Moderne atletiek

Door Mijler gepubliceerd op Friday 11 July 18:37

De “Moderne Atletiek”  De werpnummers met kleine anekdote

In de moderne atletiek kennen we vier soorten werpnummers het kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen en kogelslingeren. Met uitzondering van de speerwerpers zijn deze atleten mede te herkennen aan hun forse lichaamsbouw. Belangrijk, omdat de lichaamsmassa mede fungeert als een soort solide lanceerbasis. De speerworp echter wordt ingeleid met een relatief snelle aanloop en vereist een lenige rug en schouderpartij. Alle worpen gebeuren vanaf een vaste plaats en moeten binnen een sector neerkomen.

Kogelstoten

Het steenstoten gebeurde al bij de Griekse spelen v.Chr. Het huidige kogelstoten komt uit de Engelse atletiek, wat ook af te leiden is aan het gewicht van 16 Lbs (7,257 kg). Bij de dames weegt de massief metalen bol 4 kg. Er wordt gestoten vanuit een ring van 2,135 m middellijn met aan de werpzijde een houten balk. Tijdens de worp mag de bodem buiten de ring, inclusief bovenzijde balk niet beroerd worden en na de stoot moet de ring aan de achterzijde stabiel verlaten worden. Er zij twee gangbare technieken: 1. Met aanglij; de zogenaamde Perry O’Brein techniek. 2. Draaitechniek, zoals bij het discuswerpen. Hoewel het kogelstoten onder de werpnummers valt, mag er niet geworpen worden. De kogel moet vanuit de nek met een stoot- duwbeweging gedaan worden.


In 1960 was Hein Cujé, Nederlands atleet kandidaat voor de Olympische Spelen in Rome. Op de Nederlandse kampioenschappen 5000 m werd hij door een stootkogel van 4 kg op zijn borst getroffen. Deze kwam van een atlete die een afzwaaier produceerde. Hein brak zijn borstbeen en kon de O.S. vergeten.

Discuswerpen

Het standbeeld uit de vijfde eeuw v.Chr. de discobolos verraadt de oorsprong van het discuswerpen. De stenen schijven hadden geen standaard gewicht. Nu bedraagt de discus twee kg voor de heren en één kg voor de dames. Het discuswerpen voor dames werd in 1928 aan het Olympisch programma toegevoegd. De discus is een houten schijf met een metalen ring. De worp gebeurt vanuit een ring met 2,50 m doorsnede na een draaibeweging (pirouette) en omsprong. De discus ligt in de gespreide hand en rust op de onderste vingerkootjes. Via de wijsvinger verlaat de discus de hand en vliegt plat en roterend door de lucht. Hierdoor gaat hij drijven op de lucht. Discuswerpers zijn daarom ook de enige atleten die hopen op tegenwind.


Tijdens een grote internationale wedstrijd in Brussel in 1963 was de kans groot dat Jay Silvester waarschijnlijk als eerste werper met de discus de zestig-meter-grens passeren. De 60 m stond met een witte lijn in de sector aangegeven. Op de sectorlijnen werd dat met een houten kubus extra gemarkeerd. Zijn laatste worp had de afstand maar belandde met een hels kabaal in de kubus. De worp moest worden afgekeurd.

Speerwerpen

Ook het speerwerpen stamt de oudheid maar kreeg vooral een impuls in de 18e eeuw door de Scandinaviërs. In 1908 kwam het op het Olympisch programma voor heren en in 1932 voor dames. Het materiaal is van hout naar metaal en carbon gegaan. Het gewicht is 800 gram voor heren en 600 gram voor dames. De lengte is ongeveer 2,60 m met op het zwaartepunt een handgreep van omwikkeld koord. De afworp wordt vooraf gegaan door een aanloop van ongeveer 30 m. In 1984 heeft men reglementair een verlegging van het zwaartepunt voorgeschreven omdat men meer dan 100 m ging werpen wat problemen gaf voor de ruimte op het middenterrein. De speer hoeft niet in de bodem te blijven staan bij de landing maar wel het eerste met de punt op de bodem neerkomen.


Half vorige eeuw was er een Spaanse speerwerper die zich van een bijzondere techniek bediende. Hij smeerde zijn werphand in met groene zeep en maakte een draai zoals bij het discuswerpen om de speer daarna uit zijn hand te laten schieten. Hij bereikte daarmee grote afstanden, alleen de richting was onzeker. Men veranderde acuut het reglement met de regel dat de punt van de speer voortdurend in de werprichting moet wijzen.

Kogelslingeren

Het kogelslingeren werd ook 1200 jaar v.Chr. beoefend al zag het attribuut er toen wel wat anders uit. De huidige slingerkogel heeft met draad en handvat hetzelfde gewicht als de stootkogels bij de heren en dames. Ook de afwerpring heeft dezelfde afmeting, wel zonder stootbalk. De ring wordt evenals bij het discuswerpen afgeschermd met een kooi omdat zijdelingse afwijkingen een gevaar opleveren voor de andere sporters. De topatleten maken drie of vier draaien om hun lengteas en de worpsnelheid ligt rond de honderd km per uur.


In het verleden waren er regelmatig landenwedstrijden. Elk onderdeel ging om punten. Met 3 landen en twee deelnemers bijvoorbeeld, kreeg de eerste 6 punten de tweede 5 enz. De laatste kreeg ook nog 1 punt. Ooit hadden we een landenwedstrijd met een ziek geworden kogelslingeraar. Akke Preuscher een Nederlandse kogelstoter was wel bereid voor die ene punt te gaan. Bij zijn eerste pogingen kwam hij niet tot werpen omdat hij meteen buiten de ring kwam. In zijn laatste poging bleef hij maar draaien en durfde de kogel niet los te laten, vanwege een totale desoriëntatie. Uiteindelijk viel hij zelf in het werpveld en kwam hij zelf verder dan de slingerkogel die in kooi achterbleef. Toch verdiende hij 1 punt van zijn land.

 

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Die laatste anekdote is heerlijk.
Vraag me af waarom de middellijn bij stoten anders is dan bij de discus.
Discus is eigenlijk een slingerworp evenals kogelslingeren uiteraard. De middelpunt vliegende krachten zijn enorm. Ondanks de moderne draaitechniek met de kogel is dit hier nihil.
Voor de slingernummers is een grotere ring gewenst. Vandaar!
Best logisch ja.