Rare jongens, die Zwitsers

Door Schweiz gepubliceerd op Monday 25 August 11:09

Op vraag van enkele Plazillianen, mijn verhaal dat verscheen in de bundel Zomertijd 7 van Jaylen Books. 

Rare jongens, die Zwitsers

De weg naar vakantie is geplaveid met clichés. Zowat elke nationaliteit is rijkelijk voorzien van een uitstekend uitgebouwd netwerk van vooroordelen. Denk aan de verstandeloze Belgen, de vrekkige Nederlanders, de zuipgrage Duitsers en de charmante Italianen. Het is dan ook hoogst onbegrijpelijk dat in deze moderne tijden een stukje Europa nog niet voorzien is van de nodige stereotypes: Zwitserland.

En voorbije zomer voelde ik me geroepen om daar verandering in te brengen en een halt toe te roepen aan deze vorm van discriminatie. Een dagje wandelen in de Alpen leek me hoogst voldoende om een deugdelijk cliché te vormen. De mening van één persoon na enkele oppervlakkige ontmoetingen: het vooroordeel op z'n best.

Het cliché, vooroordeel, stereotype of hoe u het ding ook noemt, is een uitstervend ras. De traditionele zomerse tweestrijd tussen zee en bergen is niet meer: vandaag kan je ook gaan zandhappen in de Sahara, geroosterd varken spelen aan de Turkse Rivièra en afpingelen in Noord-Afrika. Om dan nog steeds te veel betaald te hebben. Neen, ikzelf ben ondanks mijn tamelijk jeugdige leeftijd van het conservatieve type. Al kan de zee me maar weinig bekoren. De op het strand immer presente bouwvakkersreet, die zelfs de Grand Canyon zou doen blozen, zit daar vast voor iets tussen. De Alpen leken me daarom de geknipte locatie voor mijn uiterst betrouwbaar 'wetenschappelijk onderzoek' naar het ontbreken aan Zwitserse clichés.

Het weer tijdens mijn weekje vakantie - excuseer, onderzoek - was voortreffelijk en leende zich dus perfect tot een wandeling - het veldwerk - doorheen de bergen. Maar niet zonder stevig ontbijt, uiteraard.
Al snel kwam een serveerster op me af, Dörte heette ze. Dörte was een betrekkelijk jong ding met een enthousiaste flikkering in de ogen, de overblijfselen van een puberteit rijk aan acne op de wangen en de haren in een coupe net-uit-bed. Waarschijnlijk was ze ten prooi gevallen aan haar meedogenloze wekker. Ze zou niet het eerste slachtoffer zijn.
Ze wees me een keurig tafeltje bij het raam aan, naast een zonderling uitziende man. De man - laten we hem even Üli noemen, dat bekt nogal goed - was druk in gesprek. Dat Üli geen gesprekspartner had, leek hem weinig te deren. Al snel raakte ik gebiologeerd door deze bijzondere man, die onverstoorbaar het voor buitenstaanders onverstaanbare Schwyzerdütsch (Zwitserduits) bleef brabbelen. Opeens zweeg de man en keek hij beduusd naar zijn ontbijtgranen. "Vogelfutter", mompelde hij en hij at onverschillig verder. Wat allesbehalve van mij gezegd kon worden. Dörte mocht van geluk spreken dat ik mijn koffie al op had. Uitgeproeste koffie maakt lelijke vlekken, zeker in tapijt. Dat ik in plaats daarvan het bijna in mijn broek deed van het lachen weerhield Üli er niet van om verder te peuzelen van zijn … vogelvoer.

Met de zon op mijn snoet, de wind op mijn neus, blaren onder mijn voeten en een onaantrekkelijke uitslag op mijn linkerkuit ging ik uiteindelijk toch op pad. De bloemen bloeiden alsof hun leven ervan af hing, de vogels floten alle lucht uit hun tere longetjes en de insecten staken zoals ze nog nooit gestoken hadden. Ik moest en zou lek zijn op het einde van de dag. Gelukkig was de weg naar de kabelbaan niet lang meer en zou ik spoedig verlost zijn van muggen en ander op bloed belust gespuis.
Hoewel, een echt veilig gevoel gaf de cabine van de gondellift me niet. Dat de man naast me zat op te scheppen over hoe oud de ondertussen volle lift wel is, is weinig bijzonder. Dat er ook een mecanicien mee zou reizen lijkt ook gebruikelijk. Maar samen voorspellen ze weinig goeds. Met een gezonde mix van hoogtevrees en claustrofobie aanschouwde ik hoe de deuren dichtklapten en de motor begon te ronken. Het diepe gegrom vloeide geruststellend mijn oren in. En ging toen over in een gepruttel, om vervolgens niets dan een oorverdovende stilte te laten horen. Paniek! Paniek! Paniek! Eigenlijk waren we nog niet vertrokken, maar toch. Mister mecanicien kon zijn nut al bewijzen. En het bleek een echte vakman te zijn, want na een halve minuut stond hij alweer aan de gondellift, met in zijn hand - u raadt het nooit - enkele flessen … appelsap. Jawel, een verpakking van zes flessen appelsap was belangrijk genoeg geweest om de hele lift stil te leggen. Tùùrlijk! Straks zou de motor het vast echt begeven en konden we lekker boven een ravijn liggen te bengelen. Rondhangen, noemt men dat. Maar geen nood, geen paniek … want er was appelsap! Hoe bestaat het! Men had het mij vast vergeven moest ik een fles of drie van het plakkerige spul over zijn hoofd hebben uitgekieperd, maar gezien we ondertussen wél op honderd meter hoogte door de lucht kliefden, hield ik me maar gedeisd. Híj was tenslotte de mecanicien.

Eenmaal boven boorde muglief haar zuigsnuit zonder enige gêne weer in mijn arm, alsof er niets gebeurd was. Half verdwaasd wegdromend en half kijkend naar waar ik mijn schoenmaat 44 neerplantte, vervolgde ik mijn wandeling. Tot opeens een luide Grüezi (het equivalent van 'goedendag') me uit dromenland haalde. Blijkbaar had iemand daarboven het op me gemunt. Het was Üli. Van alle paden in gans het gebied en van alle Zwitsers aldaar moest net hij, Üli, Herr Vogelfutter, mijn pad kruisen. En wat een feest: hij herkende mij. Zijn spraakwaterval begon weer te stromen - stel je voor: nu kon hij tegen een echt persoon praten! - maar al snel bedaarde ik zijn enthousiasme met een gelogen "Mein Deutsch ist leider nicht so gut." Het uitstekende Duitse accent moest hij er maar bijnemen. Weinig beleefd, weet ik, maar een krantenkop als 'Wandelaar verdrinkt in woordenstroom' wou ik koste wat kost vermijden. Ik had ook 'Derde keer trakteren (op vogelvoer)!' kunnen zeggen, maar daarvoor had ik toch het lef niet.

Daarboven scheen nog eveneens iemand zijn lolbroek (of grapjas) aan te hebben, want enkele honderden meters later herkende ik alweer een bekend persoon: 's werelds bekendste Zwitserse krullenbol met een rode rok, de immer vrolijke Heidi. In al haar vrolijkheid had Heidi eigenhandig het gras van de bergweide gemaaid en gehooid, al huppelend en met brede glimlach, waardoor ze in haar animo ook het wandelpad - dat niet meer dan een spoor in het gras was geweest - voor alle mensen die niet Heidi heten onvindbaar had gemaakt. Stomme Heidi. In de tekenfilms leek ze sympathieker. Uit de angst Üli voor een derde keer tegen het lijf te lopen, zette ik het maar op een rare combinatie van huppelen en snelwandelen. En zo snelde ik al heupwiegend naar mijn hotel. Dwars door Heidi's bergweide.

Het was een mooie, maar vermoeiende tocht geweest; ik kon haast geen Üli meer zeggen. Laat staan er eentje zien. Maar wat hebben we er nu uit geleerd? Een heleboel. Eén: onzinnigere uitspraken doen dan Johan Boskamp blijkt uiteindelijk toch mogelijk. Twee: met appelsap los je niets op. Drie: als rotsen in een bergrivier er glibberig uitzien, zijn ze dat meestal ook - please don't ask. En moest het je nog steeds interesseren: het heeft me bloed, zweet en enkele bijna-zenuwinzinkingen gekost, maar het is me gelukt het ultieme cliché omtrent de Zwitserse bevolking te bekomen. Het resultaat: de gemiddelde Zwitser is een aan appelsap verslaafde, vogelvoer vretende Heidi. Rare jongens, die Zwitsers. 

Ter informatie: de foto's werden genomen in het Zwitserse Adelboden. 

Reacties (35) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Zeer leuk artikel!
Leuk dat het in een bundel gepubliceerd is! Vermakelijk verhaal, helemaal in jouw stijl. En je hebt gelijk, Ülli bekt best lekker. ;P
Dacht ik wel :)
Met plezier gelezen!
Leuk artikel van Schweiz uit Schweiz !
Helemaal waar; dank je :)
Zwitsers of niet, ze hebben in elk geval een prachtig land !
Inderdaad ... én een prachtig dialect!
haha ... ik was even terug in mijn jeugdjaren ; lekker lui in de zetel met de boekje van Heidi :-)
Fijn dat je het leuk vond :)
Grinnik