Woepie en het netepaard

Door Debbie Nikolai gepubliceerd op Monday 22 September 17:30

In de stille kempen, verscholen in de laatste zompige zones van het Zegge-moeras tussen Geel en Kasterlee, overleefde nog met heel veel moeite het laatste specimen van het ras van de Netepaarden.

Netepaarden?

Ja, het was een in de oertijd afgescheurde tak van Nijlpaarden die uitgeweken was naar meer noordelijke streken en verdwaald geraakte in de Lage Landen.

De evolutie was deze soort niet welgezind geweest en in het volle besef daarvan had het Netepaard zich daar teruggetrokken waar normaal gezien nooit iemand kwam en waar door de stank van rottende planten zelfs de vogels een grote bocht omheen maakten.

Daar leefde dus het Netepaard, laat ons hem Rafke noemen, samen met de kikkers, moerasadders en ongedierte zonder reukorgaan, de enigen die zijn aanwezigheid nog net konden doorstaan.
Het leven in het moeras was ook hard, want het enige dat Rafke te eten vond waren wat rietstengels, afgestorven moerasplanten en heel af en toe -dan was het feest- een voorbijdrijvende dode katvis.
Verder wist ook bijna niemand af van het bestaan van Rafke en hij sleepte zich door zijn lege leven vanaf de eerste prille zonnestralen totdat de zon weer in het moeras verdronk, en 's nachts in het gezelschap van sterren en de maan. Het was voor hem al opwindend als hij een vleermuis of een verstrooide uil zag voorbijvliegen.

Rafke had zich bij zijn droeve lot neergelegd, maar kon het moeilijk verkroppen dat met hem, later, een volledige diersoort zou verdwijnen. Hij was al tot in de verste uithoeken van het moeras op zoek gegaan naar een vriendinnetje waarmee hij zijn leven wat draaglijker kon maken en voor een nageslacht kon zorgen, maar tot nog toe altijd tevergeefs. Hem restte niets anders dan zijn lusten te bekoelen door het onopvallend gluren naar koeien in nabijgelegen weilanden.

Maar op een druilerige herfstdag, tijdens een natte periode toen het moeras van Rafke overstroomd was en reikte tot de rivier, zag Rafke in de verte een koppel wilde zwanen neerstrijken.
Dat was iets nieuws voor hem en voorzichtig trok hij op verkenning, verscholen tussen het struikgewas langs de oever.

Het zwanenpaar was zich niet bewust van zijn aanwezigheid en peddelde rustig rond in de luwte langs het riet en de waterlelies. Hij kon urenlang naar de zwanen kijken en vooral de meisjes-zwaan vond hij heel sierlijk en elegant en in zijn bewondering geraakte hij er zelfs wat opgewonden van.
Op een mistige ochtend werd Rafke wat overmoedig en ging hij steeds dichter en dichter bij de meisjes-zwaan, Woepi.

Eerst schrok ze toen ze hem zag (en rook) maar haar nieuwsgierigheid was sterker dan zijzelf want dit was ook voor haar nieuw. Zonder dat iemand het zag zwom ze voorzichtig tot bij Rafke. 

Dan keken ze elkaar wat beteuterd aan, maar toen vond ze achter Rafke zijn oren een vers stukje waterranonkel, haar lievelingseten. Dat was daar blijven hangen toen Rafke de laatste keer onder water gedoken was om zich te verstoppen. Rafke trok eerst weg omdat hij nu eenmaal wat schuw was en het niet gewoon was dat iemand aan hem aandacht gaf, maar toen hij merkte dat Woepi het heel voorzichtig van achter zijn oren geplukt had, vond hij het zelfs een wat aangenaam gevoel. Rafke dook opnieuw onder om nog meer waterranonkel en ander lekkers van de bodem van het moeras te plukken om dat dan samen met Woepi verscholen in het riet op te smullen. 

Omdat Rafke dieper kon duiken dan een zwanenhals lang is leerde hij Woepi nog meer waterplanten en lekkers kennen, dan ze tot dan toe al gegeten had. Wopper, de partner van Woepi merkte er niets van want alles ging in het geniep omdat Rafke heimelijk hoopte dat hij Woepi voor zich ging kunnen winnen met allerlei lekkers van op de bodem van het moeras.

Woepi, verblind door al die voor haar onbekende kruiden die Rafke haar voorschotelde, had echter niet door wat zijn ware intenties waren. Elke avond zwom ze terug naar Wopper, die zich wel afvroeg waar zij de hele dag zoal rondgevaren had, maar omdat zij al zijn vragen ontweek en laat ons eerlijk bekennen : omdat hij nogal aan de onnozele kant was, liet hij het voor wat het was. Zij was trouwens ook elke keer 'te moe' om lange gesprekken aan te gaan en Wopper hoopte dat het wel op een dag terug zou overgaan.

Zo ging het leven voor Wopper, Woepi en Rafke een hele tijd lang, vooral tot grote vreugde van Rafke. 

Zich bewust van zijn eigen afstotelijkheid was Rafke wel slim genoeg om enkel met zijn kop boven water te komen als Woepi in de buurt was, want hij wou haar niet afschrikken door zijn misvormde lijf en de stank die van onder zijn staart regelmatig de omgeving verziekte. Niet gehinderd door zijn zijn heel rudi-

mentaire sociale besef en door zijn jarenlange eenzaamheid weggedeemsterde empathie slaagde hij er steeds meer en meer in om Woepi in te palmen en op den duur kon hij haar zelfs laten geloven dat witte zwanen en netepaarden eigenlijk nagenoeg eenzelfde soort zijn en er dus niets mis mee was als zij meer dan gewoon vriendjes werden.

Woepi was ondertussen zodanig gewoon geraakt aan al dat lekkers van op de bodem van het moeras, dat zij er tegenop zag om terug te moeten leven op waterplanten en visjes die maar net onder het wateroppervlak te vangen waren. Ze wou Rafke ook geen pijn doen en Wopper zou zijn eigen boontjes wel kunnen doppen, geloofde zij van Rafke. Woepi was ook rotsvast overtuigd van Rafkes allerbeste bedoelingen en oprechtheid.

Maar een nieuwe lente kwam over het moeras en langzaamaan werden de dagen terug langer, de temperatuur steeg en het waterpeil zakte zienderogen.

Om geen gevaar te lopen moest Rafke zich steeds verder terugtrekken in zijn moeras, weg van de rivier.
Het werd ook steeds moeilijker voor hem om zich te verschuilen in de modder of onder water en langzaam maar zeker werd zijn ware gedaante weer zichtbaar.
In het moeras werd de stank van de rottende waterplanten terug overtroffen door de walmen die rond Rafke hingen en waar alleen horzels en andere insecten zich graag tegoed aan deden.

Eerst bleef Woepi haar dagelijkse afspraakjes met Rafke in ere houden, maar soms zag ze hoe Wopper met grote vleugelslagen door het luchtruim zeilde en hoe zijn silhouet glinsterde in de zon.
Dan doken Rafke en Woepi vlug onder zodat ze niet betrapt zouden worden.
Na lang aandringen van Woepi om mee de hemel te gaan verkennen, kon Rafke niets anders dan toegeven dat Moeder Natuur hem niet van vleugels voorzien had en hij dus gedoemd was om de rest van zijn leven in het moeras met zijn poten in de modder te slijten.

Voor Woepi werd het steeds moeilijker om aan Wopper te blijven volhouden dat er niets aan de hand was.
Door het lange en nauwe contact met Rafke leek ook in haar onderste donsveren een niet te beschrijven maar alleszins weerzinwekkende geur doorgetrokken te zijn.

Wopper was wel naief en stom, maar zo erg nu ook weer niet en schoorvoetend kon Woepi op den duur niets anders dan toegeven waar ze een groot stuk van de winter mee bezig geweest was. 

Ze begreep achteraf gezien ook niet goed hoe het zo ver was kunnen komen, en ergens had ze er ook wel wat spijt van. Anderzijds, de momenten die ze gedeeld had met Rafke waren haar nog altijd dierbaar en ze vond het dikke pech voor Wopper dat hij het daar moeilijk mee had.

Het leven gaat echter verder, ook voor zwanen, en omdat Wopper wel en Rafke niet kon vliegen, begon het ook bij Woepi te dagen dat haar geluk niet in moerassen, maar in open water en hoog in de lucht te vinden zou zijn. Opnieuw steeg zij, peddelend met haar zwemvliezen een aanloop nemend, op om samen met Wopper op zoek te gaan naar de gelukkige en vrolijke dagen van weleer.

Soms, als de wind verkeerd zat, durfde de walm van tussen haar onderste donsveren nog wel eens de sfeer vergallen en soms kreeg zij ook nog het water in haar bek als zij terugdacht aan die heerlijke waterplanten van op de bodem van het moeras. Dan namen zij wijselijk een ruime bocht, weg van het moeras, en lieten de warme zonnestralen hun vederkleed verwarmen.

Rafke zelf bleef echter van tussen de zeggeplanten gluren naar de koeien en dromen dat hij ooit nog eens een zwaan of desnoods een eend zou kunnen versieren.

 

Opmerking : De personages in dit verhaal zijn verzonnen; elke gelijkenis met bestaande plaatsen, met gebeurtenissen, met levende en/of dode zwanen of moerasbewoners, berust louter op toeval.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.