Titel Waterwereld deel 2

Door Doler gepubliceerd op Tuesday 19 August 12:50

In de zeeën waar Helve en haar groep verbleef was de ondergang voelbaar, ze begrepen niet wat er gebeurde maar toen de stroming sterker werd gaf ze opdracht verder weg te zwemmen. Zo ging de groep tegen de stroom in weg van het gevaar, maar de stroming werd bij vlagen zo sterk dat sommige van de groep mee gesleurd werden door het sterk stromende water.

Helve en Modro deden wat ze konden om zoveel mogelijk dolfijnen van hun groep te redden. Er was nergens een schuilplaats om de stroming van de zee te ontlopen. Een nieuw gevaar kwam op hen af, losgeslagen ijsbergen en stukken van de gletsjers verschenen in het water. Met grote snelheid kwamen de stukken ijs door het water aan hier en daar een dolfijn of een walvis aan stukken snijden. Het was chaos in de zee, geen eiland te bekennen zodat ze aan land konden gaan in de stof. Er waren er nog maar een paar die in de energie konden gaan maar Helve wilde de groep niet in de steek laten. Voortduren maande ze de groep aan om door te gaan tegen de stroom in, ook anderen dolfijnen en walvissen die ze tegen kwamen sprak ze aan. Kom, met zijn alle zijn we sterker, een groep walvissen van zeker twintig stuks vormde een buffer tegen de stroom en de dolfijnen bleven achter heen zwemmen. Zo werd de kracht van het water iets opgevangen maar de ijsblokken vormde het grootste gevaar. De walvissen verlegde hun koers zodat de stroom schuin tegen hen in kwam ze zwommen richting vaste land om zo bij een eiland in de luwte te komen van de stromingen. Maar telkens werden ze door de stroming van hun koers gedreven, een van de walvissen gaf een bericht door van Kailin hun leider. Hij vertelde aan Helve dat ze dicht bij een eiland waren waar nog meer walvissen en dolfijnen een schuilplaats hadden gevonden. Het zou niet lang meer duren voor dat ze er waren, af en toe een gedachte schreeuw van een dolfijn die niet meer kon. En mee gesleurd werd met de stroom en steeds schreeuwde Helve laat je mee gaan in de stroom dan heb je nog een kans om te overleven.

De bodem van de zee werd vlakker een teken dat er land in de buurt was, de walvissen zwommen een traag tempo. De stroming werd langzamer minder sterk en de diepte van de zee minder, de bodem steeg. De walvissen zochten naar de plek waar al walvissen en dolfijnen waren. In een breuk in de bodem zagen ze dat er een grote groep walvissen en dolfijnen een schuilplaats hadden gevonden. De groep van Helve voegde zich bij hen en al snel kwamen de verhalen los. Hier en daar een ontmoeting van oude bekende die elkaar terugvonden, maar één verhaal kwam steeds terug. Dat de bodem van de aarde gebroken was door de woedende energieën die de mens had los gelaten en niet meer in de hand kon houden. Zoveel geweld was er los gebarsten dat die de aarde vernietigde, één van de walvissen vertelde dat de energie de lucht in geschoten was en dat hij aan de hemel een enorme explosie had gezien. Helve knikte en zei wij hebben het ook gezien en ze bedacht dat daardoor de stroming van de zee zo sterk was geworden.

Ze vertelde dit aan Modro die knikte en het met haar eens was. Modro zei het is de Atlanties weer gelukt om zichzelf te vernietigen, eerst hun thuisplaneet en nu hier weer de aarde.

Helve dacht met weemoed terug naar Atlantis de planeet en als een flitst schoot alles weer voorbij. Ze was nog steeds blij met de keus die ze gemaakt had om de zee in te gaan. Ze keek om zich heen en zag dat er een nieuwe groep walvissen aangekomen het was maar een kleine groep, ineens zag ze dat Kailin erbij was. Haastig zwom ze naar hem toe maakte gedachte contact en vroeg of hij nog nieuws had over wat er gebeurd was. Kailin bevestigde dat het gerucht waar was en vertelde dat de priester orde de kristallen aan hadden gezet, de overtollige energie de aarde in hadden laten gaan en toen dat teveel werd was de boel geëxplodeerd. De andere Atlanties hadden het niet meer tegen kunnen houden, het hele land Atlantis was ten onder gegaan. De aarde zou nooit meer zo worden als ze was, nieuwe landen zouden ontstaan evenals nieuwe zeeën. Kunnen wij nog iets doen vroeg Helve? Nee, niets dan afwachten tot de zeeën bedaard zijn dan zullen we op onderzoek uitgaan antwoordde hij. Verdrietig wende ze zich af en keerde terug naar Modro en Noscho, daar vertelde ze dat de geruchten waar waren. De mens leerde niet echt ze bleven zichzelf voorbij lopen met alle gevolgen.

Er kwamen nog steeds dolfijnen en walvissen aan, soms alleen soms een paar. Geen grote groepen meer. De verhalen werden steeds triester, vele van de dolfijnen en walvissen waren mee gesleurd en waarschijnlijk hadden ze het niet overleefd. Vele die aan kwamen waren zwaar gewond, er werd om hulp gevraagd aan Helve. Ze riep enkele anderen dolfijnen erbij om te helpen en hielpen waar ze konden. Soms waren ze te laat maar vele werden door de energie die de dolfijnen doorgaven geheeld. Trieste verhalen van moeders die hun kind hadden verloren door de sterke stroming, vele vrienden en familie waren mee gesleurd. Steeds opnieuw kwamen er gewonden binnen, een enkeling mankeerde niets. Zo wachten ze af totdat de stromingen minder werden, regelmatig ging één van de sterkere walvissen erop uit om te onderzoeken of er al veranderingen waren maar steeds kwam hij terug met het bericht dat er niets veranderd was. Een ander probleem werd het voedsel want door de sterke stroming was er geen voedsel meer in het water en doordat ze uit de stroming lagen beschut achter het eiland kwam er ook geen voedsel langs. Voor de walvissen was het wat makkelijker die konden lange tijd zonder voedsel maar voor de dolfijnen was het anders die moesten regelmatig naar boven om zuurstof in te ademen en dat koste weer veel energie. Besloten werd dat er een paar mannetjes dolfijnen op zoek zouden gaan naar vis deze zouden vangen en die naar de andere dolfijnen brengen. Zo gingen er een paar op weg al snel kwamen ze terug met een vis in hun bek die ze snel over gave aan de jonge dolfijnen. Zo gingen ze een paar maal heen en weer, totdat Modro zei dit gaat te langzaam. Hij riep in gedachte naar Kailin en vroeg of hij met hem mee wilde gaan om vis te vangen. Kailin stemde hierin toe en samen gingen ze op weg. Modro legde uit wat hij van plan was Kailin hoefde alleen zijn bek open te houden als Modro met een vis aan kwam en hij deze los liet in de bek van Kailin. Dan moest hij direct zijn bek weer sluiten. Denk erom dat je de vis niet inslikt en zo gingen ze aan het werk af en toe ontsnapte er wel een vis maar het ging toch sneller zo. Toen Modro er genoeg dacht te hebben gingen ze terug naar de groep en daar legde hij uit wat de dolfijnen moesten doen. Kailin zou zijn bek een kiertje open houden de vissen zouden dan er uit zwemmen en de dolfijnen konden ze zo opeten. De dolfijnen keken verbaasd op bij dit verhaal maar toen Modro riep opletten en de vissen uit de bek van Kailin zwommen wisten niet hoe gauw ze de vissen moesten vangen. Het werd een feest maal, Helve keek lachend toe en zag dat de dolfijnen weer vrolijk werden van de maaltijd. Toen de vissen op waren keek Kailin naar Modro en vroeg met gedachte spraak zullen we nog een keer gaan? Deze lachte, knikte en beide zwommen weg voor nog een rondje vis. Zo was het probleem van het voedsel voor de dolfijnen voorlopig opgelost.

De weken verstreken en de zee bleef woelig en onrustig, de stroming was nog steeds hevig ze moesten nog op deze plaats blijven. Toen op een dag de zonster onderging werd er alarm geslagen door de walvissen, een grote groep Orka´s naderde de groep walvissen en dolfijnen. De walvissen gingen in een kring liggen met daar achter de jonge van beide groepen, de volwassen dolfijnen zwommen er boven of er onder en zouden direct aanvallen als de orka´s dat zouden doen.

Een gedachte kwam binnen bij Kailin, een reus van een orka kwam naar voren en met een grauw beval de orka om niet te vechten ze zouden toch verliezen. Maar Kailin lachte hem uit en maakte zich klaar om de aanval van de orka´s op te vangen. De reuze orka gaf bevel om aan te vallen en met een enorme snelheid stoven de orka´s op de walvissen af. Door dat de walvissen in een kring lagen en dicht tegen elkaar vingen ze de orka´s op. Met harde klappen botste ze tegen elkaar en was het gevecht in volle gang. De dolfijnen stoven om de orka´s heen en waar ze konden vielen ze aan. Modro schreeuwde met een gedachte dat de dolfijnen van opzij de ogen en neus aan moesten vallen van de orka´s. Dat gaf gelijk succes maar er vielen ook vele slachtoffers. De orka´s waren zo uitgehongerd dat als ze een walvis of dolfijn te pakken hadden niet meer aan het gevecht deelname en dat was een geluk voor de dolfijnen en de walvissen. Zo konden ze de orka´s veel schade toe brengen omdat ze niet goed meer opletten.

Enkel van de orka´s waren door de kring heen gebroken maar doordat de kring zich gelijk weer sloot konden de dolfijnen ze aanvallen en doden. Zo duurde de strijd voort en Kailin hield de strijd in de gaten op een bepaald moment in de strijd zag hij dat ze het niet zouden redden. Maar als ze nu zouden vluchten dan was de slachting nog groter. Snel dacht hij na en keek om zich heen en zag een rots wand vlak bij hen, hij gaf opdracht aan een paar walvissen om daarvoor te gaan liggen en als er een orka op snelheid aan kwam uit elkaar te gaan zodat de orka zich te pletter zwom tegen de rots. Zo werden er al snel een paar orka´s gedood, maar het ging te langzaam het duurde te lang zo zouden ze het niet redden. De orka´s waren gek geworden van het bloed en bleven hevig aanvallen, de paniek sloeg toe bij de walvissen en de dolfijnen. Plotseling werd er een groepje orka´s uit elkaar geslagen, er verscheen een reus van een walvis die wild om zich heen sloeg. Verbaasd keek Kailin naar de grote walvis, hij was zelf één van de grootste walvissen die hij kende maar deze was zeker twee keer zo groot als hij. Wie was dat? Hij probeerde met een gedachte schreeuw contact te maken maar de grote walvis zweeg en ging onverminderd door. Hij stortte zich op elke orka die te dicht bij kwam en met zijn enorme staart sloeg hij de orka´s alle kanten op, onvermoeibaar ging hij door want de orka´s vielen hem nu massaal aan. Snel gaf Kailin opdracht om te helpen en de walvissen en de dolfijnen vlogen er op af. Even was er een grote chaos want alles ging nu door elkaar heen, toen viel alles stil. De orka´s verzamelde zich en namen afstand even was alles stil toen stuurde de grote walvis een gedachte naar de orka´s stop met dit zinloos moorden. Ga heen er is genoeg gedood jullie kunnen dit niet meer winnen, de grote orka zwom wat naar voren en vroeg wie ben je ik heb je nog nooit gezien of van je gehoord? Wie ik ben doet niet ter zaken, weet dat ik er ben. Ik ben in alle die leven, vertrek nu en neem de orka´s mee die ik geraakt heb want zij leven nog steeds. Even leken de orka´s te twijfelen toen klonk er een harde gedachte de grote orka gaf de order haal je broeders en zusters we vertrekken. Even later waren de orka´s vertrokken en konden de walvissen en dolfijnen de gewonde gaan verzorgen, er waren vele zwaar gewond. Er waren ook vele doden te betreuren, de grote walvis keek zwijgend toe, maar begon toen de gewonden te helpen. En waar hij een gewonde aan raakte genazen deze op slag, Helve die het als eerste opviel vroeg aan de walvis wie ben je? En ook Kailin vroeg het, even hield de grote walvis stil en antwoordde toen ik ben de zoon van de schepper, Sananda de eerst geschapene van God de vadermoeder. Verbaasd zwegen ze en toen vroeg Helve maar dat kan toch niet? De walvis lachte en waarom niet dan? Ja ehh dat weet ik niet antwoordde ze. Toen veranderde de walvis in een slanke dolfijn en vroeg is het zo beter? Je weet toch dat we alle lichamen aan kunnen nemen? Of zijn jullie het ook verleerd, kunnen jullie jezelf niet meer veranderen? Helve knikte, er zijn er nog maar een paar die het kunnen. Ik weet het zuchtte Sananda, kom laten we de gewonde genezen help mee.

En zo gingen ze voort om de gewonde de genezen. Toen ze klaar waren vroeg Modro weet u of de zeeën al rustig zijn zodat we terug kunnen naar de kusten waar we vandaan komen. Sananda antwoordde de zeeën zijn nog lang niet rustig genoeg dat zal nog lang duren, de kusten waarover je spreekt zijn er niet meer. De wereld zoals die was bestaat niet meer, de mensheid mag verder gaan en leren van de fouten van de Atlanties.

Vele zullen de weg opnieuw gaan en er lang over doen om te beseffen wie ze zijn. Helve keek Sananda aan en vroeg wat raad u ons aan? Hier blijven in deze wateren zul je voedsel genoeg vinden, blijf hier voorlopig wonen. Helve knikte en antwoordde ik zal alle dolfijnen bijeen roepen en het voorstellen om hier te blijven. Sananda nam afscheid van de walvissen en dolfijnen en zei als je hulp nodig hebt denk dan mijn naam en ik al er zijn, hij verdween.

Toen gaf Helve opdracht om alle dolfijnen te verzamelen, lang werd er niet overlegd. Ze wilde allemaal hier blijven en rust vinden later zouden ze wel zien of ze terug zouden keren. Of om te kijken of ze terug zouden gaan naar de warmere streken. Ook de walvissen besloten in deze wateren te blijven.

De zee bleef nog lange tijd onrustig maar de stroming begon langzaam af te nemen. Zo konden de dolfijnen op onderzoek gaan, ze onderzochten waar er nog land was. Het land was geen land eigenlijk, ja hier en daar konden ze land onderscheiden. Het waren ijsbergen en ijsvlaktes die ze ontdekte, ze konden vlak langs de randen van het ijs zwemmen. Op de ijsvlaktes leefde dieren die ze nog nooit gezien hadden. Kleine dieren die over het ijs liepen in een waggelgang, hele grote dieren met een ruige huid, helemaal wit en beide dieren konden heel goed zwemmen. Ze waren voor de dolfijnen niet gevaarlijk, soms probeerde die hele grote wel eens een dolfijn te vangen maar de dolfijnen waren te snel in het water. Zo leefde ze een vrij rustig bestaan er was veel voedsel en ze konden naar hartenlust spelen en zwemmen. Maar er waren vele momenten dat ze terug verlangde naar de warme wateren. Vele jaren verstreken en vele dolfijnen verlieten het leven. Werden verstrikt in de netten of aangevallen en opgegeten. De walvissen hadden het naar hun zin in deze zeeën en wilde niet meer weg gaan. Helve en Modro leefde nog steeds, er waren nog enkele van de  oude Atlanties over van de planeet Atlantis. Dolfijnen die zich nog steeds in een andere energie konden komen. Zij wisten dat ze het eeuwige leven hadden, hun lichaam vernieuwde zich steeds. Een hele nieuwe generatie vormde nu de groep van Helve, zij en Modro hadden vele kinderen gekregen maar geen een had de gave van het eeuwige leven. Vele van hun kinderen waren overleden ook Noscho was gestorven tijdens een gevecht met een orka. Soms vroeg Helve aan Modro wanneer keren we terug naar de warme wateren? Zullen we samen op zoek gaan naar het oude land? Maar steeds durfde ze het niet aan, ook omdat er geen goede leider was om de groep te leiden. Helve had nog steeds contact met Sananda, ze had hem gevraagd om te komen. En na een paar dagen verscheen hij in hun midden, na de begroeting vroeg Helve hem om samen te praten en de twee zwommen weg. Ze zwommen aan de oppervlakte en genoten van de zon. Toen vroeg Sananda kom stel je vragen en ze vertelde van hun drang om de oude wereld op te zoeken maar dat er geen goede leider was. Sananda vroeg hoeveel kinderen heb je gehad en zat daar geen opvolger bij? Helve schudde haar hoofd en zei geen enkele heeft de gave nee er was geen van haar kinderen geboren met de gaven dat wilde ze wel heel graag. Sananda zei het zal gebeuren, bereid je voor op je volgende zoon en let op een geboorte die gelijktijdig plaats vindt. Er zal een vrouwelijke dolfijn geboren worden op het zelfde moment ook deze zal de gave dragen. Helve glimlachte en zei ik zal er naar uit kijken en als beide geboren zijn en volwassen dan zullen Modro en ik naar het oude land gaan. Maar Sananda zei weet dat het oude land is verdwenen en een gedeelte van de bevolking is gered en is op gegaan in de bevolking van de landen waar ze hen zijn gevlucht. Het volk van Atlantis is niet meer als volk te herkennen, alleen de werken en geschriften zal je wel herkennen. Sommige families zijn nog volledig Atlanties maar noemen zich niet meer zo. Ze knikte en antwoordde ik dank u wel dat u dit vertelde maar we zullen toch gaan zoeken. Ze namen afscheid en even later was Sananda verdwenen, Helve keerde terug naar haar volk en sprak met Modro. Toen ze een kind verwachten en deze geboren werd was er op hetzelfde moment ook een dochter, genaamd Andal geboren in de groep. Modro ging op bezoek en zag dat deze vrouwelijke dolfijn inderdaad de gave had ook zijn eigen zoon, Odar had de gave. Zo werden deze twee dolfijnen kinderen opgevoed en begeleid in hun gave, opgevoed om het volk van Helve en Modro te gaan leiden. Het waren twee kinderen die zich direct tot elkaar aangetrokken voelde en altijd samen waren. Tegen de tijd dat ze volwassen waren werd bekend gemaakt dat dit de nieuwe leiders waren en dat Helve en Modro op zoek gingen naar het oude land en de warme wateren. De hele groep dolfijnen wilde mee gaan maar Helve was daar kort in ze zouden eerst zelf gaan. Ze beloofde dat ze terug zouden komen en was het leven daar geschikt dan zouden ze terug gaan naar hun geboorte zee.

Toen de twee nieuwe leiders zover waren dat ze de taken over konden nemen, namen Helve en Modro afscheid en vertrokken richting het oude land. Er zou wel steeds contact zijn via de gedachte spraak om de nieuwe leiders te ondersteunen.

Beide zwommen naar de warme wateren, in het begin zwommen verschillende dolfijnen van hun groep mee. Maar op een dag waren ze samen, het was stil in de zee waar ze zwommen, geen dolfijnen of walvissen te zien. Af en toen deed Helve een gedachte oproep uitgaan om te kijken of er dolfijnen in de buurt waren, maar er was geen reactie. Voedsel was er genoeg ook kwamen ze veel vis soorten tegen, vissen die ze nooit hadden gezien. Er was ook geen contact met deze vissen mogelijk, vele weken waren ze onderweg. De zee stroomde nog behoorlijk maar het voelde niet gevaarlijk aan het was een constante stroom. Het water werd steeds warmer, maar herkenning ergens mee hadden ze niet, land was er ook niet en de zeebodem liet niets bijzonders zien. Ze wisten ook niet waar ze moesten zoeken en of er nog land was, ze hadden geen aanknoping punten. Ze wisten alleen nog hoeveel dagreizen ver ze toen waren gegaan. En ook de zonster wees hun de weg en de richting. Toen ze de laatste dag van de dagen bereikte zwommen ze steeds meer aan de oppervlakte

Maar er was geen land te zien Modro zei ik ga duiken om te kijken wat er op de bodem te zien is. En hij dook onder, het duurde lang voor hij terug was en vertelde dat er niets te zien was. Ze besloten om de richting van de zon, als deze op het hoogste punt stond te volgen. Ze bleven veel aan de oppervlakte zwemmen het voedsel was hier ook heel anders, andere vissoorten, zo leerde ze ook om ander voedsel tot zich te nemen. Zo zwommen ze steeds verder maar vonden geen land, wel leefde er hier een grote vis soort die heel agressief was. Ze waren nog niet aan gevallen maar ze waren heel nieuwsgierig, ze leken erg op de haai die hun zoon Noscho had aangevallen Alleen deze was wel twee keer zo groot, Helve probeerde contact te krijgen. Één van hen zwom wat dichter bij toen ze haar oproep deed ze hoorde een vage gedachte net als toen bij de orka´s. Deze vis was meer nieuwsgierig maar voelde agressief aan, ze vroeg hem naar zijn volk, hoe die heten. Een gedachte stroom brak los maar er was geen samenhangende gedachte. Weer vroeg ze hoe de vis heette, toen een gedachte die ze vertaalde naar een naam die klonk als haai. Toen opeens zwom het dier weg, ze keek hem na en keek naar Modro en vroeg wat denk jij van die vis? Zou de naam kloppen, hij lijkt niet op de haai die onze zoon toen heeft aangevallen? Hij antwoordde zou best familie kunnen wezen maar hij voelt niet goed, we moeten oppassen voor deze soort. Kom we gaan verder terwijl hij weg zwom dook de haai onder hen vandaan en viel toen Modro aan. Deze draaide snel mee in de aanval en kon zo voorkomen dat hij geraakt werd. Helve dook op de zijkant van de haai waar deze enorm van schrok en weg vluchtte. Ze lachte grimmig hij is zeker niet gewend om aan gevallen te worden. Ze zagen de haai niet meer terug af en toe zagen ze andere die op de haai leek maar ze bleven deze zover mogelijk uit de buurt. Na weer een paar dagen gezwommen te hebben dook Modro weer naar beneden om de bodem te onderzoeken en even later bereikte een gedachte oproep Helve kom eens naar beneden hier ligt een oude stad, ik zie huizen, muren. Ze dook naar beneden en zag de muren en de kapotte huizen op de bodem staan. Langzaam zwom ze over de stad heen en toen herkende ze een van de gebouwen ze was hier wel eens geweest. Veel was er niet over van de stad alles lag in puin. Het leven van de zee had de stad in bezit genomen, vele diersoorten hadden er een thuis gevonden. Ze zei tegen Modro kom ik weet nu de richting die we moeten gaan, ze koerste nog steeds op het hoogste punt van de zon. De volgende dag zagen ze in de verte een eiland liggen ze zwommen er heen en zwommen een eindje langs de kust, het was een groot eiland. Helve stelde voor om eerst de zeebodem verder te onderzoeken om te zien of daar nog resten van een stad liggen. Ze doken naar beneden maar zagen geen gebouwen of muren staan. Ze zwommen rond het eiland en aan de andere kant lagen brokstukken steen, maar onherkenbaar van wat het geweest is. Helve liet via de gedachten spraak weten dat ze maar naar boven moesten gaan. Ze besloten het eiland nog een keer rond te zwemmen maar bleven nu aan de oppervlakte maar ook hier zagen ze niets op het eiland wat wees op bewoners. Ze overlegde met elkaar en besloten om aan land te gaan, ze zwommen zo dicht mogelijk naar het strand. En veranderde zichzelf in een stoffelijk menselijk lichaam, ze keken elkaar aan en Modro zei zo dat is lang geleden dat wij in de stof waren. Het voelt vreemd alsof je zit opgesloten geef mij maar mijn dolfijnen lichaam zei Helve. Ze liepen het strand op naar de rand van de duinen, ze begonnen de duinen te beklimmen en boven op de top keken ze uit over een lege vlakte met in de verte bossen en bergen. Niets wees erop dat er bewoners waren. Modro zei kom we gaan in de energie en doorzoeken zo het eiland dat gaat veel sneller. Zo gingen over naar hun energie lichaam en even later zweefde ze boven de bossen en de bergen. Er was niets te zien, toen ze de andere kant van het eiland naderde begon de zon al onder te gaan. Net toen Helve een gedachte wilde sturen naar Modro gaf deze aan dat er in de verte een rookpluim te zien was. Snel gingen ze erop af en ze zagen onder zich een aantal hutten staan, er liepen een paar mensen rond. Modro gaf aan naar beneden te gaan maar in de energie te blijven. Toen ze aan de rand van het dorpje stonden zagen ze dat de mensen het arm hadden. Nauwelijks kleren aan en er stonden een paar schamele hutjes van takken dicht gemaakt met modder. De hutjes stonden op een open plek in een kring en in het midden was er een vuur waarop een grote pot stond met voedsel. Modro sprak in de gedachten taal Helve aan en vroeg kijk eens of je bekende mensen ziet? Ze keken beide rond maar zagen geen bekende, ze keken elkaar aan het is ook alweer zolang geleden. Wel zagen ze hier en daar voorwerpen die aan Atlantis deden denken. Laten we eens luisteren waar de gesprekken over gaan zei ze. Ze gingen dichter naar het vuur toe en stonden vlak bij de bewoners van het dorp. Er werd niet veel gezegd omdat iedereen zat te eten. Er zaten ongeveer veertig mannen, vrouwen en kinderen om het vuur, duidelijk was dat er één man de leiding had. Hij werd bediend door een paar vrouwen, Helve die vlakbij de man stond hoorde zijn gebrom aan. Toen ze klaar waren met eten begon de man vragen te stellen, hij vroeg een paar mannen hoe de gewassen ervoor stonden. Toen vroeg hij aan een vrouw of de koe al gekalfd had. De antwoorden waren kort, geen woord teveel. Al snel was het weer stil, de kinderen vroegen toestemming om te gaan spelen. Even later klonken er heldere kinderstemmen en een luid gelach op.

De man zuchtte eens en zei tegen de man naast hem wat kan er toch gebeurd zijn dat de zee ons mooie land heeft vernietigd. De aangesproken man antwoordde och het is alweer zolang geleden maar de priesters hebben het gedaan en wees maar blij dat er hier geen priesters meer zijn. Ik had ze eigenhandig in zee gegooid. De hoofdman lachte ja en ik had je geholpen, ze lachten hard. Toen zei de hoofdman maar er waren andere Atlanties die in de stad zaten met de vier torens? Ik had familie daar wonen en die hebben mij verteld dat die Atlantis zouden redden. Zij werken in de torens en wisten zo van de plannen, nou die konden ook niks. We zijn met z´n alle de zee in gegooid, gelukkig dat wij boten hadden en dit eiland vonden.

Maar moeten wij nu ons hele leven hier blijven op dit verdoemde eiland zei de andere man. De hoofdman lachte luid jazeker wat wil je dan gaan zwemmen en zo land gaan zoeken. Een boot krijg je niet, die hebben we hard nodig om te vissen. Kom we zitten hier nu eenmaal en we hebben vrouwen genoeg dus wat wil je nog meer. Helve keek rond en inderdaad er waren twee maal zoveel vrouwen als mannen. Ze lachte zacht die mannen bofte maar, want ze zag dat de vrouwen hun best deden om de mannen het naar hun zin te maken. Ze stuurde een gedachte naar Modro laten we ons even terug trekken en overleggen wat we zullen doen. Terwijl ze de gedachte verzond sprong de hoofdman op en keek wild om zich heen. De man schreeuwde waar zitten jullie ik hoorde jullie stemmen komt te voorschijn, zijn jullie priesters? Wie zijn jullie? Jazeker, ik hoorde je wel, kom te voorschijn, de man rende intussen heen en weer. Modro riep weg van hier en beide verdwenen om aan de rand van het bos weer te voorschijn te komen, nog steeds in de energie. Ze keken naar het vuur de hoofdman stond nog te schreeuwen en met zijn vuisten te zwaaien. De rest van de bewoners stonden dicht bij elkaar. Kom zei Helve en ze trokken zich terug tussen de bomen, toen ze uit het zicht waren kwamen ze in het stof lichaam terug. Zo die was driftig, ze knikte ja maar hij kon wel de gedachte spraak horen, zou hij ook kunnen antwoorden? Modro vroeg zal ik hem roepen. Hij zond en vriendelijke groet naar de hoofdman, gegroet hoofdman van vele je hoeft niet bang te zijn. Als je mij kan horen stuur dan een antwoord of wij welkom zijn. Direct daarop kwam het antwoord met een vraag, met hoeveel zijn jullie hier, zijn jullie priesters van Atlantis? Modro lachte en antwoordde we zijn met ons tweeën en we zijn geen priesters van Atlantis, wie we wel zijn willen we jullie wel vertellen maar of je dat zal begrijpen weet ik niet. Zijn wij welkom? Even was het stil toen kwam het antwoord jazeker jullie zijn welkom. Ze keken elkaar aan en zei kom laten we direct gaan, ze weten niet dat wij in de energie kunnen gaan dus als het nodig is dan zijn we zo weer weg. Maar ik wil dit toch geheim houden dus als het niet nodig is dan blijven wij in ons stoffelijk lichaam. Ze liepen naar de bosrand en zagen dat de hoofdman in het rond keek. Ze bleven even stil staan en Helve zwaaide om de aandacht te trekken van de mensen bij het vuur. Langzaam liepen ze naar het vuur toe, de vrouwen kropen weg achter de mannen. De kinderen waren al geroepen om bij de moeders te komen. De mannen stonden in een rij voor de vrouwen en kinderen. De hoofdman deed een paar stappen naar voren en boog en heette ze welkom. Hij zei ik heb vele vragen maar de eerste is hoe zijn jullie hier gekomen? Helve schoot in de lach en antwoordde we zijn komen zwemmen, de hoofdman keek haar verbaasd aan, zwemmen hoe kan dat nu de zee is zo groot. Je bent komen zwemmen dat geloof ik niet, de hoofdman lachte luid. Maar Helve zei dat leggen we je nog wel uit. Één van de vrouwen bracht wat drinken en voedsel naar de twee bezoekers. De hoofdman nodigde hen uit om bij het vuur te komen zitten, toen ze aanzaten gingen alle mannen zitten en daarna de vrouwen. De hoofdman keek ze nieuwsgierig aan en vroeg komen jullie uit Atlantis? Helve keek even naar Modro en antwoordde toen, ja maar dat is heel lang geleden. Vertel eens wat hebben jullie meegemaakt met de ondergang van het rijk Atlantis, hoe hebben Jullie het kunnen overleven? De hoofdman vroeg toen wat is jullie naam? Beide noemde hun naam en de hoofdman zei ik heet, Borag. Toen begon hij te vertellen, hoe de aarde brak, hoe ze met een boot met het water meegesleurd werden, ze woonde vlak bij de haven en hadden tot hun geluk een boot te pakken kunnen krijgen met nog een paar Atlanties. Hoe ze gezien hadden dat de stad weg gleed in het water totaal verzwolgen door het water en hun boot mee gezogen werd door de stroming. De boot werd door een enorm golf mee genomen en dat was hun geluk geweest. Ze waren dagen lang zo mee gesleurd en langzaam verloor de golf zijn kracht. De stroming was toen nog heel sterk geweest tot het moment dat ze op dit eiland aanspoelden. Verder wisten ze niet wat er allemaal gebeurd was en wat er nog over was van Atlantis. Toen ze op het eiland terecht waren gekomen waren er nog meer Atlanties aanwezig, ook later waren er nog bootjes aan gespoeld soms met één overlevende soms een paar, maar ook met alleen overledenen. Ook was er veel materiaal aangespoeld en ook de boten hadden allerlei spullen mee gebracht. Maar vele zijn gestorven en de jaren zijn voorbij gegaan. Ik ben met nog vier anderen de enige die nog uit die tijd over zijn gebleven. Toen de hoofdman Borag uit verteld was kwam er een volgende en ook dat verhaal werd verteld. Toen de maan hoog aan de hemel stond stapte de hoofdman op en zei kom het is tijd om te slapen, morgen zullen we luisteren naar jullie verhaal. Hij ging hen voor en bracht ze naar een hut. Hier kunnen jullie verblijven zolang jullie hier zijn. Even later was het stil in het dorp en Helve keek Modro aan en zei, als die paar die nu nog leven de gedachte spraak kunnen horen kunnen ze misschien ook nog in de energie gaan. Verder hebben we hier niets te zoeken.

We zullen zo snel mogelijk verder gaan, we zullen alleen aangeven dat we tot het dolfijnen volk behoren. De volgende morgen werden ze gewekt door de kinderen die luidkeels de nieuwe dag verwelkomde, toen Helve naar buiten ging stond de hoofdman hen al op te wachten en zei kom ze liepen naar de open plek om te eten. Daar werd hun gevraagd waar ze vandaan kwamen, Helve vertelde dat ze een zeevolk waren en behoorde tot de groep dolfijnen. De hoofdman keek haar aan en met een grijns op zijn gezicht zei hij dus jij bent een vis? De bewoners die het hoorde lacht luidkeels en Borag lachte het hardst. Een dolfijn ja die kennen wij wel, heel vriendelijke dieren. Helve glimlachte en vroeg hem heb je nooit gehoord dat er een groep Atlanties vertrokken zijn toen ze op aarde geland waren? Een groep die in de zee wilde gaan leven? De hoofdman dacht na en zei ja heel vaag heb ik zoiets wel eens gehoord maar nooit echt geloofd. Ongelovig keek hij hen aan, mensen die vissen worden zich kunnen veranderen in een vis en dan een mens worden. Ja, van het veranderen heb ik ook wel gehoord, maar toch!!!! Zou je het ons willen laten zien? Vroeg Borag toen, jawel want we willen hier niet langer blijven we willen gaan onderzoeken wat er gebeurd is met Atlantis en waar de bewoners heen gegaan zijn die het overleefd hebben. De hoofdman vertelde dat de zee hier dicht bij laag. Helve vertelde dat ze aan de andere kant van het eiland uit de zee waren gekomen. Toen ze naar de zee liepen stond de zon hoog aan de hemel, Borag vroeg als jullie hier weer langs komen willen jullie ons dan bezoeken? Wij willen heel graag weten wat er met Atlantis gebeurd is en misschien kunnen we hier dan wel weg. Ze maakte afspraken, toen liepen Modro en Helve de zee in, Helve wees naar Modro en deze liep verder en veranderde in een dolfijn. Even later sprong hij op uit het water en dook weer onder hij herhaalde dit een paar maal. Helve keek naar Borag die bij haar in het water stond, deze was stil en zei het is een wonder dat jullie dit nog kunnen. Konden we allemaal maar zo in vrijheid leven. Ze lacht ja maar helaas dat kan niet meer, er zijn er weinig van ons die dit nog kunnen. Maar zei ze jij kunt de gedachte spraak toch horen en spreken, hij knikte en zei dat klopt maar in de energie gaan dat gaat niet meer. Het is allemaal al zolang geleden en ik heb het nooit meer geprobeerd sinds we hier zijn aangespoeld.

Helve dacht even na en vroeg hem toen als je het nu zou willen, op dit moment. De hoofdman keek haar heel lang aan en zei toen ik kan het proberen. Ze vroeg hem kijk goed naar de dolfijn en stel je dan voor dat jij in een dergelijk lichaam kan zijn.

De man sloot zijn ogen maar er gebeurde niets, toen hij zijn ogen opende schudde hij met zijn hoofd. Hij lachte en zei het zou te mooi zijn geweest, maar zei Helve blijf maar oefenen.

Ze namen afscheid en beloofde terug te komen, ze liep verder het water in en dook onder even later sprong ze omhoog uit het water. Beide dolfijnen sprongen gelijktijdig en verdwenen toen. Zo gingen ze verder op zoek naar het verdwenen Atlantis, dagenlang zwommen verder, ze soms uitrustend op een eilandje wat ze tegen kwamen. Deze eilandjes waren onbewoond, alleen bewoond door vogels en af en toe een landdier.

Op een dag werd het water aanmerkelijk warmer en Helve sprak in de gedachten taal volgens mij komen we nu in een streek waar we vroeger geleefd hebben. Modro bevestigde het vermoeden, ze bleven aan de oppervlakte zwemmen. Tegen de avond zagen ze voor zich bergen verschijnen, oprijzend uit het water. Ze zwommen richting de bergen maar zagen al gauw dat het enkele rotspunten waren die boven het water uitstaken. Ze doken naar beneden en zagen op de zeebodem een stad liggen, vele gebouwen en huizen waren ingestort. Hier en daar stond nog en muur overeind. Helve keek om zich heen en herkende de stad aan een naam die op een muur stond, het was een stad die middenin het land Atlantis had gelegen. Een gedachte bereikte Helve van Modro als deze stad in het midden van Atlantis lag waar is het land gebleven? Is Atlantis dan toch vernietigd? Waar zijn de bewoners gebleven, zijn ze allemaal verdronken, dus ons gevoel van toen is waarheid?

Beide beseften wat er gebeurd was en de gedachtes vlogen naar elkaar toe, verwarring maakte zich meester van hen totdat Helve stop we gaan naar boven. Toen ze boven kwamen bleven ze stil, totdat Modro vroeg wat is er echt gebeurd? Ze dacht na en zei ik weet het ook niet, we gaan het uitzoeken. Ze keek waar de zon stond en bepaalde de richting die ze zouden gaan, ze besloten naar wat ze nog wisten naar de grens van wat eens Atlantis was te gaan. Dagen lang zwommen ze voort af en toe doken ze naar beneden als ze de contouren van een stad zagen liggen. Zo konden ze ook controleren welke richting ze opgingen, zo gingen ze door. Na enkele dagen zo voort gegaan te zijn begon de zee bodem te veranderen, ze kwamen geen steden of dorpen meer tegen. Op een gegeven moment zagen ze in de verte een kustlijn verschijnen, Modro zag hem het eerst en vroeg zich af welk land zal dat zijn? Is dat nog Atlantis? Helve antwoordde laten we gaan kijken ze zwommen naar het strand en even later stonden ze in hun stoffelijk lichaam. Voor hen lag een aantal duinen rijen wat er achter lag konden ze niet zien. Wat doen we Helve zullen we in de energie gaan om ons sneller te kunnen bewegen? Ze knikte lijkt me een verstandig plan en zo blijven we ook onzichtbaar. Want we weten niet wat we tegen zullen komen, even later zweefde ze boven de duinen en zagen er achter een vlak groen land liggen hier en daar een heuvel met wat bomen erom heen. Langzaam bewogen ze zich landinwaarts, de zon scheen helder Helve stuurde een gedachte ik denk niet dat dit Atlantis is het komt me niet bekend voor. Het land is te vlak en zo te zien wel vruchtbaar dus kunnen er mensen van bestaan. Het landschap veranderde weinig, wel zagen ze grote groepen dieren die liepen te grazen. Het leek wel of de dieren tam waren, sommige leken wel op de dieren die ze gekend hadden in Atlantis. Ze wees ze Modro aan die aangaf dat hij ze ook gezien had. Het land was uitgestrekt, maar tegen de avond toen de zon onder ging kwamen ze bij een bos, kom laten we daar heen gaan en de nacht door brengen tussen de bomen. Vlak voor de bosrand kwamen ze terug in hun stoffelijk lichaam, snel liepen ze het bos in. Ze liepen door en vonden een open plek met een soort grot. Ze waarschuwde Modro toen hij de grot in wilde gaan, pas op er kunnen roofdieren inzitten. Hij stopte keek om naar haar en wilde wat zeggen toen er een gebrul uit de grot kwam. Modro schrok zo erg dat hij van schrik struikelde en op de grond terecht kwam, in de opening verscheen een groot beest met een grote kop en lange manen. Het beest was enorm groot, Modro verroerde zich niet maar het beest keek naar hem, brulde weer en nam een sprong, snel verdween hij in de energie. Hij voelde nog net hoe de poten op zijn lijf terecht kwamen maar toen was hij verdwenen. Helve die toekeek schrok toen het beest naar Modro sprong een mentale schreeuw schoot uit haar gedachten maar ze zag dat hij al verdwenen was. Ze zag hoe het beest op de grond terecht kwam en zoekend om zich heen keek toen hij Helve zag grauwde hij en brulde gevaarlijk. Langzaam liep het beest op haar af, bleef toen een paar meter voor haar stilstaan en beide keken elkaar aan, stonden doodstil. Toen ging het beest liggen en toen ze bewoog keek hij haar alleen maar aan, ze ging een paar stappen achteruit en ging toen ook zitten op de grond. Modro die vlakbij haar weer in de stof was verschenen keek verbaasd toe en vroeg aan haar wat heb je met dat beest gedaan, wat heb je hem verteld. Ze lachte en zei ik heb hem toegefluisterd dat ik niet te eten bent. Hij keek haar aan en zei ja dat zal best en hij geloofd je nog ook. Probeer het maar uit zei ze tegen hem ga maar voor me staan, Modro liep aarzelend naar voren toen hij voor Helve stond ging het beest staan en gromde zachtjes. Helve gaf aan om de gedachte te sturen ik ben niet eetbaar, even later ging het beest weer liggen en beide schoten in de lach nou dat is dat. Toen vroeg Modro wat doen we nu? Laten we hier blijven we hebben een goede bewaker aan dit dier en morgen zullen we verder het land gaan verkennen.

De nacht viel snel en langzaam kwam de maan op die de open plek verlichten met zacht licht. Ze spraken zachtjes van wat ze allemaal gezien hadden en ze vroegen zich af waar Atlantis was gebleven, waar waren de bewoners heen gegaan, wie had zich kunnen redden. Zo brachten ze de nacht door want echt slapen hoefde ze niet, het grote dier lag rustig te slapen. Tegen de morgen nog voor de zon op was stond het dier op en keek hen beide aan draaide zich toen om en liep weg.

Modro lachte, zo het is tijd om weer verder te gaan onze bewaker vond het genoeg zo. Even later vertrokken ze in de energie, ze bleven boven het bos maar ze zagen geen bewoners of iets wat er op leek. Het bos strekte zich uit tot aan een uitloper van de bergen die in de verte in het zicht kwamen. Links en rechts van de uitloper van de berg waren open vlaktes, zover ze konden zien was er grasland waar ook weer grote kuddes dieren rondliepen.

Toen wees Helve kijk daar tenten en aan de voet van de berg zagen ze een tiental tenten staan. Beide gingen erop af en ze zagen dat er mensen rondliepen, ook liepen er veel kinderen rond. Het leek wel een volk dat rond trok, Helve stuurde een gedachte de kuddes zullen wel tot dit volk behoren. Modro bevestigde die gedachte en vroeg toen wat doen we zullen we contact met ze maken? Dat zeker wel maar we gaan terug naar het bos en doen ons voor als reizigers op zoek naar handelswaar. Ze gingen terug het bos in en even later liepen ze over het zachte mos tussen de bomen door richting de bergen en de tenten. Aan de rand van het bos bleven ze even staan en liepen toen de open vlakte op naar de tenten. Al gauw zagen de kinderen hen aankomen en rende naar de twee bezoekers toe. Weldra waren ze omringd door de kinderen en ook de volwassene kwamen aanlopen om ze te begroeten en uit te nodigen voor te eten en drinken. De mensen in het kamp waren vriendelijk en al gauw waren ze druk in gesprek, de leider stelde zich voor als Jisper. Hij was degene die het gesprek leidde, hij vroeg hen waar ze vandaan kwamen, Helve vertelde dat ze van de zee kwamen en het land waren ingetrokken om handelswaar te zoeken. Zijn jullie dan met en schip gekomen, ze knikte, snel bracht ze het gesprek weer op de bewoners en vroeg of ze rond trokken en van welk volk of stam ze waren. Even keek de leider haar aan  en wende toen zijn blik af. Lang bleef het heel stil toen begon hij te spreken wij weten niet van welke stam wij zijn, ook welk volk is niet echt duidelijk. We weten van de grote watervloed, ook weten we dat we misschien wel overlevende zijn van het verloren volk de Atlanties. Wij zijn elkaar tegen gekomen en zo een groep gevormd, dit is nu onze stam, een stam zonder naam. Helve dacht even na en sprak toen de man aan in het Atlanties, hij keek haar aan en antwoordde toen op haar vraag. Hij lachte en vroeg toen zijn jullie van Atlantis? Ze knikte ook wij zijn overlevende maar wij wonen hier ver vandaan. Ze vroeg hem hoe het land hier heette hij antwoordde Hoptieland, hij vertelde verder dat de oorspronkelijke bewoners zwart van huidskleur waren en grote dorpen bewoonde. Maar het trekkers volk, er waren vele groepen zoals deze, vertelde hij verder moest niets van deze bewoners en hun dorpen hebben. Er was geen oorlog of zo maar ze gingen elkaar uit de weg. Ze dreven handel, ruilden goederen voor vlees uit hun kuddes. Modro vroeg hem hoe kom je aan die kuddes? Vlak voor dat Atlantis verdween in de golven zijn er vele dieren gevlucht en toen wij hier terecht kwamen waren deze dieren half verwilderd. Wij hebben ze gevangen en zo werden het onze kuddes. Helve knikte en dacht even na en vroeg toen hebben jullie een leider over alle groepen? Jisper schudde zijn hoofd en zei nee er is geen leider er is ook niemand die dat zou aan kunnen.

Onder tussen kregen ze te eten en te drinken, Helve vroeg hoever de dichts bijzijnde dorp was. Hij dacht even na en vertelde haar dat ze de bergen over moesten en dat was een zware tocht alleen die tocht duurde al zeven reisdagen. Als je de bergen over was dan lag de stad direct aan de voet van de bergen. Helve vroeg of ze enkele dagen mochten blijven, ze zouden hen kunnen helpen om zo hun voedsel voor de overtocht te verdienen, maar Jisper lachte en zei jullie mogen hier blijven en ons jullie verhalen vertellen, dat is voor ons genoeg. We zijn blij om eens andere mensen te ontmoeten. Ondertussen was de zon het einde van de dag genaderd en het kamp begon zich klaar te maken voor de nacht. Hier en daar werden wachters aan de rand van het kamp uitgezet om te waarschuwen als er roofdieren het kamp beslopen vertelde Jisper want die waren talrijk en vielen heel vaak de mensen en de kuddes aan. Bij de kuddes werden geen wachters geplaatst het was te gevaarlijk en ze konden niemand missen, hun groep was toch al klein. Modro vroeg of hij bij één van de wachters een poosje mocht blijven en zo gebeurde dat. De rest van de bewoners gingen hun tenten in en Helve werd uit genodigd om in de tent van Jisper te slapen. Toen de nacht viel was het kamp in diepe rust. Alleen de wachters liepen hun ronde, ze waren zo verdeeld dat ze elkaar konden zien om bij gevaar elkaar te hulp te snellen.

Modro genoot van de stilte van de nacht, de maan was klein van gestalte deze nacht, het duister van de nacht overheerste. Hij had moeite om de volgende wachter te kunnen zien, maar de man die bij hem was wees hem aan kijk daar vlakbij die struik. Modro moest heel goed kijken maar zag een vorm die op de struik leek. Toen hij dat zei lachte de man, die Tosba heette, zo zijn wij slecht te zien en dat is in ons voordeel bij gevaar. Ze praten wat oppervlakkig verder, Tosba vertelde hoe hij bij deze groep terecht was gekomen, van de kinderen die hij verloren had, het dagelijkse leven in de groep. Maar Modro vertelde alleen maar over de tocht door de wouden, hij hield voor zich wie ze werkelijk waren. Toen de maan die nauwelijks te zien door de vele wolken was op het hoogste punt stond vertelde Tosba dat nu de roofdieren op pad gingen om te jagen. Ze keken uit over de vlakte en hadden een goed zicht op de kuddes. Af en toe wees Tosba en zei kijk daar loopt een leeuw of een panter en hij vertelde over deze dieren, dat ze wel gejaagd hadden op ze. Maar zo vertelde hij er waren nog grotere jagers, op dat moment klonk er een vogel kreet en Tosba waarschuwde stil te zijn. Spieden keek hij om zich heen, toen wees hij kijk fluisterde hij daar. Modro keek maar zag alleen een donkere verhoging in de vlakte, blijf kijken fluisterde Tosba. Het duurde lang maar toen bewoog de verhoging en verplaatste zich heel langzaam in de richting van wat bosjes die vlakbij de volgende wachter stond. Deze wachter kwam heel langzaam in hun richting, toen stond het dier op en langzaam sloop hij richting de wachter, de wachter stond stil. Even stond de tijd stil niets bewoog, het enorme dier was gaan liggen. Tosba zei let op hij maakt zich klaar voor de sprong, ze wachten geduldig. Plotseling was er een enorm gebrul en het grootte dier sprong met een machtige afzet op de stil staande wachter af. De afstand was zo´n tien meter, dus het dier kon de wachter eigenlijk niet missen en Modro zag het dier boven op de wachter neer vallen. Hij schreeuwde het uit want hij dacht dat de wachter was vermorzeld onder het gewicht van het enorme dier. Tosba maande hem tot stilte en toen zag Modro dat het dier opstond en om zich heen keek. De wachter was verdwenen, maar op dat moment zagen ze dat er een vage gedaante op het dier terecht kwam, die met een uithaal van zijn arm een speer in het dier onder hem dreef. Het dier slaakte een gil en zakte door zijn poten, even bleef hij zo zitten toen met een enorme sprong probeerde hij de gestalte af te werpen. Tosba zei tegen Modro dat is de wachter op de rug van dat dier, verbaasd keek Modro hem aan, hoe kan dat nu? Vroeg hij. Maar Tosba had geen tijd om het uit te leggen, het grote dier was weer op de grond terecht gekomen en zakte toen helemaal door zijn poten heen. De wachter was nergens te bekennen en het dier lag half op zijn rug op de grond. Maar weer verscheen de wachter op de rug van het dier en weer stak hij toe met zijn speer. Met een schreeuw die zo luid was dat je oren er pijn van deden zakte het dier dood op de grond. De wachter sprong van het beest af en toen zag Modro pas hoe groot het beest was. Tosba en Modro snelde naar de wachter die triomfantelijk stond te lachen. Het enorme beest had twee uitstekende tanden die wel één meter lang waren, hoe heet dit beest eigenlijk vroeg Modro. Tosba antwoordde dit is een sabeltand tijger, één van de grootste jagers die hier rond lopen. De wachter zei dat hij hulp ging halen om het dier te slachten en hij rende naar het kamp. De man draaide zich om en wilde weg gaan toen zag hij dat er vele gedaantes in het donker naar hen toe kwamen rennen. De man draaide zich weer om en ging terug naar het gedode dier en trok zijn speer uit het enorme dier. De mensen van het kamp drongen om het enorme dier heen en begonnen het dier te slachten. Toen keek Modro naar Tosba en zei zo vertel me nu maar wat er gebeurde, even keek Tosba hem aan en vroeg wat weet jij nog van de oude gave van de Atlanties? Niet veel wat ik weet zijn de geruchten en dat sommige speciale gave hadden. Tosba keek hem doordringend aan en zei toen je weet meer als dat je verteld, je bent meer als dat je laat zien. Modro zei niets toen vertelde Tosba dat er nog steeds Atlantis waren met een gave, het verdwijnen was er daar één van. De Atlanties die deze gave hadden werden altijd tot wachter gekozen, door deze gave wisten ze ook dat ze afstammelingen waren van Atlantis. Alleen er werden steeds minder kinderen geboren met deze gave´s. En jij kunt dit ook? Vroeg Modro aan hem, jazeker anders was ik geen wachter. Maar waarom mocht ik dan vannacht bij jullie blijven? Toen begon Tosba te lachen als jij de gave niet had dan had je hier niet gestaan. Verbaasd keek Modro hem aan, hoe weet jij dat ik dit ook kan? Weer lachte Tosba, wij hadden direct al in de gaten wie en wat jullie waren, wat jullie konden. Tenminste onze leider wist dat hij heeft de gave van zien en weten, zo doende waren jullie welkom in ons kamp. Want als jullie kwaad in de zin hadden waren jullie gedood. Even keek Modro bedenkelijk en jij denkt dan dat het was gelukt. Jawel, jullie hadden geen schijn van kans, toen lachte Modro oké ook wij hebben een gave. Even keken ze elkaar aan en beide lachte, achter heen klonk rumoer en toen ze omkeken zagen ze de rest van het kamp aankomen, de vrouwen en de kinderen, ook Helve was erbij zag Modro. Helve keek naar Modro en vroeg hem wat er gebeurd was en hij vertelde het hele verhaal. De hoofdman die erbij stond lachte, Helve wende zich tot hem dus u weet alles over ons? Wie en wat we zijn, wat we kunnen? De hoofdman antwoordde nou ik kan niet alles weten maar ik weet wel dat jullie meer zijn dan wat je verteld. De gave van verdwijnen hebben jullie beide, ook de kracht van helen hebben jullie. Maar er zit nog iets maar dat kan ik niet echt voelen. Een gave die ik nog nooit bent tegen gekomen, een verandering die ik niet begrijpt, Helve lachte en zei tegen hem laten we dat maar zo houden. Jisper knikte het is goed zoals het is, ondertussen was het dier ontdaan van de huid en hele lappen vlees werden er af gesneden alles werd gebruikt. Komt zei Jisper laten we naar het kamp gaan en verder praten, ze liepen terug naar het kamp en in de verte liet de zon het eerste licht verschijnen. In het kamp zetten ze zich bij het vuur en er werd eten en drinken gebracht. Zo en vertel me nu maar wie jullie echt zijn en waar jullie vandaan komen en Jisper ging er voor zitten. Helve keek even naar Modro en zei toen wij komen van de kust, waar we aan gekomen zijn met een boot. Wij wonen op een eiland hier ver vandaan en wij zijn opzoek naar handelswaar en willen gelijk onderzoeken wat er van Atlantis over is. Jisper keek eerst haar aan en toen Modro en barste toen in lachen uit, oké zei hij en nu jullie echte verhaal, ik voel dat jullie heel veel verbergen. Ze keek weer naar Modro en deze knikte, toen begon ze te vertellen over de aankomst op deze planeet, hun besluit om met een groep de zee op te zoeken en naar een vorm om in de zee te kunnen leven. Ze vertelde dat ze een nieuwe vorm gevonden hadden en daar met zijn alle voor gekozen hadden.

Ze vertelde hoe ze er uit zagen, hoe ze leefde, van de gevaren en wat ze allemaal beleefd hadden. Ook het moment dat de zee ging veranderen en dat ze weg gevlucht waren naar de koude wateren. Urenlang zat ze te vertellen vele bewoners waren erbij komen zitten en luisterde ademloos toe. Toen de avond begon te vallen en het donker werd kwamen de laatste mensen terug die beladen waren met vlees en de huid van het grote beest.

Ze besloot haar verhaal met en nu zijn we hier, Jisper keek haar lang aan en zei toen een mooi en wonderlijk verhaal.

Maar wij hebben ook vele verhalen die we elkaar vertellen en een is er over een groep Atlanties die de zee in gingen en jij verteld dat het waar is. Maar degene die toen de zee in gingen leven dus niet meer, Helve zei ja hoor er zijn er nog die leven.

Toen riep Jisper verbaasd jij bent één van hen? Ze knikte er zijn er nog enkele over die de vele gave´s bezitten, af en toe wordt er iemand geboren die alle gave´s nog heeft.

Toen vroeg Modro en vertel ons wat is er met Atlantis gebeurd, waar zijn de bewoners gebleven en zijn er nog in leven.

Jisper knikte en zei ik zal het verhaal vertellen maar nu niet, we gaan eten en dan slapen en morgen als de dag begint dan zal ik vertellen. De nacht was nu gevallen het was aarde donker alleen het vuur verlichte de omgeving. Het was al gauw stil in het kamp en de wachters liepen hun ronde en de nieuwe dag aanbrak en zon haar eerste stralen liet vallen liepen de wachters door het kamp en riepen de slapers op om te komen voor de maaltijd en de nieuwe dag te ontvangen.

Ook Helve en Modro werden geroepen, ze begaven zich naar de vuren om te eten. Jisper was al aanwezig, de maaltijd bestond uit granen en een honingdrank. Ze aten in alle rust en stilte en toen ze klaar waren begon Jisper met een vraag, waarom wilde jullie de zee in? Helve dacht even na en antwoordde toen omdat wij niet meer in de menselijke valkuilen wilde vallen. Toen wij de ruimte invluchtte toen onze planeet werd opgeblazen door onze eigen fouten en hoogmoed, zijn wij eigenlijk vluchtelingen geworden. Verschillende planeten hebben wij bezocht, waar we werden ontvangen en mochten blijven, maar ook kwamen we op plaatsen waar we weer moesten vluchten. Toen we hier aan kwamen hebben we besloten om geen mens meer te zijn, we verlangen er niet meer naar om als mens te leven. Maar we weten dat we op een bepaald moment in de tijd terug mogen komen als mens, want onze soort zal dan uit gestorven zijn. De geest die dan deze vorm verlaat keert terug als mens, het is de mens die ons zal uitroeien evenals de andere groep die in de zee leven. Verbaasd keek Jisper haar aan is er dan nog een groep? Jawel, dat zijn de walvissen, zij waren van het volk Lemurie, de MuMu, de wezens van de wal . Nou dat verhaal kennen wij niet en de mens zal jullie vernietigen, waarom? Voor voedsel en andere producten die ze denken nodig te hebben, ook zullen er vele sterven door hun manier van vissen met netten. Dat hebben wij al onder vonden, we raakten verstrikt in hun netten en stikken dan want wij moeten steeds naar boven om adem te halen. Maar jullie kunnen ze toch aanroepen met jullie gedachte kracht zei Jisper. Dat kan wel maar er zijn er maar een enkele die ons kunnen horen de rest van de mensen zijn hun gave ook kwijt. Kijk naar jouw volk en je weet het. Hij knikte ja je verhaal klopt. Wij wachten de tijd maar af want we willen niet terug naar de wereld zoals die nu is en wij zouden de meeste van ons achter moeten laten in de zee. Jisper knikte en zei ja ik begrijp het wel, toen ging hij verder ja de zee heeft Atlantis vernietigd. Nou ja die heeft het werk uitgevoerd wat door de priesters is gestart. Ze konden hun krachten en hun hoogmoed niet in bedwang houden. Toen vertelde hij wat er gebeurd was, de uren vergleden terwijl hij vertelde. Ook vertelde hij dat er vele kinderen, vrouwen en oudere Atlantis waren gevlucht en zich hadden weten te redden. Zij kwamen terecht in de verre landen en moesten daar hun weg vinden om te overleven. Sommige leiders van die landen stuurde ze weg en dit werden de rondtrekkende volken, ook deze groep was er daar één van. Maar vele werden opgenomen in de landen waar ze kwamen, maar de volken die toen rond trokken doen dat nog steeds. Ook zij wilde zich niet meer binden en vrij zijn, doen wat ze wilden. Een hard bestaan dat wel maar ze zagen veel en kwamen overal. Helve vroeg of de landen ver weg waren waar nog Atlanties leefde en of er nog een land was dat Atlantis heette. Nee, een land dat Atlantis heet bestaat niet meer. Er zijn nog wel Atlanties die de naam nog dragen en die zo leven, de oude kennis bezitten maar ze lopen er niet mee rond. Er waren nog steeds mensen die hen vreemd vonden en niets moesten hebben van de kennis van Atlantis. Heel veel van wat de Atlanties mee genomen hadden aan kennis en materiaal was verdwenen. Hoewel het gerucht ging dat er veel verborgen was zowel door de Atlantis en als door de leiders van de volken. Vooral de priesterorde verzamelde veel kennis en materiaal en gaven de mensen een beloning als ze wat wisten of materiaal brachten. Maar vooral de Atlanties die nog leefde op de oude manier werden opgepakt zo gauw men dat wist dat ze de oude kennis hadden. Altijd werden deze naar de tempels gebracht en men zag ze nooit meer terug. De kinderen die met een gave geboren werden ook naar de tempels gebracht en daar opgeleid en door de priester gebruikt om het volk in bedwang te houden. Er is nu een verhaal wat de ronde deed over een jonge man die gedachte kon lezen op grote afstand, hij kon iedereen lezen. Het verhaal gaat dat hij in een aparte ruimte leeft die helemaal is afgesloten om gedachtes op te vangen of te sturen. Ook wordt er rond verteld dat er maar een paar priesters in zijn buurt mogen komen, ze schijnen een speciaal apparaatje te hebben die hun gedachten afschermt. Deze jongeman was als baby bij de priester gebracht, hij had al vele Atlanties op laten pakken door hen aan te wijzen, vele waren al vertrokken naar andere landen. Ook wij komen niet in de buurt van die stad. Modro vroeg hoever is die stad hier vandaan en hoe heet deze stad. Jisper zei ik schat ongeveer tien dag reizen en de stad heet Somora, het is een priester stad. Met veel tempels en scholen om de priesters op te leiden, een stad met vele geheimen. En met heel veel ondergrondse gebouwen waar de materialen en kennis van het oude Atlantis ligt op geslagen.

Helve zei tegen Modro dan moeten we daar heen, maar Jisper sprong op, nee daar kan je niet heen gaan, daar is ook die jonge man en die laat je oppakken, ze lachte ja dat vertelde je net al en dus gaan wij daar heen. Wees niet ongerust Jisper wij kunnen heel veel en wij redden ons wel. Hij knikte en zuchtte ja dat geloof ik inmiddels wel, maar toch wees voorzichtig. De priesters hebben vele geheimen en kunnen veel meer dan wij denken. Modro vroeg wie is de hogepriester in de stad? De hogepriester heet, Jana en zijn plaatsvervanger heet Rist. Ze herhaalde de namen, keken elkaar aan en zeiden deze namen klinken bekend. Helve keek stil voor zich uit, ze wende zich naar Jisper en vroeg hem kan je een kaart voor ons maken of heb je een kaart met de omgeving van de stad en de stad zelf? Jisper keek even bedenkelijk en zei toen de omgeving is geen probleem zulke kaarten hebben wij wel, maar de stad dan zal ik moeten zoeken want van deze groep is er volgens mij nog nooit iemand in de stad geweest. Maar we gaan het uitzoeken en hij liep weg, Hij liep naar een tent helemaal achterin het kamp en ging naar binnen. In de tent zat een man, hij was de oudste van de groep en werd altijd om raad gevraagd als er problemen waren. Jisper ging zitten en legde de vraag voor die Helve gesteld had, een kaart van de stad Somora. De man keek even naar hem en vroeg toen is zij van de groep die de zee in gegaan zijn? Verbaasd keek hij de man aan hoe weet jij dat? De oude man lachte wat voor zich uit en zei toen ik ben een Atlantie, Jisper hoelang ken jij me al? Al heel lang antwoordde hij, vind je mij veranderd door de jaren heen dan? Nee, niet echt nu je het vraagt, toen slaakt Jisper een kreet jij bent er één van het oude volk, maar waarom weet ik dat niet? Ik heb je zo nooit bekeken, de man voor hem knikte ja ik ben er nog één van het oude volk. Ik heb me altijd terug getrokken en afzijdig gehouden. Ga de beide Atlanties maar halen ik wil met ze praten. Jisper spoedde zich naar buiten en rende naar de vuurplaats. Daar aan gekomen vroeg hij beide met hem mee te gaan om met de kampoudste te spreken. Even later zaten ze in de tent van de oude man, deze keek hen aan en vroeg naar hun namen. Ze noemde hun dolfijnen naam, maar de oude man zei nee ik wil jullie Atlantie naam weten. Ze keken hem verbaasd aan maar dit is onze naam, maar de oude man lachte en vroeg opnieuw naar hun naam. Toen noemend beide hun oude Atlantie naam en de oude man knikte ja jullie herinner ik me nog wel, even bleef het stil. Toen zei de man een mooi lichaam hebben jullie uitgekozen en het leven in de zee heeft jullie goed gedaan. Maar er zijn ook vele gevaren op jullie pad geweest, ik ken nu jullie verhaal. Even keek Modro heel boos en vroeg waarom heb je zonder toestemming in mijn hoofd gekeken? Waarom heb jij dat niet gevoeld? Vroeg de oude man lachend. De boosheid op het gezicht van Modro verdween, u hebt gelijk ik heb het niet gevoeld, ik dacht dat niemand dat meer kon, het is goed zo. Maar wat is uw naam want als u ons nog herinnerd moet u ons gekend hebben. Jullie namen waren voor iedereen bekend omdat jullie weg gingen en mijn naam zal je waarschijnlijk niet kennen. Ik heet Didro, ik was een techno, Helve schudde haar hoofd nee die naam komt me niet bekend voor. Maar Modro lachte en zei ik wel jij was degene die met de vele oplossingen kwam, niemand was zo goed als jij om iets te bedenken maar ook om het te maken. Het verhaal wordt nog steeds verteld onder de dolfijnen. Didro lachte en zei kijk door de verhalen ken jij mij, ja het klopt wel. Maar kom wat komen jullie hier doen. In het kort vertelde ze dat ze wilde weten wat er van Atlantis over was gebleven en wie het overleefd hadden. Hij knikte en nu willen jullie naar de priesterstad? Weten jullie wie de macht hebben? Ze knikte, dat weten we de priesterorde, bereid je dan voor want ze zijn nog machtiger geworden. Ze hebben heel veel kennis verzameld en mee genomen uit het oude Atlantis. Toen vroeg Helve wie is die jonge man die iedereen kan lezen? Even werd de blik duister van Didro toen antwoordde hij dat is een afstammeling van Nekie, beide Atlanties schrokken want Nekie konden ze heel goed. Helve vroeg aan hem wat weet je nog van haar leeft ze nog, is ze nog in haar ruimteschip? Nee, ik weet niets van haar en dat wil ik zo houden. Maar ik heb hier een oude kaart van de stad, die zal ik voor jullie overtekenen. En hij spreidde een huid van een dier op de grond uit, hierop stonden allemaal lijnen en tekens. Hij vertelde wat het allemaal betekende en vroeg wat ze precies wilde weten. Uren later lag er een nieuwe huid op de grond met lijnen en tekens, een plattegrond van de stad.

Soms was Didro even heel stil terwijl ze bespraken wat ze wilde weten, dan ging hij met de geest naar de stad om te kijken of er wat veranderd was. Hij kon daarna de kaart verder invullen of veranderen zo hadden ze een kaart die helemaal klopte met het nu.

Toen ze klaar waren was de nacht al ver gevorderd, ze namen afscheid van hem en beloofde hem weer op te zoeken als ze terug gingen. Ze wilden nog even rusten voordat ze verder trokken, want ze wilde zo snel mogelijk vertrekken.

De morgenzon was alweer vroeg op en het beloofde een warme dag te worden, Helve en Modro hadden besloten om te voet door het land te trekken om te genieten van de schoonheid van het landschap. Jisper had aan geboden om een paar dagen mee te gaan, hij zou voor voedsel, drank en vervoer hiervoor zorgen.

Toen ze gegeten hadden kwam Jisper met en nog een paar mannen aan lopen met twee pakdieren die vol gepakt waren. Hij riep lachend zo jullie hebben nu alles, een tent, voedsel en drank, ook hebben we wat warme jassen voor jullie want in de bergen is het koud. Ze bedankten hem voor de gulle gave, maar hij zei het enige wat ik wil als jullie terug naar huis gaan dat je hier langs komt en ons alles verteld. Beide Atlanties beloofde dat en zo vertrokken ze, Jisper en twee anderen mannen gingen mee deze leiden de dieren mee aan een touw. De eerste dag liepen ze langs de voet van de berg. Toen het donker werd stopte ze en zetten de tenten op, maakte een vuur, aten wat en gingen vroeg slapen. De volgende morgen liep het pad wat ze volgde de bergen in, langzaam klommen ze omhoog en zo verliepen de dagen na de vierde dag namen Jisper en de beide anderen mannen afscheid. Ze verdeelde de tenten en de andere spullen ze namen elk een pakdier mee En zo liepen ze samen verder en genoten van het uitzicht wat de bergen steeds boden.

De reis was saai op het natuurschoon na en af en toe overwogen ze om in de energie te gaan zodat ze veel sneller op de plaats van bestemming zouden zijn. Maar steeds was het Helve die nee zei, de hele dag maakte ze plannen van wat ze wilden gaan doen als ze in de stad aankwamen. Maar Modro zei we zullen wel zien want we weten niets van de stad en zijn bewoners. Toen de tiende dag aanbrak en ze halverwege de dag de top bereikte van de berg die ze beklommen hadden zagen ze een vlak land voor zich liggen en in de diepte zagen ze een ommuurde stad liggen. Er stonden zoveel huizen en gebouwen dat ze de horizon zowat niet meer zagen. De stad lag ook tegen de voet van de berg aan. Ze keken elkaar aan en zeiden toen gelijktijdig zo de stad van de priesters, toen lachte ze en Helve sprak kom we kunnen misschien voor dat de zon onder gaat in de stad aan komen.

De zon zakte weg en de schemer viel in maar ze moesten nog een heel stuk naar beneden gelukkig scheen de maan, ze besloten toch om verder te gaan. Het was aardedonker toen ze de poort bereikte deze was gesloten en ook op hun kloppen bleef de poort dicht. Ze besloten om te gaan slapen ze zochten een plekje op en bemerkten toen dat er meerdere mensen lagen te slapen op de grond. Al gauw hadden ze een plek gevonden en Helve was de eerste die ging slapen ze zouden elkaar aflossen om te voorkomen dat het pakdier weg gehaald zou worden.

De volgende morgen ging de poort met veel gekraak open het was nog donker, de nacht was rustig verlopen één maal

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.