Carlijntje en de kleurenkwal

Door Debbie Nikolai gepubliceerd op Monday 22 September 17:30

Sprookje van Carlijntje en Kareltje

 

Er was eens een klein dorpje langs de kust, achter de hoogste duin van het hele eiland.
In dat dorpje woonde een meisje, Carlijntje, en een jongetje, Kareltje.
Samen gingen ze elke dag langs het strand schelpen rapen, want Carlijntje verzamelde de mooiste schelpen en hield nog meer van die glimmende stenen, die de felste kleuren weerkaatsten uit de warme zonnestralen.
Carlijntje had thuis wel een hele schoendoos vol met stenen en schelpen. En telkens als ze een nieuwe steen of schelp vond, zoals ze er nog geen had, waren Carlijntje en Kareltje de koning te rijk.


Soms kon Kareltje niet mee gaan schelpen rapen want dan moest hij naar de winkel, of mee gaan werken op het land. Dan ging Carlijntje alleen, of nog liever met haar paardje en dan kon ze in volle galop razen langs de branding. Het water spetterde dan hoog in de lucht en je kon er soms zelfs een regenboog in zien.


Tot op een dag haar paardje struikelde en Carlijntje -pats- op de grond viel.
Gelukkig viel ze in het zachte zand en had ze haar niet te fel bezeerd.
Eerst was ze wat verdwaasd van de klap, maar daar hoorde ze een zachte stem : 'Hé, Carlijntje, wil je eens écht mooie kleuren zien?'
Carlijntje keek verbaasd rond, want ze zag niemand rondom haar, alleen enkele vieze kwallen die op het strand aangespoeld lagen en hoopten bij de volgende vloed terug in het voor hen veilige zeewater te geraken.
En opnieuw hoorde ze dezelfde stem : 'Hé, Carlijntje, als je mij tot in de zee draagt, zal ik je de wonderbaarlijkste kleuren laten zien.'
Toen keek ze nog eens beter en ja, het was een van die vieze kwallen.
Eerst wist Carlijntje niet wat ze ermee moest, maar omdat zij zo van kleuren hield vroeg ze aan die kwal : 'Wat wil je dan dat ik doe?'.


De kwal zei: 'Raap me voorzichtig op, dan zal ik je niet steken, en draag me ver genoeg in de zee, dan zal ik je mijn wondere wereld tonen!'
Carlijntje twijfelde even, want kwallen zijn vies en haar moeder had altijd gezegd om steeds goed op te passen, maar de drang werd te groot en Carlijntje nam heel voorzichtig de kwal bij haar troebele lijf dat leek op een mislukte drilpudding en liet de slijmerige tentakels tussen haar vingers naar beneden bengelen.
De deed haar schoentjes uit en stapte met de kwal zo diep ze kon de zee in.
Toen voelde ze hoe de kwal zich terug begon te bewegen.
Alleen leek het maar zo, want de kwallen drijven gewoon mee op de deining en volgen de stroming van het water.


'Kom mee onder water,' zei de kwal 'en je zal niet weten wat je ziet!'.
Carlijntje stak voorzichtig haar hoofdje onder water en zag verbaasd hoe die kwal, eerst een vormeloze, vieze massa, opeens een kleurige toverhoed leek te worden met onderaan lange beweeglijke armen.
Door het zonlicht leek de hoed van de kwal opeens wel duizend kleuren te hebben en naargelang vanuit welke hoek je keek, veranderden de kleuren zoals in een caleidoscoop.
Het was prachtig.
Toen zag Carlijntje ook het kleurenspel aan de onderzijde van het water en ze zag ook hoe haar weelderige bruine krullen in het water meedeinden zoals het soepele kwallenlichaam en ook haar haarpunten lichtten op in het zonlicht. In de verte leek ze zelfs het geblaf van zeehonden te horen en zag ze scholen vissen voorbij zwemmen.
Het was zo mooi, zoiets moois had ze nog nooit gezien, dat ze vergat te ademen.
Daarom kon ze ook zo lang onder water blijven.
Wat ze niet merkte was, dat de kleuren wel mooi waren, maar dat de zonnestralen, die de mooie kleuren te voorschijn toverden, hun warmte achterlieten op het wateroppervlak en dat daarom de kleuren niet meer dan schijn en suggestie waren. Ze was te overweldigd om daar nog om te malen.


Ondertussen was Kareltje op het strand op zoek gegaan naar Carlijntje. Hij had haar paardje alleen zien lopen over het strand en hij had haar schoentjes in het zand zien staan.
Hij riep zo hard hij kon, maar alleen het geruis van de branding antwoordde onverstaanbaar.
De meeste kwallen waren ondertussen door het opkomende tij al terug door het zoute water opgenomen en de resterende waren door de warme gloed van de avondzon verschrompeld en uitgedroogd.
Hij ging dan zelf ook verder in zee in de hoop Carlijntje toch levend en wel terug te vinden.
Gelukkig maar want door een stroming in het water spoelde Carlijntje plots tegen Kareltje aan.


Vlug nam hij haar in zijn armen en droeg hij haar tot bij de voet van de duin.
Hij zorgde dat ze terug warm kreeg en wreef haar droog tot ze opnieuw bij bewustzijn kwam.
Maar Carlijntje wou meer kleuren zien. Haar ogen namen geen genoegen meer met wat zij rondom haar zag en de kilte van de zee had haar verlangen naar de zonnewarmte laten vervagen.
Ze sprong op en liep zo gauw ze kon terug de zee in om naar de kleuren te kijken.


Soms zagen de mensen Carlijntje haar hoofdje boven het water steken om even lucht te happen, maar dan verdween ze weer, niemand weet hoever en waar ze dan naartoe was.


(einde)


Epiloog 1


.........
Maar de zon ging onder achter de horizon en van de kleuren bleven alleen nog schimmen en schaduwen achter.
De kwallen waren ook terug verdwenen want een school tonijnen en andere vissen hadden ze opgegeten of verjaagd.


Ontgoocheld kwam Carlijntje uit de zee gestrompeld en keerde ze samen met Kareltje terug naar hun dorp.
Vanaf die dag wou Carlijntje met Kareltje niet langer schelpen en stenen verzamelen. De kleuren waren niet zo mooi als hetgeen ze gezien had en de warmte van de zon kon haar niet meer opvrolijken.
Als ze met Kareltje langs de branding liep waren haar gedachten en verlangens diep in zee.
Kareltje voelde dat, ook omdat haar handjes dan kil en klammig werden en haar ogen de glinsterende kleuren in het zand niet meer wilden bewonderen.
Kareltje hoopte stil van binnen dat ooit de zonnewarmte terug het hart van Carlijntje zou kunnen opwarmen en misschien zelfs zouden ze dan toch nog samen terug schelpen en stenen kunnen rapen, hier of in een ver land.
Want hoog in de bergen, waar minder kwallen zijn, glinstert het water ook heel mooi in kolkende bergriviertjes en glinsteren de rotsen even fel als een heldere sterrenhemel.
En wie weet lopen daar ook varkentjes met een lange snuit.....


Epiloog 2


........
Maar de zon ging onder achter de horizon en de wonderlijke kleuren vervaagden.
Carlijntje kwam uit de zee en vertelde met horten en stoten aan Kareltje wat ze allemaal gezien had.


Kareltje wist dat diep in de zee de kleuren geen warmte hadden, maar enkel een lichtspel toverden dat je niet kon aanraken en waar je enkel kon naar kijken, zonder er zelf deel van uit te maken. Maar Carlijntje bleef aandringen en uiteindelijk liet Kareltje zich overhalen om toch mee in zee te trekken om naar de kleuren te kijken.
Het voelde eerst wat onwennig en het zeewater was eigenlijk te fris maar de kleuren waren inderdaad wel mooi om naar te kijken. Op den duur, door de onderkoeling en het zuurstoftekort leken de kleuren zelfs nog wat feller te worden. Carlijntje was zo blij dat Kareltje mee in zee gekomen was dat ze hem altijd dieper en verder in zee trok.
Maar Kareltje kon niet zo goed zwemmen en uiteindelijk raakte hij bewusteloos. Carlijntje had dit niet door want ze was nog altijd in de ban van het kleurenspel en toen ze geen reactie meer merkte bij Kareltje was het te laat.
Kareltje gaf geen teken van leven meer en tegen de tijd dat zij hem aan de wal getrokken had was hij al helemaal blauw en opgestijfd.


Kareltje werd begraven op het strand aan de voet van de hoge duin.
Carlijntje vond het spijtig dat hij niet eerder een teken gegeven had om naar de kant te zwemmen, maar besefte niet dat zij zelf de tekens die hij gegeven had, niet begreep omdat zij zo in de ban was van de kwallen en van wat er rondom haar gebeurde.
Sindsdien zit ze bovenop de duintop naar de zee te staren, naar kinderen die schelpjes en stenen verzamelen en een eenzame zwemmer die zich in zee waagt. Carlijntje kent ondertussen de zeestromingen en wanneer ze een zwemmer in nood ziet denkt ze met pijn in het hart terug aan haar Kareltje, maar de branding en de wind hebben zelfs zijn graf weggespoeld en onzichtbaar laten verdwijnen in de lege ruimte. Zelfs zij kan nog maar bij benadering aanwijzen waar Kareltje ooit begraven werd.


Epiloog 3


........
Maar de zon ging onder achter de horizon en de wonderlijke kleuren vervaagden.
Carlijntje kwam uit de zee gestrompeld en vond warme troost bij Kareltje.
Ze snikte en bezwoer dat het die vieze kwal was die haar ingepalmd en bedwelmd had.
Kareltje nam haar nog steviger in zijn armen, sloeg zijn sjaaltje over haar schouder zodat ze het wat warmer kreeg en bracht haar veilig terug thuis.
De dagen en weken nadien gingen ze terug samen schelpen en stenen zoeken maar de schelpen waren niet meer zo glimmend en de stenen schitterden niet meer zo fel.
Maar het samen over het strand wandelen was voor Kareltje al een hele grote bron van vreugde.


Tot op een dag dat Kareltje alweer voor moeder enkele boodschappen moest doen en Carlijntje op de hoge duintop stond te kijken naar de zon die speelde met het schuim op de golven.
De drang werd alweer te sterk en Carlijntje liet haar schoentjes achter op het strand en trok terug de zee in, op zoek naar die ene kwal en alle kleuren die door de kwal aan haar beloofd waren.
Wanneer wat later ook Kareltje de duintop over stak, zag hij de schoentjes staan en wist onmiddellijk wat er gebeurd was. Bedroefd zette hij de schoentjes netjes naast elkaar voorbij de vloedlijn en ging met zijn hoofd tussen zijn schouders terug naar het dorp. Hij deed zijn beste kleren aan, nam voldoende proper ondergoed mee en vertrok. Niemand wist waar naartoe, ook hijzelf niet, de wind zou hem leiden.
's Avonds, toen de zonnekleuren weer achter de horizon weggezonken waren en de kleuren weer grijs en dof geworden waren, kwam Carlijntje terug uit de zee.
Het verwonderde haar dat Kareltje niet zat te wachten, maar enkel een handdoek bij haar schoentjes vond.
Ze ging zoeken in het dorp, liep langs de hoge duinen en ging in alle duinpannen kijken, maar nergens was Kareltje nog te bespeuren.
Het bedroefde Carlijntje erg dat Kareltje haar zo in de steek gelaten had en ze was zelfs boos op hem.
Waarom kon hij niet gewoon op haar wachten? Maar Kareltje kwam niet meer terug.
Hij was de wijde wereld ingetrokken in de hoop daar opnieuw vreugde te vinden en een nieuw leven op te bouwen.
Schelpjes rapen vond Carlijntje in haar eentje ook maar niets en sindsdien ligt bij laag water het strand bezaaid met wel honderd soorten schelpen, in alle kleuren. De meeste gebroken, maar vele ook nog als nieuw.
Andere kinderen rapen nu die schelpen en maken er mooie kraaltjes van, versieren zandkastelen ermee of spelen winkeltje om te ruilen tegen kleurige papieren bloemen.
Carlijntje zit op haar duintop in zee te staren met naast haar een lege plaats.
Soms gaat ze nog eens op zoek naar de kleuren van weleer, maar beseft dat als de zon ondergaat, ook de kleuren wegsmelten en de kwallen met het tij telkens weer komen en gaan, zonder sporen op het strand na te laten.


Epiloog 4

 

 

 

........

Maar de zon ging onder achter de horizon en de wonderlijke kleuren vervaagden.

Carlijntje kwam uit de zee gestrompeld en zag hoe Kareltje met de tranen in zijn ogen haar opwachtte.

 

Ze begon langzaam aan wel te beseffen hoeveel pijn ze hem gedaan had door zich mee te laten drijven door die kwal, maar de kleuren van diep onder het water bleven haar herinnering beheersen.

Het enige wat zij de kwal wou kwalijk nemen was dat die zonder haar weggedreven was, maar ze wou of kon niet beseffen dat de kwal haar enkel en alleen gebruikt had om terug in zee te geraken voordat de zon hem helemaal zou verschrompeld hebben.

 

Telkens opnieuw hield ze Kareltje voor dat hij voor haar belangrijker was dan alle kleuren van tien, of neen wel duizend regenbogen, maar hij voelde dat wat Carlijntje zei, hetgeen was dat ze wist wat hij wilde horen, en dat het niet echt uit haar hart kwam.

 

Tijdens de strandwandelingen nam ze wel nog altijd Kareltjes hand vast en bukte ze zich alsof ze nog altijd schelpen wou rapen, maar uit haar ooghoeken gluurde zij naar de waterlijn om te zoeken of ze de kwal niet terug kon vinden.

 

Ze dacht dat Kareltje dat wel niet zou merken, en al Kareltje leek dan wel dom en naief, toch zag en voelde hij aan alles waar Carlijntje's hart klopte en dat deed met de dag meer pijn.

Hoe zeer Carlijntje dat ook bleef ontkennen, in haar ogen zag hij en in de trillingen van haar stem hoorde hij hoe hun vriendschap, die ooit veel meer dan dat was, door de kwal bezoedeld was en de dagelijkse strandwandeling niet meer het hoogtepunt van de dag zoals weleer was, maar louter een voorwendsel in de hoop om terug een glimp van de kwal te kunnen opvangen.

 

In plaats van nog samen over het strand te wandelen, gebeurde het meer en meer dat Carlijntje alleen langs de waterlijn liep, met de voetjes in de branding en Kareltje achter de duinen bleef omdat het warme zeezand tussen zijn tenen hem niet meer kon bekoren.

 

Kareltje wist niet hoe lang zou hij dit nog volhouden en zou het ooit terug goedkomen of moest hij de hand van Carlijntje voorgoed loslaten en zijn leven zelf in de hand trachten te nemen?

 

Geen van beide mogelijkheden leken hem geschikt of aanvaardbaar.

 

Sindsdien viel het op dat de ogen van Kareltje met de dag minder glinsteren, hij liep steeds meer voorover gebogen en als er iets vrolijks of grappigs gebeurde rondom hem, kon hij nog hoogstens en met heel veel moeite een flauwe grijnslach op zijn gezicht wringen.

 

Eenzaam en alleen, hoewel Carlijntje nog steeds af en toe zijn hand vastnam, kwijnde Kareltje met de jaren verder weg en door de leegte en droefheid in zijn leven geraakte hij zo verzuurd dat zelfs op de zonnige dagen hij zijn muts opzette, een warme jas aandeed en dan nog zat te rillen door de lichtste zeebries.

 

Werken kon hij al lang niet meer want hij zag er het nut niet meer van in en omdat het lekkerste eten flauw en smaakloos leek, kwijnde Kareltje uiteindelijk weg tot een uitgemergelde schim, niet veel meer dan een schaduw van zichzelf.  

Zo gebeurde het dat hij, op een winterse wandeling in de duinen, door de wind mee over de zee geblazen werd, door een verdwaalde meeuw opgepikt en op een verlaten zandbank alleen achterbleef.
Uiteindelijk was het een stormvloed midden februari die hem verzwolg, zonder dat hij nog enige kracht overhad om nog maar in de richting van de verre oever te kunnen zwemmen.

De nieuwe lente had hij niet meer mogen beleven, de zomer hoefde niet meer.

 

 

 

Epiloog 5
........
(zelf in te vullen naar eigen fantasie)

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.