De wereld onder het ijs

Door ErZa18 gepubliceerd op Wednesday 15 October 23:18

De barst is het eerste wat ik zie als ik mijn ogen open. Ik moet een paar keer knipperen voordat ik de barst duidelijk kan zien. Het doet me denken aan dun ijs, waar een roekeloze op stampt. De barst bestaat uit een netwerk van kleine barstjes, die een intrigerend geheel vormen, zoals een delta wordt gevormd door kronkelende stroompjes. Ik steek mijn hand uit, en verwacht de kille aanraking van ijs. Maar het is niet koud, het gebroken oppervlak prikkelt mijn vingertoppen. Mijn ogen stellen zich bij, en ik kijk door de gebroken voorruit naar de ijzige buitenwereld. Het sneeuwt. Ik kan de sneeuwvlokken zien vallen in het licht van de schemering. Ik frons. Zonsopgang of zonsondergang? Ik draai mijn hoofd naar rechts, op zoek naar de zon aan de horizon. Naast me zit een vrouw. Lege ogen staren naar het dak van de auto. Een mechanisme laat me de blonde haren uit haar zongebruinde gezicht strijken. Het plukje haar verandert van blond naar rood, als ik met mijn vingers over de hoofdwond aai. Ik bestudeer het gezicht. Ik zoek nauwkeurig naar een herkenningspunt, maar het littekentje boven de rechterwenkbrauw, de rechte neus, de helderblauwe ogen, ze zeggen me niks. Ik trek mijn rechterhand terug en veeg het bloed af aan mijn broek. Een hoofdpijn begint op te komen. Ik kreun en begin mijn slapen te masseren. Mijn blik richt zich weer vooruit. Ik kijk uit op een zee van naaldbomen, gevuld met masten van sneeuw. Ik kijk links van me. Meer bos. Ik pak de hendel om de autoportier te openen. Ik trek de hendel naar me toe. Pijn. Stekende pijn. In mijn arm. Met een kreet trek ik mijn arm terug. De pijn stopt. Met mijn andere hand voel ik aan mijn arm. Warm. Warme vloeistof. Ik zie dat het bloed is. Het is warm. Het is dus vers. Wat is er gebeurd? Waarom bloed ik? Wat doe ik in deze auto? De hoofdpijn wordt erger. Ik kijk naar mezelf in de gebarsten achteruitkijkspiegel. Twee bruine ogen kijken me aan vanonder borstelige wenkbrauwen. Er komt een spoortje bloed uit het linkerneusgat. Boven de linkerwenkbrauw zit een gat, het bloed druipt langzaam de wenkbrauw in. Ik zie op de achterbank iemand liggen. Klein. Blond krulhaar. Spijkerjas. Ik neem de moeite niet om achterom te kijken. Weet ik veel wie dat is? Ik moet eruit. Ik krijg opeens geen lucht. Ik heb het gevoel alsof de auto volstaat met rook. Ik buig over de vrouw heen en probeer haar portier te openen. Het lukt, de portier zwaait open. Ik probeer over de vrouw heen te klimmen, maar iets houdt me tegen. Ik frons. Wat gebeurt er? Ik probeer het nog eens. Iets houdt me op mijn plek. Ik kijk verward omlaag. Het is mijn gordel. Ik grinnik. Hoe had ik dat nou kunnen vergeten? Ik maak de riem los, en hij zwaait terug naar zijn plek. Hij slaat tegen mijn linkerarm. Steek van pijn. Ik grom. Ik kruip over de vrouw heen. Er komen wat van haar haren in mijn gezicht. Ik blaas ze weg. Het ruikt lekker. Ik kan er niet op komen wat voor geur het precies is. Het komt me wel bekend voor. Ik stap wankelend uit de auto. De sneeuw knerpt onder mijn schoenen. Ik draai me om. Het is een grijze personenauto. De voorruit is bijna geheel gebarsten. Beide zijspiegels liggen er vanaf. De voorbumper staat tegen een spar geloof ik. Ik hoor een geluid. Het wordt steeds luider. Een lichtbundel verlicht de bomen om me heen. Het geraas komt dichterbij. Het licht wordt feller. Het zoeft voorbij. Het licht verdwijnt. Een auto. Ik draai me naar links, richting het geluid. Een stuk of tien meter verderop zie ik een weg. Een geasfalteerde weg. Ik loop erheen. Mijn linkervoet doet pijn, dus ik sleep ermee. Ik kijk ernaar, maar ik kan het niet goed zien. De zon is al onder gegaan. Ik kom op de weg. Het zwart wordt gescheiden door een doorgetrokken witte lijn, die nauwelijks te onderscheiden is van het laagje poedersneeuw. Ik kijk eerst naar rechts, dan naar links. Geen koplampen. Ik heb het koud. Ik zou wel graag in een verwarmde auto willen zitten. Of liever in een huis, in een lekker zacht bed. Wachten? Of lopen? Als ik loop, kan ik bij een huis komen. Met een bed. Als ik wacht, kan er alleen maar een auto komen. Ik strompel over de weg. Ik weet niet hoelang. Het maakt niet uit. Ik zie mijn adem in wolkjes voor me zweven. Net alsof ik rook. Ik voel met mijn rechterhand in mijn kontzakken. In mijn rechterkontzak vind ik een gat, in mijn linker een pakje. Opgelucht haal ik het eruit. Ik maak het open. Twee sigaretten en een aansteker. Ik hang een sigaret in mijn mondhoek met mijn linkerhand. De pijn wordt al makkelijker te negeren. Ik bekijk de aansteker. Het is een aansteker waarbij je enkel de schakelaar hoeft in te drukken, dat bevalt me. Ik druk de schakelaar in, en er schiet een klein vlammetje omhoog. De wind blaast het uit. Langzaam breng ik mijn linkerhand als een kommetje om de punt van de sigaret. Ik steek hem aan, en inhaleer diep. De rook verwarmt me. Misschien is het onzin, maar de rook lijkt me weer energie te geven. Met de sigaret tussen mijn vingers begin ik te fluiten. De melodie komt in me op, ik weet niet waar ik het van ken. Ik denk na over de vrouw. Ze was mooi. Ik neem een hijs. Erg mooi. Haar haar rook lekker. Ik neem een hijs. Maar waarnaar? Het deed me denken aan een bloem. Maar welke? De geur komt me zo bekend voor. Ik neem een hijs, en blaas de rook langzaam uit. Een lichtbundel schijnt door de wolk. Ik kijk er geïntrigeerd naar. De auto stopt een paar meter voor me. ‘Idioot!’ De deur wordt open gegooid. ‘Als je niet had staan roken, had ik je zeker overreden!’ Ik grinnik. Een man komt uit de auto. Door het felle licht van de koplampen kan ik zijn gezicht niet onderscheiden. Er druipt bloed in mijn oog. Met de sigaret in mijn mondhoek, zegt de zware stem uit mijn mond:’Lavendel. Het was lavendel.’

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.