Jonathan

Door Geroniemo gepubliceerd op Saturday 23 August 01:15

Ik kijk in mijn spiegel en zie hoe we langzaam wegrijden van het witte gebouw. We rijden de straat uit en in mijn linkerooghoek zie ik een auto aangereden komen. Ik voel hoe onze auto remt en tot stilstand komt. De zwarte auto die van links kwam kijkt ons geërgerd aan en rijdt vervolgens door. Ik glimlach. Wij hadden ten slotte ook door kunnen rijden, maar dat deden we niet. Ik hoor getik in de auto en zie dat wij links afgaan. Weg van de gele auto. Het stuur draait en er wordt meer gas gegeven. Ik kijk.

We moeten remmen omdat er een auto aankomt die niet voor ons uit gaat wijken, dat zien we zo. De man steekt zijn hand op als dankgebaar en rijdt door. We geven gas en rijden de straat uit. Nadat we rechtsaf zijn geslagen rijden we op een grotere weg met twee rijbanen. Ik voel hoe er gas wordt bijgegeven en zie de kilometerteller langzaam oplopen tot de 80 kilometer per uur. Opeens valt me op hoe stil het is. Geen muziek, geen geluiden van andere auto’s, geen motor die draait. Niks. Ik kijk over mijn schouder naar het babyzitje. Ik weet niet wat ik moet zeggen, dus ik besluit de stilte niet te doorbreken met een of ander onzinnig verhaal.

Het blijft stil.

We slaan rechts af en ik realiseer me dat we bijna thuis zijn. Ik wil nog niet naar huis. Het huis is nog te leeg. Het is nog geen thuis. Het is te vroeg. En ineens weet ik wat ik wil zeggen.

‘’Kunnen we naar het strand?’’, vraag ik. Het blijft stil. ‘’Het strand? Dat is minstens twee uur rijden. En kijk naar de wolken. Ik weet zeker dat het zo gaat regenen.’’ Ik haal mijn schouders op. Het is weer even stil, totdat ik het getik hoor en zie hoe we links afslaan.

De auto geeft gas bij. Na een aantal minuten zie ik borden verschijnen met de richting naar het strand. Ik glimlach. Ik krijg altijd mijn zin, denk ik bij mezelf. Het blijft stil. Wederom denk ik aan dingen om te vertellen, vragen of te zeggen. Maar ook in mijn hoofd blijft het stil. Ik glimlach weer. Maakt niet uit.

Ik voel hoe er meer gas wordt gegeven en zie dat we de auto’s naast ons steeds sneller passeren. Ook de vangrail gaat steeds sneller langs ons raam. Ik geniet. Eindelijk weer naar het strand. Dat is al een tijd geleden.

Ik zie hoe we een bord met daarop ‘strand’ passeren. Het voelt alsof we nog geen drie minuten onderweg zijn, maar over een half uur zijn we al bij het strand. Onder het bord, bij de vluchtstrook, zie ik bloemen en een teddybeer liggen. Boven de bloemen hangt een bord met ‘2011 – 2014. Rust in vrede, Jonathan’. Boven de tekst hangt een foto van een glimlachend jongetje. Hij heeft fel blauwe ogen, blond haar en een stralende glimlach. Mijn aandacht wordt getrokken naar de deuk in de vangrail. Dat zal vast een flinke klap geweest zijn.

‘’Gelukkig ben jij er nog, John’’, zeg ik met een brede glimlach. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en zie het babyzitje. Ik glimlach nog breder. Stel je voor dat ik John nu kwijt zou raken. Dat zou verschrikkelijk zijn. Ik werp nog een blik op het babyzitje.

Het blijft stil.

‘’Maar nu wil ik eigenlijk wel naar huis, mama’’, hoor ik mezelf zeggen. Ik glimlach. Maakt niet uit. In mijn ooghoek zie ik een zwarte auto passeren. ‘’Ja schat, we gaan naar huis.’’ Ik kijk naar links, voel hoe het stuur mij ontglipt en hoe ik naar rechts schiet. Een harde knal, waarna het zwart wordt voor mijn ogen.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.