Thuisvaart, een in memoriam voor Omke Gerrit

Door Hans van der Veen gepubliceerd op Thursday 30 October 13:56

Thuisvaart

 

Hij lag er mooi bij in de kerk, onder het plexiglas. In een net pak, met een zwierig gestrikte das en een lefdoekje in de borstzak. Ook zijn bril had hij op, want zó had hij de mensen gezien en zó wilde hij ook gezien worden. Zonder bril zou hij nooit op reis zijn gegaan en de fonkelende glazen verhulden de terugwijkende ogen, die nu nòg dieper lagen.

Hij was door de kinderen pijnlijk netjes geschoren en de snor was bijgepunt. Het eerste gebaar dat hij maakte, als hij ontwaakte uit die diepe, kunstmatige slaap van de laatste weken, was een snelle veeg over de kin: “Kan ik zó gezien worden?” IJdel was hij en dat zou hij blijven.

Hij was een schipperszoon en daar was hij trots op, maar hij had zich als kapper opgeknipt. Hij droeg de mooiste jassen van het dorp en reed in de duurste auto’s, ver voordat iemand anders daar aan kon denken. Men kende hem, hij was gezien, maar hij liet zich niet aan iedereen zien. Een fel en onverzettelijk gesprekspartner was hij, niet altijd gemakkelijk voor zijn vrouw en kinderen en altijd moeilijk voor zichzelf. Respect hadden ze voor hem, ontzag, maar ze namen hem ook wel op de hak, als hij het even niet hoorde. En nu hoorde hij niets meer.

Het was een bijzondere gewaarwording, die sterke, heersende man nu zo broos en weerloos in hun handen te zien, toen ze hem aflegden; hem verzorgden, zoals hij gewild had. Een laatste dienst, ja, maar met zo veel liefde bewezen, zoals alles, wat ze voor hem altijd gedaan hadden. De kinderen noemden hem “vader” en dat was hij ook. Ze hadden hem in zijn kantoortje gelegd, te midden van de planken met boeken, vaktijdschriften en rekeningen die afgedaan hadden. “We hebben mooie kamerschermen voor U,” zei de begrafenisondernemer, maar vader wilde gewoon thuis zijn.

 

Zo fleurig als zijn uiterlijk bij leven en welzijn was geweest, zo sober lag hij op zijn doodsbed. “Liever één roos aan mijn voeten, dan scheepsladingen bloemen op mijn buik”, dat had hij gezegd en zo werd het gedaan.

Wat had hij met al het leven dat nog in hem was gevochten tegen de naderende dood. Slechts éénmaal tijdens al die lange weken ziekbed had hij zijn behoefte niet kunnen ophouden, maar dat was dan ook de laatste keer…

 

Het eerste weekend van zijn lange reis had hij thuis “overleefd”: Zijn vrouw had hem nog nodig, zoals hij bij zijn leven háár als tegenpool en baken nodig had gehad. Jas en schipperspet had ze aan zijn hoofdeinde gehangen, alsof hij even was gaan liggen…

En nu, na weken, als ze weer keek naar die jas en die pet en naar die lege plek waar hij voorgoed te kooi was gegaan, golfde het zacht-schrijnend door haar heen: “Vader is thuisgekomen”.

 

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Mooi beschreven, het raakt me
Mooi verhaal, intens en teder geschreven.