevrouw Visser,’ stelt een oude vrouw zich voor. ‘Vergeef me dat ik niet op sta inspecteur, maar na 88 jaar hebben mijn broze botten betere jaren gekend. Na mijn wekelijkse rollator gang naar de supermarkt lig ik drie dagen voor pampus.’
‘Blijf gerust zitten mevrouw Visser. Ik wil alleen maar weten of jullie iets gezien hebben vanmorgen.’
De Fransman spreekt met brede gebaren: ‘Ik alleen wat croissantjes halen. Ik hier avant amusement. Ik wist niet hier zo dangereux.’
‘Tja,’ antwoord Kloezo een beetje bedenkelijk. ‘We krijgen hier weinig toeristen.’
‘Ik hier voor mijn roest, comprendre?’
Tijdens het praten zit de man constant aan zijn snor met een soort strelend gebaar alsof het een dierbaar verlengstuk van zijn leven is.
‘Excusez le mot inspector, wanneer kan ik gaan? Ik nog veel te doen heb.’
‘U kunt zo gaan.’
Op dat moment wordt er zacht op de deur geklopt. Kloezo doet open en zijn assistent Angela fluistert hem wat in zijn oor. Hij knikt en stuurt haar weer weg. Breed glimlachend wendt hij zich tot de snor. ‘Laten we opnieuw beginnen. Wie bent u echt?’
‘Ik verzeker u inspector Clouseau dat ik…’
Met twee stappen is Kloezo bij de man en rukt in één keer het zo gekoesterde snorretje van zijn bovenlip. ‘Ziezo, dat staat veel beter, vindt u ook niet?’
‘Bent u helemaal gek geworden!’ roept de man hysterisch.
‘Het is mij volkomen ernst.’
‘Maar inspector Clouseau…’
‘Ik heet Kloezo!’
‘Mijn verontschulding inspecteur Kloezo. Ik ben Jacques Gaspard. Ik ben hier op vakantie voor mijn rust, op aanbeveling van mijn dokter.’
‘Meneer,’ gaat Kloezo op ijzige toon verder, ‘uw papieren kloppen van geen kant en uw accent is ook ineens verdwenen. Ik ben moe. Ik heb een ingedeukte eend voor de deur staan en ik heb absoluut geen zin in deze nonsens! Vooruit! Wat is uw echte naam?’
De man zakt langzaam neer op zijn stoel en zegt met gebogen hoofd: ‘Fred Flipse.’
‘Waarom doet u zich voor als een ander?’
‘Ik ben privé detective. Ik werk voor diverse verzekeringsmaatschappijen.’
‘En?’
‘Ik onderzoek een serie van bizarre ongelukken met betrekking tot de heer Visser.’
‘Ongelukken?’
Flipse haalt een lijst uit zijn binnenzak. ‘Zes weken geleden belandde hij in het ziekenhuis vanwege een visgraat die in zijn keel bleef steken. Een dag later bleek hij ineens een notenallergie te hebben en moest weer acuut worden opgenomen na het eten van een boterham met pindakaas. Vorige maand brandde zijn huis tot de grond toe af. Vlam in de pan zou de oorzaak zijn. Twee weken geleden reed hij van de weg af en in het kanaal. Zijn remmen zouden het niet doen. En een paar dagen geleden nog electrocuteerde hij zichzelf met een elektrische tandenborstel.’
‘Dat is een hele waslijst.’
‘Jazeker. En tegen al deze zaken was hij toevallig verzekerd.’
‘Dat klinkt inderdaad verdacht. Had hij ook een levensverzekering?’ wil Kloezo weten.
‘Niemand ontkomt aan zijn lot jongens,’ mengt mevrouw Visser zich in het gesprek.
‘Wijze uitspraak mevrouw Visser, maar…’
‘Wacht eens even Flipse,’ onderbreekt Kloezo hem. ‘Kent u toevallig het slachtoffer mevrouw Visser?’
‘Natuurlijk,’ zegt de dame op leeftijd. ‘Hans was mijn zoon.’
De privé detective wendt zich tot de vrouw. ‘Heeft u soms een levensverzekering op de heer Visser afgesloten?’
‘Ja, maar alleen omdat het zijn tijd was.’
‘En hoe weet u dat?’ vraagt Kloezo.
‘Omdat hij weigerde mij te hulp te schieten toen ik hem nodig had. Hij wilde mij in een bejaardentehuis dumpen. Alleen al om die reden wist ik dat hij leefde op reserve tijd. Een moeder voelt zoiets aan.’
Flipse springt op uit zijn stoel. ‘Heeft u uw eigen zoon vermoord?’
‘Natuurlijk niet. Wat denkt u wel niet van mij?’
‘Oh en wie heeft het dan wel gedaan?’
De oude dame wendt zich tot Kloezo. ‘Bent u gelovig inspecteur?’
‘Ik geloof in wat ik zie.’
De vrouw wenkt hem dichterbij. ‘Ik zal u vertellen wat het was,’ fluistert ze. ‘Het was de voorzienigheid.’

 

11.00

Peinzend staart Kloezo naar de blikken tomatensoep; de enige getuigen van de dood van Hans Visser. Als blikken konden praten…
Het is stil in de zaak. Hij gaat op de vloer zitten en sluit zijn ogen. Hij heeft het gevoel dat de oplossing van het mysterie voor het grijpen ligt.
Opeens hoort Kloezo een krakend geluid boven zich. Hij kijkt omhoog en duikt vervolgens razendsnel opzij. Een plafondtegel zeilt naar beneden en valt in duizend stukken op de vloer.

 

11.11

In het kantoor grijpt Kloezo de telefoon en belt Jansen op het hoofdbureau. ‘Hoe gaat het daar?’ vraagt hij enigszins vermoeid.
‘Ik heb nog nooit zo’n stelletje randdebielen bij elkaar gehad,’ zucht Jansen. ‘Wat een clowns!’
‘Dan heb ik goed nieuws. Je mag ze laten gaan.’
‘Heb je de dader gevonden?’
‘Ja, min of meer.’
‘Wie is het dan?’
‘Het was niemand minder dan de voorzienigheid.’

 

 

 

 

 

48f694105cdafd798ea31e2645c6f766_medium.

Reacties (40) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Gelezen en beoordeeld!
Gelezen.
Gelezen.
ge-wel-dig!
Leest in ene ruk uit, tot en met 11:11 van de voorzienigheid.
Ik dank de voorzienigheid dan ook voor zijn bijdrage ;)
Ik lees jouw reaktie hier op Bali om 10:10 :)
Hoe kan het ook anders :)
Spannend verhaal Smurf! Echt heel goed geschreven en met spanning gelezen door deze dame. :-)
Bedankt Dipper.
Je vertelt echt goed, de clou, de plafondtegel, de originaliteit, ik heb hier echt van genoten!
Dankjewel MoZ@rt. Doet me goed om te horen, ik heb hier echt veel werk aan gehad.