Meten is weten

Door Ronald66 gepubliceerd op Friday 31 October 18:10

‘Dat heb ik nou altijd. Gaan we naar Ikea, sta ik stijf van de zenuwen. Goeie zenuwtjes, dat wel. Dat begint al in de auto. Ons Francien zit tegenwoordig achter het stuur, ik ernaast. Mijn vrouw heeft liever niet dat ik rij, zeker niet als ik zo nerveus ben. Geef haar eens ongelijk, met die bibberknie. Kan hem gewoon niet stilhouden. En met mijn rechteroog is het ook al niet goed. Dat trekt een beetje, van de opwinding. Maar dat is niet erg hoor. Wat ik zei, het zijn goeie zenuwtjes. In de auto valt niks meer te meten, dus ik móét het uitzitten.

Lopen we eenmaal van de parkeerplaats naar de ingang, dan hou ik het niet. Dat wordt rennen, kan het niet helpen! Ben ik al bijna binnen, zie ik Francien ginds pas aankomen! Opschieten, opschieten Sien!, zou ik dan wel willen roepen. Soms doe ik dat ook. Niet dat dat veel uitmaakt hoor. Nieuwe Sien doet het op haar gemak, net als die andere.

Laatst zat ik nog klem tussen de draaideur, door de haast. Kreeg ik nog een kopje koffie van het personeel, voor de schrik. Daar zat ik natuurlijk niet op te wachten. Ik wilde de winkel in! Gloeiendheet opgedronken.

Lopen wij eenmaal met z’n drieën door die eindeloze Ikea met al die prachtige meubels, vallen alle zenuwen van me af. Ik, mijn maat en Sien, heerlijker bestaat niet! En maar meten en opschrijven. Eindeloos meters meubels meten. Ik moet het gewoon weten! Ik zet ze allemaal in mijn computer, de maten. Ik denk, zonder opscheppen, dat mijn maatje en ik pak hem beet al een kilometer of duizend, achtduizend hebben gemeten. Minimaal.

Ik noem mijn rolmaatje mijn maatje, omdat hij al een jaar of dertig mijn beste vriend is. Ineens was hij er. Hij zat verpakt in zo’n doe-het-zelf kluskoffer, voor mijn verjaardag. Ik zat toen net overspannen thuis en mijn dochter en haar vriend hoe-heet-ie dachten dat zo’n setje precies was wat ik nodig had om me niet te vervelen. Een hamertje, een paar schroevendraaiers, een stom zaagje, spijkertjes en schroefjes en: mijn rolmaat. “Voor thuis Toon!”, zei mijn schoonzoon nog. En daarachteraan: “Dan hoef-de de boel op de zaak niet meer in elkaar te timmeren!” Niet leuk want ik begon er nét een beetje overheen te komen en trouwens, met de chef is het toch nog goed gekomen? En ze hebben toch ook nog een bosje bloemen gestuurd? Nee, allemaal prima in orde. Toen ik de rolmaat zag was ik verkocht. Mijn maatje heeft mij nog nooit boos gemaakt.

Bestaat er een fijner gereedschapje dan mijn rolmaat? Ik weet niks fijners dan, gewoon, met mijn maatje meten hoe groot alles is, alles zeker weten. Mijn bed, de stoelen, de gangen. Dat gaat allemaal op lijstjes in de computer. Heb ik weer een lijstje af dan print ik het voor de zekerheid uit en laat ik het Francien nakijken, als ze er is natuurlijk. Meestal klopt het wat ik meet. Soms vraagt Sien wel eens van “Weet je het wel zeker van het deurkozijn?”, of zoiets. Ik weer nameten natuurlijk! Sien plaagt dan maar een beetje. Niet teveel natuurlijk want dan gaat het weer mis. Mijn bovenkamer hé. Francien vindt het zo knap wat ik doe. Meestal krijg ik mijn lijstje zonder fouten terug. Dan heeft ze er een 10 op gezet.

Lieve Sien is links. Maar vroeger was ze rechts. Van die Sien kreeg ik een krul. Die was nog veel liever.

’s Nachts ligt mijn maatje op het tafeltje naast mijn bed. Of onder mijn kussen. Van mijn maatje blijven ze af. Laatst kwam er een mijn kamer op. Ik had hem al vaker op de gang gezien. Liep recht op het tafeltje af. Gelukkig konden ze hem op tijd tegenhouden. Ze kunnen maar beter van mijn maatje afblijven.

Net als die ene keer bij ons thuis. Sien pakte mijn maatje op, ik weet al niet meer waarom. Ook niet wat er daarna gebeurde. Toen ik wakker werd lag ik in een vreemd bed tegen tl-balken aan te kijken. In een grijze kamer met een wit plafond. Knokkels kapot en overal spierpijn. Pijn in mijn kaken ook en zo’n rot smaak. Die lieve Francien lag toen ook in bed zeiden ze. Maar dat was in een ziekenhuis. Ze was gevallen vertelden ze later. Gebroken kaak, gebroken sleutelbeen, overal schrammen en bloed. Ik vind dat zo zielig voor Sien, ook met die slechte knie. Maar ik kan haar niet helpen. Het lijkt wel of er tegenwoordig altijd iemand bij is als mijn Sien en ik elkaar zien. Ja soms, als Sien in een ander kamertje zit, dan zijn we alleen. Kunnen we door het glas praten. Dat is toch ongezellig? Als ik er iets van zeg lachen ze maar wat. Vriendelijke mensen hoor, daar niet van. Maar toch ook een beetje raar. Sien van hier pakt mijn maatje nooit op. Die weet hoe belangrijk hij voor mij is.

Mijn maatje en ik zijn al dertig jaar maatjes. Soms valt er een springveertje uit of een schroefje. Dan kan ik wel janken. Vooral de eerste keer toen dat gebeurde, lang geleden. Ik was helemaal overstuur. Ik maar roepen: “Hoe moet het nou verder met ons Sien!” ’s Avonds, toen ik gekalmeerd was en Sien weer thuis was gekomen lag er een nieuwe op tafel. Eentje met een extra knopje zodat hij niet meteen terugschiet. Volgens mij denken Sien en die anderen dat ik niet zíe dat het een ander maatje is. Tuurlijk wel. Rolmaatjes houden het niet eeuwig vol met dat gammele veertje. Denken ze soms dat ik gek ben?

Het fijne van Sien is dat ze het zelf ook belangrijk vindt om alle maten te weten. Bij de Ikea mag ik lekker mijn gang gaan. “Zeg, hoe groot zijn die bedden daar eigenlijk? Ga eens meten”, zegt ze dan. Ben ik vlot weer een uur bezig! Als ik klaar ben heeft Sien de tas alweer vol met spulletjes. En als ze nog niet klaar is winkelen, weet je wat ze dan zegt? “En de kussens dan, hoe groot zijn die wel niet?” Dan lacht ze een beetje. Ik snap dat wel. Het is me een mooie, die Sien! Weet je hoeveel kussens ze bij Ikea hebben?

Ik woon hier nu alweer een jaar of vijftien. Op een kamer, alleen. Er is ook een grote zitkamer met een joekel van een tv. Eens in de week komt Sien op bezoek. Daar kijk ik zo naar uit! Sien hier is ook lief voor mij. Maar die is toch anders. Als ik overstuur troost ze mij. Maar oude Sien kan dat beter. Mijn dochter heb ik al jaren niet meer gezien. Haar man ook niet trouwens maar dat is niet erg. De laatste keer dat ik ze zag was op mijn verjaardag, jaren geleden toen Sien en ik nog in ons huis woonden. Toen maakte hij weer flauwe grapjes. Over mijn werk van vroeger, en over mijn meten is weten. Pakte hij voor de gein mijn maatje van tafel, hup zo in zijn broekzak. Waarom deed hij dat nou? Daarna weet ik het niet meer precies. Ik vraag wel eens naar mijn dochter en haar man, hoe-heet-ie. Maar echt veel wijzer word ik niet.

Soms wou ik dat ons Sien en ik weer bij elkaar waren, zonder vreemden, fijn in ons eigen huis. Lekker net als vroeger, toen ik nog de hele dag op mijn werk moest zijn. Toen moest ik allerlei stomme dingen doen. Om gek van te worden! Maar dat gaat niet gebeuren, dat weet ik zeker. ’t Is gewoon zo’n gedoe, Sien die helemaal hierheen komt om mij te zien, met die slechte knie van haar. Ik snap wel dat ik hier moet slapen. Dat is beter voor Sien en misschien ook voor mij. Maar ik kan toch best bij haar op bezoek, even maar? Ik ben al lang niet meer bij Sien thuis geweest. Ons huis, eigenlijk. Er valt daar vast zoveel te meten. Zoveel te weten voor mij en mijn maatje. De stoelpoten, de vensterbanken, het schilderij. Ik móét het gewoon weten.’

Meten is weten - door Ronald Frencken

Reacties (5) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Leuk geschreven.
Ach jee,arme Toon.
Graag gelezen.
Dank je Elly.
Rolmaatjes heb ik zat en alle denkbare meet/waterpasapparatuur.
Van schietlood tot total station.