Heriks Schuld (verhaal)

Door Marmara gepubliceerd op Wednesday 01 October 13:06

Heriks Schuld

                Iemand moet de schuld krijgen. Dat is de regel en daar kan niemand onderuit komen. Misschien niet de meest optimistische instelling, maar wel waar. Tenminste, dat vond Herik. Ja, Herik, met een H. Hij kon zich niet herinneren hoe vaak hij dat al aan glazig opkijkende ambtenaren had moeten uitleggen. Ze leken wel allemaal even stom, maar dat lag vast aan hem, het kon best dat hij met zijn naam een algemene daling van IQ teweeg bracht. Niet ondenkbaar.
                Herik pakte zijn jas en stapte zacht vloekend over de rotzooi in de gang heen. Hij moest het eigenlijk opruimen, maar dat was echt het laatste waar hij nu zin in had. Om een lang verhaal kort te maken; hij had bijna de hele nacht niet geslapen van de herrie. Herrie in zijn hoofd en herrie uit het huis. Elke keer dat hij ging kijken zat de hond met zijn zachte oren en chocolade-ogen onschuldig naar hem te kijken. Dorian, zo heette het beest, was er wel wakker van geworden, maar niet de bron van het lawaai. Waarschijnlijk was hij ook de hele nacht wakker geweest, wakend over de baas zoals hij altijd deed. Herik trok de deur achter zich dicht en klopte uit gewoonte even op zijn broekzak waarop de sleutels door de stof heen klingelden. De tuin lag er een beetje zielig bij, wat hem eraan herinnerde dat hij zichzelf had beloofd de tuin winterklaar te maken dit weekend. Het was midden herfst, niet zijn meest favoriete seizoen; alles verdorde, ging dood en verschrompelde. Geen enkel teken van leven behalve die paar doorgeschoten schimmels die in alle kinderboekjes zo geprezen werden.
                Als hij het zich goed herinnerde, had zijn vader hem daar ook over voorgelezen en had hij nooit begrepen wat er zo leuk was aan paddenstoelen. Hij zag het grijnzende gezicht van zijn vader voor zich, soms met een kriebelig stoppelbaardje, soms met gladde wangen die het mooist glommen in  kaarslicht. Herik leek erg op hem, was hem altijd gezegd, hoewel hij de overeenkomsten niet zag als hij in de spiegel keek. De grove stoppels over zijn kaak hadden toch niks weg van die gladde wangen? Mensen zeiden maar wat. Om de ander tevreden te stellen, om de schuld af te schuiven naar een onbeduidend niemandsland. Mijmerend liep Herik verder, zijn hoofd gebogen tegen de koude wind die langs zijn bleke nek blies.
                Hij was al een paar straten verder toen de kleur van zijn schoenen hem plotseling opviel. Hij kon zich niet herinneren rode schoenen aangetrokken te hebben vanochtend. Sterker nog, hij kon zich niet herinneren dat hij ooit rode schoenen had gehad. Hij bleef staan, waardoor een skateboardend jongetje hem maar net miste, maar hij merkte nauwelijks dat de punt van zijn jas geschampt werd en opvloog. Meewarig keek hij wel even de wieltjes onder de plank na, die piepend en kreunend steeds meer dood blad verzamelden in de meest uiteenlopende kleuren geel en bruin. Bruin. Daarover gesproken; hij bedacht zich weer waarom hij was gestopt en liet zijn blik over zijn schoenen gaan. Toch bruin, niet rood. Wat raar, hij zou toch zweren dat ze net nog rood waren. Hij stond daar even met een flauw glimlachje om zijn eigen verwarring , voor hij weer bruusk de volgende hoop bruin en geel doorkliefde.
                Rechtsaf, linksaf, rechts, rechts, rechtdoor. Dat was de route, daar was hij zeker van. Geen herrie in zijn hoofd kon hem iets anders wijsmaken. Hij vond het alleen vervelend dat hij niet meer wist wie hem dat verteld had. Zijn maatje, de vrouwen in het rood, of misschien had hij het zelf wel uitgevonden, zonder hulp. Er walmde een rottende lucht uit de groeven tussen de bakstenen, die Herik deed huiveren. De smalle straat die hem naar zijn bestemming bracht stonk altijd afschuwelijk in de herfst. De ruimte die door de tijd tussen de oude stenen was ontstaan was een broedplaats voor de rot die in het najaar altijd opdook. Maar dit was nu eenmaal de snelste route, en hij wilde niet te lang weg zijn. Hij vond het niet fijn om Dorian zo lang alleen thuis te laten, of zijn maatje, die miste hem vast ook. Die deed nog wel eens gekke dingen als hij er niet was. Meestal werd hij daar boos om, maar hij zei hem altijd dat het niet zijn schuld was. Zijn maatje wist dat hij loog, dat kon hij zien aan zijn ogen, en Herik zag weer dat zijn maatje in zijn ogen zag dat hij het ook wist. Maar ja, wat kon hij anders doen? Het was niet eens écht zijn schuld, zijn maatje was gewoon anders dan anderen.
                Opgelucht nam hij een hap adem, hij was in de grote straat. De brede straat met alle winkels en al die mensen die niet op hem letten. Dat was fijn. Het was wat stiller dan normaal, maar dat was ook niet zo gek. De lucht zag er boos uit, ze keek op hen neer met een blik die zei dat ze eigenlijk niemand buiten had willen zien. Diep in kragen en sjaals gedoken schuifelden de mensen winkel in en uit. Plotseling bedacht Herik zich dat hij een doel had hier. Geschrokken keek hij rond; zou iemand gezien hebben dat hij de bakker voorbij gelopen was? Hij voelde zich nog wel zo helder vandaag, zo scherp. Hoe kon hij nou zo stom zijn? “Je bent toch ook gewoon dom.”, sprak een stem vlakbij hem. Hij keek op. De vrouwen in het rood leunden tegen het glas van de bakkerswinkel aan en keken spottend hoe hij midden in een regenplas stilstond. Hun rode regenjassen zweefden net boven hun enkels, waaronder rode hakken met blote tenen te zien waren. Dat was toch veel te koud voor dit weer? Stiekem vond hij ze niet al te snugger, die vrouwen, maar over hem hadden ze wel vaak gelijk. “Dat is niet aardig om te zeggen.”, mompelde hij gegeneerd. Ze waren nooit vriendelijk tegen hem. Niet zoals zijn maatje, die af en toe naar hem glimlachte en thee voor hem zette. “Het is wel waar.”, antwoordden ze in koor. Altijd met zijn drieën, hij kwam er nooit één tegen. Misschien waren het wel zussen; dat had hij eigenlijk nooit gevraagd. Hij was dan ook een vreemde, een vreemde die hen steeds tegenkwam op de meest ongelegen momenten. Alsof ze hem volgden en het erom deden.
                “Je bent niets waard, Herik. Wat doe je eigenlijk hier? Je hoort hier niet te zijn. Dit kan je helemaal niet.” Hij boog zijn hoofd. Nee, hij kon geen enkele sympathie voor hen voelen, echt niet. Hij begreep niet waarom ze zo de pik op hem hadden, wat had hij hen nou helemaal gedaan? De paar mensen die langs liepen keken naar hem om. Herik hoopte dat ze vonden dat die vrouwen maar naar deden en dat zij ook niet snapten waar hij dat aan verdiend had.
                Het was toch best een goed begin geweest vandaag; zijn schoenen bleken de juiste kleur te hebben, en de lucht had ook nog niets vervelends van zich laten weten. Hij zou zijn dag niet laten verpesten door dit drietal, niet nu hij ook al zo’n vervelende nacht had gehad. “Ik doe gewoon alsof ik ze niet zie.”, zei hij tegen zichzelf. Vastbesloten liep hij langs hen de bakker in, hij hoorde al niet eens meer wat ze zeiden.
                Binnen was het lekker warm en alle rotgeur werd overstemd door de zoete, knapperige geur van brood en gebak. “Dag bakker.”, groette Herik vriendelijk. De man keek op van het brood dat hij aan het snijden was en glimlachte. “Goedemorgen. Alleen vandaag?” Herik snapte niet helemaal wat hij bedoelde. Dorian nam hij niet zo vaak mee als hij boodschappen ging doen, dus dat kon het niet zijn. Om beleefd te zijn, knikte hij maar. “Wat zal het zijn?” “Twee pompoenbroden, gesneden alstublieft.” De bakker herhaalde zijn verzoek en greep twee vierkante broden van de plank. De grote ovalen zaden glommen in het licht en zongen zachtjes. “Dat was het?” “Dat was het.”, bevestigde hij. De bakker noemde een prijs die Herik ontging, maar hij frommelde een briefje van tien uit zijn broekzak en gaf dat aan de bolle man. Die gaf hem een ingewikkeld setje goud, zilver en papier terug, wat hij maar weer in zijn zak liet glijden. Hij wierp een blik naar buiten, maar gelukkig waren de vrouwen weg. Misschien hadden ze het toch koud gekregen en waren naar huis gegaan, vast om rode sloffen aan te trekken.
                Toen Herik bijna bij de deur was, sprong er opeens iets van een bankje links van hem. De grote, gestreepte bakkerskat liep tergend sloom voor de deur langs om met wiegende heupen achter de toonbank te verdwijnen. Terug in de kou dacht Herik aan het luie beest. Hij hield niet van katten, ze waren egoïstisch en vals, je had er niets aan. Het enige wat je ooit van die beesten terug kon krijgen was een haal met die venijnige nageltjes van ze. Heel lang geleden had Herik een kat gehad, maar daar was het misgegaan. Op die mooie middag in de zomer had hij in de tuin gezeten, hij was 17, misschien 18, kon hij zich herinneren. Hun hond was aan het spelen, maar hij maakte een oorverdovend kabaal, zo enthousiast was hij. De kat was ervan wakker geworden en had het dier geslagen, gekrabd tot er niets meer van over was. Hij wist nog hoe boos en bedroefd zijn moeder was, allemaal door die rotkat. Arme Dorian. Oh nee, Dorian leefde natuurlijk nog, het was een andere hond geweest.
                Een nat blaadje landde op zijn schouder, en hij veegde het snel weg. Gladde blaadjes konden gevaarlijk zijn, al wist hij niet meer precies waarom dat zo was. Hij keek op zijn horloge; het was nog vroeg, genoeg tijd voor een omweg. Herik wilde het verse brood niet meedragen door de muffe stank van de zijstraatjes van zijn heenweg. Dat zou zonde zijn. Kalm, zelfs neuriënd, wandelde hij de grote weg met de bleke, kale bomen af.

                Hij werd wakker met barstende koppijn, en kwam kreunend overeind. Even dacht hij dat er nu echt iets mis met hem was, maar het gepiep dat hij aan zichzelf had toegeschreven bleek van de hond te zijn waar hij bovenop lag. Het knuffelbeest piepte met elke beweging die hij maakte, en nog een laatste, verontwaardigde keer toen hij hem tegen de muur gooide.
                De hele nacht was een ramp geweest; hij had geen oog dicht gedaan door het kabaal dat zijn broertje had gemaakt. Met een zucht rekte hij zich uit. Het was nu tenminste stil, misschien dat hij eindelijk moe genoeg was om in slaap te vallen. Hij stond op van de bank, waar hij had gehoopt dat het stiller zou zijn dan in zijn slaapkamer. Op de overloop schreeuwde hij de naam van zijn broertje omhoog, maar er kwam geen antwoord. Nogmaals riep hij, liep de trap op en nog eens. Nog steeds niks. Zonder verder in  de kamers te zoeken stormde hij de trap af.  “ Verdomme.” , mompelde hij, terwijl hij zijn jas van de grond griste. De tuin lag er slecht bij, wat hem eraan herinnerde dat ze vanmiddag samen eraan konden werken. Zodra hij hem had gevonden. Als hij hem zou vinden.
                Hij rende de straat uit, over het glibberige bladerdek. Lucas zorgde nu al twintig jaar voor zijn broertje, maar hij merkte dat hij oud begon te worden. Het werd steeds zwaarder om hem op slechte momenten in toom te houden en bij te staan. Vanaf het ongeluk met hun hond, Dorian, nu al zo lang geleden, was Herik zich steeds vreemder gaan gedragen. Lucas was ook dol op het beest geweest en vroeg zich al jaren af of hij toen met recht had volgehouden dat het Heriks schuld was. Zijn opleiding was tot een abrupt einde gekomen toen er bij Herik schizofrenie werd geconstateerd. Vanaf dat moment was Herik zijn leven geworden en hij zijn enige vriend.
                Net toen hij het zijstraatje in wilde schieten bedacht hij zich dat Herik misschien naar de bakker was gegaan, zoals ze meestal op vrijdag deden. Lucas hoopte dat zijn broertje zich aan die routine had gehouden. Met dit weer vermeed Herik de smalle zijstraatjes, zeker als hij eten bij zich had, bang als hij was het te ‘besmetten’ met de rot die bij het seizoen hoorde. Op goed geluk volgde hij de grote weg, waar ze normaal rond deze tijd samen op huis aan gingen met de boodschappen.
                Lucas liet een zucht van verlichting zich mengen met de herfstwind toen hij het slungelige figuur met zijn lange jas en rode schoenen in het vizier kreeg. Hij versnelde zijn pas. “Herik!” De man keek op en herkende snel het gezicht van zijn broer. “Daar ben je.”, zei hij wat afwezig, toen Lucas naast hem kwam lopen. “Wil je niet meer weggaan zonder te laten weten waar je bent?”, zei Lucas.  Hij nam Herik op, keek hem in de ogen, en constateerde opgelucht dat het goed met hem was, helder. “Sorry, ik was vast brood gaan halen.”  Lucas knikte, de zelfstandigheid had hem duidelijk goed gedaan. “Dat is prima, maar wek me de volgende keer.” Nu knikte Herik, bedachtzaam. “Normaal word je wakker.” Hij vroeg zich af wat Herik zich herinnerde van de nacht. “Ik heb niet goed geslapen, er was te veel lawaai.” Verbaasd keek zijn broertje hem aan. “ Ik ook niet! Ik dacht dat het Dorian was,...”, hij viel even stil. “..maar dat kan natuurlijk niet.”
                Ze kwamen bij de voordeur, die door de rommel in de gang maar moeilijk opengeschoven kon worden. Herik stopte in de deuropening. “Lucas,” Zijn stem klonk zo scherp en helder dat het een glimlach op Lucas’ gezicht bracht voor hij zich omdraaide. “ik heb dit vannacht gedaan, hè? De troep, het lawaai, dat was mijn schuld.” De glimlach droop als koude stroop van zijn gezicht. “Ja, het was een slechte nacht. Ik weet niet waarom. Maar het maakt niet uit! We gaan eerst wat eten, en dan ruimen we het gewoon weer op.” Herik liet zijn ogen over de chaos van jassen, schoenen en kapstokdelen gaan. “We ruimen het gewoon weer op.”, herhaalde hij.
                Een kwartiertje later zaten ze beide met een tosti en een glas melk aan de keukentafel. “Ik ben echt bang geweest vannacht.” Lucas keek op. “Ik ook, je hebt al een tijdje niet zo’n nacht gehad.” “De vrouwen in het rood, ze waren zo boos op me. Ik dacht dat ze me zouden vermoorden, maar ik kon er niet op komen wat ik fout had gedaan. Ik kon geen sorry zeggen, want ik wist niet waarvoor!” Hij keek hem wanhopig aan, en Lucas’ wenkbrauwen trokken naar elkaar toe in zorgen en medelijden. Nooit had Lucas het haar kwalijk genomen, Dorian was nu eenmaal haar eerste ‘kind’, maar Herik zou nooit vergeten wat hun moeder tegen hem had gezegd, geschreeuwd. Ook hem stond het nog duidelijk voor de geest hoe ze, in haar felrode zomerjurk, eerst had gehuild, toen had geschreeuwd, en daarna geen lief woord meer voor haar jongste zoon had gehad. “Dan had je vast ook niks fout gedaan.”, sprak Lucas zachtjes.
                Herik schudde zijn hoofd. “Iemand moet de schuld krijgen.” Met een klap legde hij de half opgegeten tosti terug op zijn bord. “Ze haten me, al jaren. Misschien haten ze jou ook, door mij.” Nu liet Lucas ook zijn tosti op zijn bord vallen. Hij pakte één van Heriks koude handen en keek hem aan. “Mama houdt van ons, dat weet ik zeker.”, zei hij met vaste stem. Nog eens; “Mama houdt van ons.”
                Soms is een leugen beter dan de waarheid. Vaker nog is een leugen het enige medicijn tegen de ziekelijke waarheid. 

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Tragisch, maar prachtig verhaal...
Dank je :)