Samenvatting Inleiding in de psychologie H4 ontwikkelingspsychologie

Door Tim44 gepubliceerd op Monday 29 September 22:03

Samenvatting Inleiding in de Psychologie - Gert Alblas H4 Ontwikkelingspsychologie

 

4.1 Wat is ontwikkelingspsychologie?


Ontwikkelingspsychologie → de psychologie die het proces van veranderingen dat zich vanaf de geboorte tot aan de dood in het leven van mensen voordoet beschrijft en welke mechanismen daarbij een rol spelen.

 

De ontwikkeling tot zelfstandigheid

  • komt tot stand door:
    • rijping
      • biologisch proces
      • verwijst naar eigenschappen die alle mensen gemeen hebben
    • leren
      • komt tot stand door opgedane ervaringen waardoor het kind over steeds meer kennis en vaardigheden beschikt.
  • is een proces op 2 niveaus:
    • van klein naar groot
      • lichamelijk
    • van eenvoudig naar complex → differentiatie

 

4.2 De geboorte

 

gemiddelde zwangerschap: 38 weken

  • minder dan 24 weken → niet levensvatbaar buiten baarmoeder
  • na 28 weken steeds meer kans op wel levensvatbaar buiten baarmoeder

gemiddeld geboortegewicht: 3500 gram

3 tot 5% van levende zuigelingen heeft geboorteafwijking

  • oorzaken kunnen zijn:
    • erfelijkheid
    • (infectie)ziekten moeder
      • AIDS
      • geslachtsziekten
      • diabetes
      • rode hond
      • influenza
    • levenswijze moeder tijdens zwangerschap
      • drugs en alcohol
        • kan leiden tot:
          • vroeggeboorte
          • laag geboortegewicht
          • geboorteafwijkingen
        • hoe zwaarder en hoe intensiever de middelen, hoe groter de kans op een complex van symptomen na geboorte zoals:
          • vertraagde groei
          • mentale retardatie
      • medicijnen
    • hoge leeftijd moeder
      • brengt risico op vroeggeboorte en geboorteafwijkingen mee
      • risico is niet zo groot

 

4.3 De fysieke en motorische ontwikkeling

 

fysieke ontwikkeling heeft 2 groeipatronen:

  • Cefalocaudale groei
    • kop-staart groei
      • hoofd groeit het snelst
        • nodig voor groei hersenen
      • rest van lichaamsdelen groeit langzamer naarmate het verder weg van het hoofd zit
  • Proximodistale groei
    • Centrale lichaamsdelen groeien sneller dan de lichaamsdelen die zich meer aan de uiteinden bevinden

 

Ontwikkeling van motoriek volgt kenmerken van lichamelijke groei en van de grove naar de fijne motoriek.

 

4.3.1 Grove motoriek

 

grove motoriek bestaat uit de basisbewegingen, die niet heel gedetailleerd zijn

 

4.3.2 Fijne motoriek

 

fijne motoriek

  • volgt de weg van de proximodistale groei
  • betreft vooral het gebruik van de handen

 

Ondervoeding is ernstige bedreiging voor fysieke en motorische ontwikkeling

 

4.4 De perceptuele ontwikkeling

 

Responsen die bij geboorte al goed ontwikkeld zijn:

  • tastzin
    • blijkt uit richtreflex → baby draait hoofdje richting iets wat hem aanraakt
    • zuigreflex → motorische respons die ervoor zorgt dat baby gaat drinken
  • reuk
    • blijkt uit feit dat ze kunnen geuren kunnen onderscheiden in die van de moeder een die van andere vrouwen
  • smaak
    • blijkt uit feit dat baby's zoete smaken verkiezen boven zure of bittere smaken
    • voorkeur gecombineerde smaken pas op latere leeftijd

 

Gehoor is minder goed ontwikkeld

  • wel al een oriëntatiereflex → automatische reactie op geluid

 

4.4.1 Visuele waarneming

 

zicht in eerste instantie minst ontwikkeld

in eerste instantie is aandachtsboog(→tijd waarin baby naar zelfde object blijft kijken) nog gering

later krijgen kinderen ook selectieve gerichtheid → je ergens op kunnen concentreren en je afsluiten voor andere prikkels

Ruimtelijke waarneming → diepte zien: waarschijnlijk aangeboren

 

4.5 De cognitieve ontwikkeling

 

cognitieve ontwikkeling → ontwikkeling van kennis over de omringende wereld.

volgens Jean Piaget (1896-1980) komt de kennis die wordt verworven door 2 dynamische processen tot stand:

  • Assimilatie
    • proces waarbij nieuwe informatie door middel van ervaringen wordt ingepast in bestaande kennis (voorbeeld: peuter weet wat huis is, elk gebouw wordt huis genoemd)
  • Accommodatie
    • proces waarin nieuwe kennis wordt toegevoegd aan bestaande kennis, waardoor kennis zich uitbreidt.  (voorbeeld: niet elk gebouw is een huis, kan ook school, fabriek enz. zijn)

beide processen worden afgewisseld

 

volgens Piaget 4 stadia vanaf geboorte t/m puberteit:

  • sensomotorische stadium (0-2 jaar)
  • preoperationele stadium (2-7 jaar)
  • concreet-operationele stadium (7-11 jaar)
  • formeel-operationele stadium (vanaf 11 jaar)

 

4.5.1 het sensomotorische stadium (0-2 jaar)

 

ontwikkeling pasgeboren baby verloopt van reflex tot reflectie

reflex → handeling die is aangeboren en die automatisch in een bepaalde situatie optreedt.

reflectie → het effect van je eigen activiteiten waarnemen en onthouden zodat je daar doelgericht gebruik van kan maken.

sensomotorisch stadium → stadium waarin kinderen hun zintuigen en motoriek ontwikkelen en hun relaties tussen hun activiteiten en de gevolgen ontdekken.

intentionaliteit → doelgerichtheid → doelbewust handelen

objectpermanentie → het besef dat dingen blijven bestaan, ook al zijn ze niet meer zichtbaar

  • is pas mogelijk als kinderen mentaal plaatje van object in geheugen kunnen vormen

handelend denken → waarnemen-mee bezig zijn-ervaren gevolgen-leidt tot betekenis

 

4.5.2 Het preoperationele stadium (2-7 jaar)

 

preoperationele stadium → het opslaan van de opgedane kennis in een geordend geheel.

causaal redeneren → verbanden leggen tussen verschijnselen

egocentrisme → het idee dat anderen de omringende werkelijkheid op dezelfde manier zien als zijzelf.

 

4.5.3 Concreet-operationeel stadium (7-11 jaar)

 

concreet-operationeel stadium → stadium waarin er beter onderscheid gemaakt wordt tussen schijn en werkelijkheid, waarin de samenhang tussen verschijnselen en over oorzaak-gevolgrelaties verbeterd.

Mentale representaties → regels die worden ontwikkeld over hoe dingen in elkaar zitten, hoe processen verlopen en hoe iets voor elkaar kan worden gekregen.

Omkeerbaarheid (reversibiliteit) → het in staat zijn van het kind om in gedachten de loop van gebeurtenissen om te draaien of terug te draaien.

Aantal nieuwe mentale vaardigheden in deze fase volgens Piaget:

  • Classificatie
    • het vermogen om voorwerpen en personen te groeperen op grond van een gemeenschappelijk kenmerk.
    • wordt steeds verfijnder.
  • Conservatie
    • het vermogen om te begrijpen dat ondanks vormveranderingen, bepaald eigenschappen gelijk kunnen blijven.

Seriatie → het in staat zijn om voorwerpen te ordenen in volgorde van grootte, lengte of hoogte.

Transiviteit → het in staat zijn om relaties te leggen tussen gebeurtenissen en daaruit conclusies te trekken.

 

4.5.4 Het formeel-operationele stadium (11-15 jaar)

 

formeel-operationele stadium → het stadium waarin kinderen zich los maken van hun concrete waarneming en kunnen gaan redeneren in algemene en meer abstracte wetmatigheden.

Hypothetisch-deductief redeneren → denken over een oplossing waardoor het probleem veel gerichter en systematischer kan worden opgelost.

 

4.5.5 Terugblik

 

de ontwikkeling van kennis is een continu proces.

gerichte training kan de cognitieve ontwikkeling versnellen.

Voorwaarde voor aanleren cognitieve vaardigheid :

  • kortetermijngeheugen moet ontwikkeld zijn

 

4.6 De taalverwerving

 

Prelinguale of voortalige periode→ periode voordat een peuter zijn eerste woordje uitspreekt maar wel andere geluiden laat horen, zoals huilen, kirren en brabbelen.

 

4.6.1 De voortalige periode

 

Vocaliseren → produceren van allerlei klanken.

intonatie wordt steeds gevarieerder.

 

4.6.2 De vroeg linguale periode

 

eerste woorden zijn vaak imitaties van anderen.

Wanneer kind woordenschat heeft van ongeveer 50 woorden gaat het combineren en meer woorden achter elkaar gebruiken.

 

4.6.3 De differentiatieperiode

 

periode waarin kinderen veel woorden leren en waarin woorden gecombineerd worden tot goedlopende zinnen.

 

4.7 De hechting

 

Gehechtheid → band die ontstaat door de manier waarop de verzorgers in het eerste levensjaar met hun kind omgaan.

Hechting → het proces waarin gehechtheid ontstaat.

 

4.7.1 Hechtingsgedrag

 

Hechtingsgedrag → het gedrag dat de baby vertoont om ervoor te zorgen dat er iemand in de buurt komt en blijft.

 

4.7.2 De ontwikkeling van gehechtheid

 

Hechtingsproces speelt zich grotendeels af in 1e levensjaar. Aantal verschillende, in elkaar overlopende fasen:

  • eerste fase (0-4 maanden)
    • communicatieve signalen spelen voornaamste rol in uitlokken nabijheid. Naar iedereen
  • tweede fase (5-7 maanden)
    • onderscheid aanbrengen tussen bekende en onbekende personen
    • naar bekende personen meer positieve communicatieve signalen en eerder getroost worden door deze personen
  • derde fase (8-10 maanden)
    • gehechtheid aan een bepaalde persoon ontstaat in deze fase.
    • mogelijk door het in staat zijn om gezichten te onderscheiden
    • in zeker mate treedt ook angst voor vreemden op
    • ook treedt scheidingsangst op. Dit is angst voor het weggaan van de persoon waaraan de baby gehecht is.

 

4.7.3 Veiligheid en exploratie

 

Exploratie → activiteiten die tot een verkenning leiden

 

4.7.4 kwaliteit van de hechting

 

vreemde-situatieprocedure → experiment dat Ainsworth en zijn collega's in 1978 ontwikkelden om kwaliteit van hechting te meten.

Drie types van kwaliteit van hechting:

  • Veilig gehecht
    • goede balans tussen het zoeken van veiligheid bij verzorger en exploreren van omgeving
    • In nabijheid moeder rustig spelen en angstig reageren bij haar vertrek
  • Vermijdend gehecht
    • meer exploratiegedrag dan toenadering.
    • veel spelen en reageren nauwelijks bij vertrek moeder
    • lijkt op weinig hechting
  • Ambivalent (onveilig) gehecht
    • weinig exploratie en dicht bij moeder
    • zeer angstig bij vertrek moeder

 

4.7.5 Hechting en gedrag van de opvoeder

 

Sensiviteit belangrijk voor hechting tussen kind en opvoeder in eerste levensjaar

 

4.7.6 Gevolgen van hechting

 

4.8 het zelfbesef

 

zelfbesef → het idee een 'ik' te zijn.

zelfbeeld → de kennis die een kind over zichzelf ontwikkeld

In zelfbeeld na verloop van tijd twee niveaus van kenmerken:

  • algemene eigenschappen
    • eigenschappen die grotendeels aangeboren zijn en karakter van iemand bepalen
    • eigenschappen die moeilijk te veranderen zijn
  • specifieke eigenschappen
    • eigenschappen die kunnen worden aan- of afgeleerd

Zelfwaardering → het oordeel wat bepaalt hoe positief of negatief iemand over zichzelf denkt.

 

4.9 De morele ontwikkeling

 

moreel besef → besef van goed en kwaad

  • is er nog niet in eerste levensjaar

gevoel van trots of schaamte ontwikkelt zich in tweede levensjaar

gevoelens van schuld in de loop van derde en vierde levensjaar

intentie → bedoelingen

 

3 stadia in de ontwikkeling van het morele besef en het morele gedrag

  • inwilligen
    •                kind doet pas wat anderen willen, als anderen voldoende controleren
    • niet inwilligen zorgt voor kans op straf
  • identificatie
    • kind doet wat ander wil omdat die persoon aantrekkelijk is of als rolmodel functioneert.
    • geen dwang of controle nodig
    • rolmodel kan veranderen, waardoor regels over goed en kwaad kunnen veranderen
  • internalisatie
    • kind heeft aantal algemene regels over goed en kwaad eigen gemaakt en past die toe
    • geen dwang of controle

 

Kohlberg heeft drie andere stadia:

  • Preconventionele niveau
    • naleving geboden en verboden is berust op vermijden straf, goedkeuring anderen en op eigen belang
    • regels worden door anderen bepaald
    • nog geen moreel besef
  • Conventioneel niveau
    • duidelijk besef van regels en van belang van die regels
    • regels stijgen uit boven eigen belang
    • kind dient rekening te houden met belang van anderen
    • eerste vorm moreel besef
  • postconventioneel niveau
    • inzicht onstaat over manier waarop regels tot stand komen en waarvoor ze dienen.
    • er worden eigen standpunten ingenomen ten aanzien van waarde en algemene geldigheid van de regels
    • standpunten worden verinnerlijkt
    • er ontstaat geloof in universele morele principes

 

4.10 De puberteit

 

puberteit begint met verhoging productie geslachtshormonen

  • wordt aangestuurd door hypothalamus
    • hypothalamus zend signalen naar hypophyse
      • hypophyse stuurt hormonen naar geslachtsklieren
        • hormonen stimuleren klieren tot verhoogde productie geslachtshormonen

 

Vrouwelijk geslachtshormoon: oestrogeen

Mannelijk geslachtshormoon: testosteron

 

in puberteit vindt er ook een groeispurt plaats

geslachtsgebonden groei zorgt voor verschil meisjes/jongens:

  • meisjes ontwikkelen relatief smalle schouders, korte benen en brede heupen, jongens andersom
  • meisjes meer vet rond bekken, borsten, bovendeel rug, bovenarmen dan jongens
  • geslachtskenmerken komen naar voren:
    • borstontwikkeling meisjes
    • baardgroei jongens
    • verlengen penis en vergroting balzak bij jongens
    • vergroting clitoris, schaamlippen en vagina bij meisjes
    • zwaardere stem jongens

 

4.10.1 identiteitsvorming in de puberteit

 

identiteit → het besef dat iemand zich in verschillende situaties als dezelfde persoon ervaart.

aantal ontwikkelingsstadia vooraf aan vorming van identiteit:

  • Vertrouwen versus wantrouwen (0-1 jaar)
    • baby leert omgeving als vertrouwd of niet vertrouwd ervaren
  • Autonomie versus schaamte en twijfel (2-3 jaar)
    • peuter/kleuter wil wereld steeds actiever ontdekken
    • mogelijk door motorische ontwikkeling
    • belangrijke verworvenheden zijn zindelijkheidstraining en netheid
    • ouders en kinderen moeten soms conflicten oplossen
    • zich goed kunnen aanpassen kan leiden tot trots en zelfvertrouwen bij kind, lukt dat niet, dan kunnen schaamte en twijfel ontstaan
  • Initiatief versus schuld (4-6 jaar)
    • kinderen ontwikkelen allerlei motorische en sociale vaardigheden
    • ouders proberen het in goede banen te leiden
      • met nog voldoende ruimte houden kinderen initiatieven
      • teveel straf leidt tot inperking exploratie, vermindering initiatief nemen, gevoel van schuld kan ontstaan
  • Vlijt versus minderwaardigheid (6-12 jaar)
    • schoolgaande periode
    • kinderen ontdekken welke vermogens ze hebben en welke successen ze kunnen behalen met eigen inspanning
    • succes leidt tot motivatie om zich in te spannen (vlijt)
    • mislukken leidt tot gevoel van minderwaardigheid
  • identiteit versus identiteitsverwarring (12-19 jaar)
    • identiteitsontwikkeling staat centraal
    • lukt dat niet goed, dan sprake van identiteitsverwarring

 

4.10.2 Verschillen in rolgedrag tussen de seksen

 

sekserol → gedragingen en opvatting van een persoon bepaalt door sekse

 

4.10.3 Puberteitsperikelen

 

puberteit → overgangsperiode tussen kind-zijn en volwassenheid

overgang tussen afhankelijkheid en zelfstandigheid

streven naar onafhankelijkheid kan leiden tot botsingen met opvoeders

 

4.11 De volwassenheid

 

belangrijkste kenmerken volwassen periode zijn:

  • aangaan stabiel intieme relatie
  • vorming gezin en zorg kinderen
  • vinden werk en maken carriere

Dit is een traditioneel patroon

 

4.11.1 Stabiele relatie

 

alleenstaand zijn kan leiden tot eenzaamheid

bij problemen over echtscheiding die hoog oplopen kan bemiddeler worden aangetrokken

 

4.11.2 opvoeding en zorg

 

3 verschillende opvoedingsstijlen:

  • autoritaire opvoedingsstijl
    • hanteren duidelijke, strenge regels
    • strikte controle op die regels
    • consequent gebruik straffen
    • duidelijke gezagsverhouding
    • ouders bepalen regels
  • permissieve opvoedingsstijl
    • gebrek aan eisen (regels)
    • geen controle
    • kind bepaalt veel zelf
    • weinig toezicht
    • nauwelijks sprake van opvoeden
  • ondersteunende opvoedingsstijl
    • uitleggen eisen (regels) aan kind
    • mogelijkheid eigen mening kind
    • eventueel rekening houden eigen mening kind
    • controle naleven regels
    • eerder belonen dan straffen

bij scheiding is er sprake van dat kinderen worden gedwongen partij te kiezen → loyaliteitsconflict

 

4.11.3 Balans tussen opvoeding en zorg

 

vinden balans tussen werk, zorg, vrije tijd en zelfontplooiing is niet altijd makkelijk

4.11.4 Werk en carriere

 

burn-out → vroegtijdig opgebrand zijn door werk

komt vaak voor als draaglast groter word dan draagkracht

 

4.12 De ouderdom

 

ouderdom → laatste fase van het leven, ruwweg vanaf 65 jaar

 

4.12.1 lichamelijke veroudering

 

veroudering zorgt voor geleidelijke afname in functioneren van lichaamsdelen:

  • zintuigen
    • tussen 20 en 40 jaar zijn zintuigen het beste
    • na 40 jaar afname gehoor, gezichtsvermogen, gevoeligheid, reuk
    • overgrote meerderheid 80-plussers heeft problemen reuk, gehoor, gezichtsvermogen
  • bloedsomloop
    • na 20 jaar elk jaar minder bloed door aderen
    • aders worden minder soepel
    • aderen kunnen dichtslibben → aderverkalking > kan leiden tot hart en vaatziekten en kan afzettingen van bloed in hersenen laten komen wat leidt tot beroertes
    • minder bloed > minder zuurstof > minder energie
  • ademhaling
    • verstijving ribbenkast
    • kraakbeen luchtpijp en bronchiën verkalken > minder zuurstof > kortademigheid
    • roken en luchtvervuiling versnellen bovenstaand proces
  • voortplanting
    • bij mannen neemt spermaproductie af: 40-jarigen nog de helft, bij 80-jarigen 10%
    • vrouwen komen in menopauze → wanneer eierstokken geen eitjes meer produceren en geen kinderen meer kunnen krijgen > worden niet meer ongesteld
    • menopauze gaat vaak gepaard met warmteaanvallen (opvliegers), hoofdpijn
  • endocrien systeem
    • in alvleesklier wordt afgifte insuline minder > minder suiker in bloed
    • zwezerik wordt kleiner > productie hormonen vermindert
    • antilichamen neemt af > immuniteitssysteem verzwakt

 

4.12.2 De cognitieve vermogens

 

4.12.3 Kwaliteit van het leven

 

volgens Rowe en Kahn (1997) 3 kerndimensies voor kwaliteit van leven:

  • goede gezondheid
  • behoud cognitieve vermogens
  • voldoende sociale of productieve activiteiten

 

euthanasie → men maakt zelf einde aan leven

palliatieve sedatie → in eindstadium kanker extra morfine toedienen zodat onnodig leiden verminderd en levenseinde versneld word.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.