Schimpf und Ernst, een oratio pro domo

Door Hans van der Veen gepubliceerd op Thursday 30 October 13:44

“Schimpf und Ernst”, een oratio pro domo

 

“Waarom nou Duits?” was een vaak gestelde en te veel gehoorde vraag aan mij. En altijd was er mijn Ikea-smoes: “Omdat ik zo graag de sprookjes van Grimm in de oorspronkelijke taal wilde lezen!” De waarheid hieromtrent krijgt U, lieve lezer en/of vreselijke vragensteller, nú te horen. Ze is eenvoudiger en minder opzienbarend dan ik zelf zou wensen: het was een opgeworpen dubbeltje met kruis of munt. En het werd munt voor mij!

Op mijn mondelinge eindexamen geschiedenis in 1965 vroeg een gecommitteerde - die de avond tevoren was doorgezakt in “Hotel Goderie”, derhalve een zonnebril droeg en nog geen boe of bah gezegd had - , wat ik ging studeren. “Engels of Duits”, antwoordde ik geheel naar waarheid en in de juiste volgorde. “Waarom geen Duits? Engels doen er zoveel en Duits is iets bijzonders!”  En zo koos ik voor het bijzondere, wat ik altijd heb gedaan, niet om op te vallen, wél om mij te onderscheiden. Van deze keuze heb ik alleen op vakanties in Engeland spijt gehad.

Duits is immers de prachttaal van “Dichter, Denker und Gelehrte” met dito literatuur. Vooral het laatste interesseerde mij mateloos en ik vervloek de minister, die Literatuur op VWO en HAVO gereduceerd heeft tot twee lullige moduletjes van 2 x 5 uur totaal op jaarbasis!

’t Is om te janken, neen, niet alleen vanwege Goethe, Schiller, Lessing, Nietzsche, maar ook vanwege al die andere, misschien wat mindere goden, die met hun intrigerend-beknopte taalgebruik zo poëtisch kunnen uitweiden over aardse zaken. Joop Visser heeft gelijk in het liedje “Laatst nog een aardige Duitser ontmoet…”, het zijn gewoon mensen en je kunt met hen over alles praten. “Sich über Gott und die Welt unterhalten”, zoals de Duitsers zelf zeggen, en als je niet op je woorden past, pakken ze je nog in ook, zelfs met je eigen woorden! Neen, het zijn geboren causeurs, debatteurs, en het “Literarische Quartett” van Marcel Reich-Ranitzki kan dat programma van die Zeeman vier keer in z’n zak steken! *)

Eén van mijn meest bewonderde schrijvers is Theodor Fontane (1819-1898), wiens romans zich alle in adellijke of patriciërskringen afspelen, maar die in zijn taal “dem gemeinen Manne aufs Maul schaut”. Prachtig, zoals hij twee adellijke Pruisische officieren de voordelen van het zich des avonds scheren laat opsommen of, zoals hij elders vertelt, waar je de beste bonbons in het Berlijn van anno 1880 koopt. En daartussendoor weeft hij die typisch 19e eeuwse tragiek van eer en rang en stand, die hooggehouden dienen te worden, tot de dood erop volgt!

Fontane dus, de man die pas op zijn 65e romanschrijver werd en een voorbeeld is voor elke leraar die vervroegd uittreedt! Van hem kun je leren, welke bloemen je voor iemands graf moet kopen, hoe een officier zich in het uniform hijst zonder ondergoed, om de mannelijke lichaamsbouw te accentueren en en passant behandelt hij de hele Duitse geschiedenis van Napoleon tot Bismarck en de Duitse cultuur van “Antimakassar” tot “Zündnadelgewehre.”

Tachtig is Fontane geworden, maar beter is het dat een schrijver niet zo oud wordt, dan kun je àlles van hem lezen en aan de weet komen. Vandaar dat Wolfgang Borchert (1918 – 1947) als tweede op mijn leeslijstje staat. Zéker een goede Duitser, want hij stierf aan verlate gevolgen van gevangenis en gedwongen “Ostfront”-ervaringen. Van zijn hand is het aangrijpende toneelstuk – ook zijn enige – over Beckmann, een ‘terug-man’, een ‘links-man’, een ‘achter-man’, een “Heimkehrer” van het oostfront, die huis en haard, bed en bult geoccupeerd ziet door een indringer en alleen nog maar in de Elbe kan springen. Maar de Elbe, een oud wijf met veel levenservaring, schopt hem terug op de oever en in schrijnend-schreiende taal wordt de queeste van Beckmann beschreven, zoals hij in het naoorlogse Duitsland zijn plaats probeert te heroveren, maar ook dat lukt niet: hij blijft “Drauβen vor der Tür”!

Al die Duitsers wonen daar maar rustig in dat prachtige land van hen, neen, niet meer van de Memel tot aan de Maas, maar altijd nog groot genoeg om zich klein te houden.

Van alle Duitse steden is München mij het vertrouwdst. Ik had het geluk, er een jaar te mogen studeren met een “Stipendium”, een beurs van het “Kultusministerium der Bundesrepublik”. Wat een stad: een vleugje Parijs in de peperdure winkelstraten, een scheutje Quartier Latin in de studenten- en artiestenwijk Schwabing, een glimpje Méditerranée in het ruime stroombed van de Isar. “Goh, wat een charmant land,” riep een vriend van mij, die na 25 jaar Frankrijk en na 25 jaar onheuse bejegening door die heerlijk authentiek-chauvinistische Fransen zich door mijn enthousiasme had laten meeslepen, “en nog goedkoop ook!” Ja, de Duitsers hebben de blaam en de Fransen de naam!

 

Van mijn studie zal ik nooit spijt hebben. En misschien waren het bijzondere “omina”, dat mijn vader Meinhardt heette, zijn broer een Duitse boerderij erfde en de gecommitteerde zich meer dan te goed deed aan die typisch Duitse drank? Of was het gewoon “Goethesche Wahrheit” die mij leidde: “Der Mensch in seinem dunklen Drange ist sich des rechten Weges wohlbewusst.”?!

 

*) Enkele jaren geleden literaire programma’s in Duitsland resp. Nederland.

 

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.