Ceremonieel Koningschap! Gewenst of niet?

Door Nickelton gepubliceerd op Monday 07 July 20:00

Een 8,0 voor mijn bachelorscriptie Rechtsgeleerdheid; goed leesbaar voor iedereen. De titel van de scriptie luidt: "Ceremonieel koningschap. Een thesis over  de wenselijkheid van ceremonieel koningschap in het licht van de democratie."

Inleiding

Sinds 30 april 2013 is Willem Alexander de Koning van het Koninkrijk der Nederlanden. De manier waarop hij deze functie zal gaan vervullen, is nog niet geheel duidelijk. De vraag wat het koningschap inhoudt, is namelijk niet eenvoudig te beantwoorden. Daarbij komt dat het koningschap al geruime tijd onderwerp is van discussie.

De eerste Koning van het Koninkrijk der Nederlanden was Willem I (1813-1840). Hij voerde een zeer persoonlijk beleid. Sindsdien is het koningschap steeds veranderd en gemoderniseerd.[1] Thans zijn er een drietal wetsvoorstellen aanhangig, welke het doel hebben het koningschap nog verder te moderniseren. Het betreft een wijziging van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden en een tweetal wijzigingen van de Grondwet. De indieners van deze wetsvoorstellen willen de (schijn van) macht van de Koning volledig wegnemen en de Koning slechts een ceremoniële rol toekennen. In dit kader wordt er daarom ook gesproken over het zogenaamde ‘ceremonieel koningschap’.

De indieners van de wetsvoorstellen zijn de Tweede Kamerleden Elissen en Helder (PVV). De wetsvoorstellen hangen in dusdanige mate samen dat Elissen en Helder ervoor hebben gekozen de voorstellen gezamenlijk te behandelen.[2] Een advies van de Raad van State omtrent de wetsvoorstellen is nog niet verschenen, ondanks het feit dat de voorstellen al enkele jaren geleden zijn gedaan. Daardoor lijkt de behandeling van de wetsvoorstellen stil te liggen. Daar komt bij dat het, gelet op de huidige politieke verhoudingen, niet waarschijnlijk is dat de wetsvoorstellen worden aangenomen.[3] Desondanks blijft de discussie omtrent het koningschap relevant en bovenal ook interessant.

In dit stuk zal ik ingaan op de discussie over het ‘ceremonieel koningschap’, waarbij ik mij vooral zal richten op de drie aanhangige wetsvoorstellen. Centraal in dit stuk zal de volgende vraag staan:

Is het ceremonieel Koningschap, zoals dat door middel van de drie aanhangige wetsvoorstellen zou worden gecreëerd, gewenst in het licht van de democratie?

Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, omdat er verschillende belangen en argumenten een rol spelen bij het beantwoorden van deze vraag. Om toch het antwoord op deze vraag te geven, zal ik allereerst de geschiedenis van het koningschap in het Koninkrijk der Nederlanden kort uiteenzetten. Ten tweede zal ik ingaan op de rechten die thans aan de Koning toekomen. Verder zal ik ingaan op de idee van de democratie, een definitie geven van ‘ceremonieel koningschap’ en de gevolgen van de aanhangige wetsvoorstellen.  Hierna worden er voor- en tegenargumenten uiteengezet omtrent het wijzigen van de rol van de Koning. Tot slot zal er een belangenafweging plaatsvinden en zal er een genuanceerd antwoord worden gegeven op de centrale vraag.

 

Hoofdstuk 1: Geschiedenis van het koningschap

Het koningschap in het Koninkrijk der Nederlanden heeft, in een relatief korte tijd, zeer veel en ingrijpende veranderingen ondergaan. Willem I (1813-1840), de eerste vorst na de Franse bezetting van Nederland, liet zich bijstaan door ‘hoofden van ministeriële departementen’. Hij voerde echter een zeer persoonlijk beleid. Tijdens het koningschap van Willem II (1840-1849) werd de ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd.[4] Het contraseign (medeondertekening van een besluit) van de ministers werd vereist. De ministers waren daardoor zelf verantwoordelijk voor de besluiten waaraan zij hadden meegewerkt, hetgeen hen dwong zelfstandig een oordeel te vormen over een bepaald besluit.[5] Hierdoor werd de macht van de ministers groter en werd de macht van de Koning ingeperkt. De trend om de macht van de Koning te beperken zette zich voort. Zo werd in de grondwetherziening van 1983 vaak gesproken over ‘de regering’, waar voorheen werd gesproken over ‘de Koning’. Hiermee werd geprobeerd de terminologie van de Grondwet te moderniseren en werd geprobeerd nadruk te leggen op de samenwerking tussen ministers en de Koning.[6]

Eén van de meest recente veranderingen heeft betrekking op de invloed die de Koning kan uitoefenen op de formatie van een nieuwe regering. Voorheen benoemde de Koning een informateur of formateur, maar in 2012 heeft de Tweede Kamer besloten een nieuw artikel 139a op te nemen in haar Reglement van Orde. Door dit nieuwe artikel verplicht de Tweede Kamer zich om te debatteren over het aanstellen van een informateur of een formateur. Hiermee wordt getracht de Koning ‘buiten spel’ te zetten bij het formeren van een nieuw kabinet.[7]

Men kan discussiëren over eerder beschreven veranderingen van het koningschap. Zo is er bijvoorbeeld felle kritiek geleverd op het nieuwe artikel 139a in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. Het artikel zou zo zijn geformuleerd, dat de Tweede Kamer slechts hoeft te debatteren over het aanstellen van een informateur of formateur. De Tweede Kamer verplicht zich niet om daadwerkelijk een formateur of informateur aan te wijzen. Ook worden er onvoldoende termijnen genoemd waarbinnen zaken (zoals het aanstellen van een informateur of formateur) geregeld moeten zijn.[8]  

 

Hoofdstuk 2: Het hedendaagse koningschap

De Koning heeft, zelfs na de veranderingen in het koningschap die ik hiervoor heb beschreven,  enkele bevoegdheden en verplichtingen. Ik zal in dit hoofdstuk de bevoegdheden van de Koning uiteenzetten waar de aanhangige wetsvoorstellen betrekking op hebben.

2.1. De Koning als staatshoofd

Allereerst is de Koning het staatshoofd. Hij vertegenwoordigt het Koninkrijk der Nederlanden in zowel binnen- als buitenland. Deze functie van de Koning is dusdanig vanzelfsprekend, dat hieraan geen wettelijke bepaling ten grondslag ligt.[9]

2.2. De regering

Naast staatshoofd is de Koning in het Koninkrijk der Nederlanden ook onderdeel van de regering. Dit blijkt uit artikel 2 lid 1 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden. Dit artikel luidt als volgt: “De Koning voert de regering van het Koninkrijk en van elk der landen. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk." Artikel 42 van de Grondwet is op een vergelijkbare manier geformuleerd: “De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers (lid 1). De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk (lid 2).”

Uit voorgenoemde artikelen vloeit niet voort dat de Koning ook een hogere positie inneemt binnen de regering of betrokken is bij de besluitvorming. De Koning is immers geen lid van de Raad van ministers van het Koninkrijk (artikel 7 Statuut) of van de ministerraad (artikel 45 Grondwet). Dit zijn de organen die uiteindelijk beslissen over het regeringsbeleid.[10] De Koning heeft geen (of in ieder geval zeer weinig) zelfstandige staatsrechtelijke bevoegdheden. Voorheen was het de Koning die, zonder ministeriële tussenkomst, bij de kabinetsformatie een informateur of een formateur aanwees. Zoals al in het vorige hoofdstuk uiteengezet is, heeft de Koning deze bevoegdheid niet meer.  De bevoegdheden die de Koning wel heeft binnen de regering zijn ontleend aan het Engelse staatsrecht. Zo heeft de Koning het recht om geraadpleegd en ingelicht te worden, het recht om aan te moedigen en het recht om te waarschuwen (the right to be consulted, to encourage, to warn). [11] Een voorbeeld van de uitoefening van het recht om te worden geraadpleegd en te worden ingelicht, is het regelmatig overleg tussen de minister-president en de Koning. Waarover wordt gesproken tijdens zo’n overleg is echter onderworpen aan een geheimhoudingsplicht. Artikel 2 van het Statuut en artikel 42 van de Grondwet geven derhalve veel meer een symbolische betekenis. Deze artikelen drukken uit dat de Koning en de ministers een eenheid vormen.[12] Uit artikel 47 van de Grondwet blijkt dat de Koning, als zijnde onderdeel van de regering, wetsvoorstellen mede moet ondertekenen, voordat deze in werking kunnen treden. Dit wordt het zogenoemde seign genoemd. Artikel 2 van het

Statuut en artikel 42 van de Grondwet moeten daarom in combinatie worden gelezen met artikel 47 van de Grondwet en laten daarmee de mogelijkheid open dat de Koning een belangrijkere rol speelt in de regering.[13]

2.3. Onschendbaarheid van de Koning en ministeriële verantwoordelijkheid

In artikel 2 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden en artikel 42 van de Grondwet staat de onschendbaarheid van de Koning centraal. De onschendbaarheid van de Koning is één van de rechten van de Koning. Ten eerste betekent de onschendbaarheid van de Koning dat er geen enkel ander orgaan van de staat gezag over hem kan uitoefenen. Hij hoeft geen verantwoording af te leggen aan andere organen van het Koninkrijk of Nederland. Ten tweede houdt de onschendbaarheid in dat de Koning, zolang hij staatshoofd is, niet strafrechtelijk vervolgd kan worden.[14] Met de onschendbaarheid van de Koning hangt ook de ministeriële verantwoordelijkheid samen. Ministeriële verantwoordelijkheid houdt in dat de ministers (politiek) verantwoordelijk zijn voor het handelen van de Koning. De idee achter de ministeriële verantwoordelijkheid is dat er controle moet zijn op centraal gezag. Daarnaast geeft de ministeriële verantwoordelijkheid uitdrukking aan de idee dat de Koning en de ministers een eenheid vormen. De ministeriële verantwoordelijkheid behelst dan ook meer dan slechts de relatie tussen de Koning en de ministers. Het omvat al het handelen van de regering en haar ambtelijk apparaat. De Koning is zich bewust dat zijn ministers (politiek) verantwoordelijk zijn voor zijn handelen. De Koning zal zich om deze reden beperken tot de bevoegdheden die hij heeft (the right to be consulted, to encourage, to warn).[15]

2.4. De Raad van State        

De Raad van State geeft advies over aanhangige wetsvoorstellen, over het goedkeuren en opzeggen van verdragen en over het beleid van de staat.[16] De Koning is, naast onderdeel van de regering en staatshoofd, voorzitter van dit belangrijke staatsorgaan. Dat blijkt uit artikel 74 van de Grondwet. Ook de vermoedelijke rechtsopvolger van de Koning heeft, vanaf de leeftijd van 18 jaar, een positie binnen de Raad van State.[17] De Koning en diens rechtsopvolger hebben echter geen stemrecht in de Raad van State. Hierdoor wordt deze positie van de Koning en diens rechtsopvolger vaak omschreven als ‘symbolisch’.[18]

Naast adviesorgaan is de Raad van State ook de hoogste bestuursrechter in Nederland. Dit blijkt uit artikel 73 van de Grondwet. De Koning en diens rechtsopvolger hebben in de rechtsprekende afdeling van de Raad van State geen functie.[19]

 

Hoofdstuk 3: Ceremonieel koningschap

Nu de rechten van de Koning uiteengezet zijn, zal ik de drie aanhangige wetsvoorstellen analyseren. Omdat de wetsvoorstellen in grote mate met elkaar samenhangen, kies ik er, net als Elissen en Helder, voor deze analyse niet per wetsvoorstel uit te voeren. Het is namelijk overzichtelijker om de wetsvoorstellen gezamenlijk te bespreken.    

3.1. Doel

De aanhangige wetsvoorstellen hebben het doel om het koningschap te moderniseren. Dit willen de indieners van de wetsvoorstellen bereiken door de (schijn van) macht van de Koning dusdanig te beperken, dat er aan de Koning slechts een ‘ceremoniële rol’ toekomt.[20] Wat onder een ‘ceremoniële rol’ moet worden verstaan, kan het beste omschreven worden door de wetsvoorstellen te analyseren. 

3.2. Wijzigingen

De eerste belangrijke wijziging die is voorgesteld, betreft artikel 2 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden. Door de voorgestelde wijziging zal de Koning geen onderdeel meer uitmaken van de regering van het Koninkrijk. De regering bestaat dan enkel nog uit ministers.[21] Een gelijksoortige wijziging wordt voorgesteld voor artikel 42 van de Grondwet. Niet alleen zal de Koning zijn plaats in de regering van het Koninkrijk verliezen, ook zijn positie binnen de Nederlandse regering komt te vervallen.[22] Het recht van de Koning om geraadpleegd en ingelicht te worden, het recht om aan te moedigen en het recht om te waarschuwen ontleent de Koning aan zijn positie binnen de regering. Deze rechten van de Koning komen door de voorgestelde wijzigingen te vervallen. De Koning maakt immers geen deel meer uit van de regering. Dit betekent ook dat het wekelijks overleg tussen de minister-president en de Koning wordt afgeschaft.[23]

In het nieuwe artikel 2 van het Statuut en het nieuwe artikel 42 van de Grondwet, wordt de bepaling dat de Koning onschendbaar is niet meer opgenomen. Het schrappen van deze zinsnede heeft weinig consequenties voor de rechten en bevoegdheden van de Koning. De onschendbaarheid van de Koning blijft namelijk in aanzienlijke mate behouden. De Koning hoeft na de wijzigingen nog steeds geen verantwoording af te leggen tegenover andere organen van de staat. Ook kan de Koning nog steeds niet strafrechtelijk worden vervolgd zolang hij staatshoofd is.[24]

Verder hoeft de Koning wetsvoorstellen niet meer mede te ondertekenen. Het seign, zoals in artikel 47 van de Grondwet is vastgelegd, zal geheel verdwijnen. Slechts een minister of staatssecretaris zal nog moeten tekenen voor een wetsvoorstel.[25]

De Koning zal, als de wetsvoorstellen tot wet worden verheven, geen onderdeel meer van de regering zijn. Aan de eenheid van ministers en de Koning hoeft dus geen uitdrukking meer gegeven te worden. Daarnaast is de Koning niet meer betrokken bij de besluitvorming (verdwijnen seign). De ministeriële verantwoordelijkheid verliest door deze wijzigingen zijn waarde en zal daarom worden afgeschaft.[26]

Verder zal de Koning niet langer meer de voorzitter zijn van de Raad van State.[27] Ook andere leden van het Koninklijk Huis zullen geen functie meer vervullen binnen de Raad van State. De voorzitter van de Raad van State zou in het vervolg op dezelfde manier moeten worden gekozen als de leden van de Hoge Raad.[28]

Ook willen de indieners van de wetsvoorstellen (de leden Elissen en Helder) de bevoegdheden van de Koning bij de kabinetsformatie wegnemen. Het gaat hierbij hoofdzakelijk om het benoemen van de (in)formateur en het benoemen en het ontslaan van ministers. Hiervoor zou, volgens de indieners van de wetsvoorstellen, een grondwettelijke grondslag moeten bestaan. De voorgestelde wijziging in artikel 43 van de Grondwet voorziet in een dergelijke grondslag. Het benoemen van een (in)formateur, het benoemen van de ministers en het ontslag van de ministers zou voortaan moeten gebeuren door middel van een koninklijk besluit. De Koning zelf zal hier dus niet meer bij betrokken zijn.[29] Een gelijksoortige wijziging is voorgesteld met betrekking tot artikel 2 lid 2 jo. lid 3 van het Statuut. De gouverneur vertegenwoordigt de Koning in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het benoemen en ontslaan van de gouverneur is een bevoegdheid van de Koning.[30] Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, zal de gouverneur niet langer de Koning vertegenwoordigen, maar zal ook de regering van het Koninkrijk vertegenwoordigd worden door de gouverneur. Het benoemen en het ontslaan zou voortaan niet meer door de Koning moeten geschieden, maar door middel van een koninklijk besluit.[31] De Koning zal dus niet meer betrokken zijn bij het benoemen of ontslaan van een gouverneur.

Tot slot worden er op diverse plaatsen in het Statuut en de Grondwet begrippen aangepast. Deze wijzigingen zijn weinig inhoudelijk. Zij zorgen er vooral voor dat de tekst in het Statuut en de Grondwet wordt aangepast op hetgeen hiervoor uiteen is gezet.

3.3. Definitie ceremonieel koningschap

Nu de wetsvoorstellen zijn geanalyseerd, is er meer inzicht verkregen in wat er moet worden verstaan onder ‘een ceremoniële rol voor de Koning’. Alle (schijn van) politieke betrokkenheid wordt weggenomen. Wel blijft de Koning staatshoofd. In deze functie zal hij het Koninkrijk der Nederlanden in binnen- en buitenland vertegenwoordigen op een zo neutraal en onpartijdig mogelijke manier. Hij dient de continuïteit en eenheid van het land te stimuleren en dient zich niet te mengen in politieke discussies.[32]

 

Hoofdstuk 4: Argumentatie

De voorgestelde wijzigingen leiden tot grote veranderingen in het staatsbestel van het Koninkrijk der Nederlanden.[33] Of deze wijzigingen in het licht van de democratie wenselijk zijn, valt echter te bediscussiëren. Hierna wordt er aandacht besteed aan de democratie-idee en wordt er ingegaan op de wenselijkheid van de aanhangige wetsvoorstellen.

4.1. Formele democratie

De (westerse) democratie, waaronder ook de democratie in het Koninkrijk der Nederlanden kan worden geschaard, is in de eerste plaats een systeem om collectieve beslissingen te nemen. Deze definitie van democratie wordt de formele opvatting van democratie genoemd.[34] Dit systeem is erop gebaseerd dat het volk zichzelf regeert. Het is daarom in het licht van de formele democratie wenselijk dat overheidsorganen die wetgevende en uitvoerende taken hebben, zo sterk mogelijk democratisch gelegitimeerd zijn.[35] Het is daarom niet goed vol te houden dat de Koning, omdat er geen democratische basis bestaat voor zijn gezag, op wezenlijke punten politieke keuzen moet maken.[36] 

Het (erfelijk) koningschap zoals wij dat nu kennen is, aldus de indieners van de wetsvoorstellen, in grote mate gebaseerd op de rol die de Koning in het verleden had.[37] Er wordt dus fundamentele kritiek geleverd op het koningschap. Het is uit de tijd en past niet bij de idee van de (formele) democratie.[38] De Koning is niet democratisch gelegitimeerd en hoort daarom geen politieke invloed te hebben.

Over de vraag of de Koning politieke invloed heeft, valt te discussiëren. In de literatuur wordt in dit verband vooral gewezen op de invloed die de Koning heeft op de kabinetsformatie. De  invloed van de Koning is echter door de invoering van het nieuwe artikel 139a in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer tot nihil gereduceerd.[39] Ik zal daarom niet meer ingaan op dit aspect van het wetsvoorstel.

De indieners van de wetsvoorstellen wijzen ook op andere zaken. Ten eerste wijzen zij op de gesprekken die twee keer per jaar worden gevoerd tussen de Koning en iedere afzonderlijke minister en staatssecretaris. Oud-bewindslieden zouden verklaard hebben dat deze gesprekken aanvoelden als een soort examen. Omdat deze gesprekken echter zijn onderworpen aan een geheimhoudingsplicht, kan niet gecontroleerd worden wat er tijdens de gesprekken wordt gezegd. Er kan daardoor dus niet worden vastgesteld of er ook daadwerkelijk sprake is van politieke invloed van de Koning.[40]

Ook wordt erop gewezen dat de Koning, vanwege het constitutief vereiste seign, een belangrijke positie inneemt bij de politieke besluitvorming. De Koning kan weigeren mee te werken aan een besluit. Er geldt voor hem immers geen verplichting om zijn handtekening te zetten, hoewel het gebruikelijk is dat hij dit wel doet. Er zijn echter situaties geweest waar de Koning heeft geweigerd mee te werken aan een bepaald besluit. Zo heeft Koningin Juliana geweigerd haar handtekening te zetten onder de afwijzing van een gratieverzoek van de ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger Lages.[41] Hierdoor kon dit besluit niet tot stand komen, moesten ministers aftreden en werd het gratieverzoek door een nieuwe regering alsnog toegewezen.[42]

Gelet op voorgaande kan worden geconcludeerd dat er niet kan worden vastgesteld in welke mate de Koning politieke invloed heeft. De wetsvoorstellen hebben echter niet enkel het doel om de politieke invloed van de Koning tot nihil te beperken, maar ook om de schijn van eventuele invloed weg te nemen.[43] De rol van de Koning als staatshoofd wordt door de indieners van het wetsvoorstel benadrukt.[44] Door deze maatregelen zal de rol van de Koning beter passen in de hedendaagse opvattingen van de (formele) democratie.

4.2. Materiële democratie

De indieners van de wetsvoorstellen hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de Koning enige politieke invloed heeft of kan hebben. De schijn van politieke invloed is daarmee aangetoond.[45] Men kan aanvoeren dat de Koning thans geen macht meer heeft, maar aan dit argument moet geen waarde worden gehecht.  In het licht van de formele democratie is het daardoor wenselijk dat de rol van de Koning slechts ceremonieel wordt.

De democratie is echter meer dan enkel een systeem om collectieve beslissingen te nemen waarbij het volk zichzelf regeert. Onder de democratie-idee moeten ook bepaalde waarden worden geschaard, zoals menselijke waardigheid, vrijheid, autonomie, tolerantie en minderhedenbescherming. Dit wordt de materiële opvatting van de democratie genoemd.[46] In het licht van de materiële democratie kan de Koning een zeer nuttige rol vervullen.[47] Deze stelling zal ik uiteenzetten aan de hand van twee symbolische waarden, die aan het koningschap worden ontleend.

Allereerst staat de Koning symbool voor de eenheid van het staatsbestel. Hij representeert immers niet enkel het bestuur, maar ook de wetgevende macht (wetten worden in naam van de Koning afgekondigd) en de rechtsprekende macht (uitspraken worden in naam van de Koning geëxecuteerd).[48] Bestuurders, wetgevers en rechters worden er hierdoor aan herinnerd dat zij niet voor hun eigen ‘achterban’ moeten handelen, maar moeten handelen in het algemeen belang.[49] De ingediende wetsvoorstellen hebben tot gevolg dat de waarde die het koningschap in dit verband heeft, minder wordt of zelfs verloren gaat. Wetten worden immers niet meer door de Koning ondertekend en zullen dus niet meer in de naam van de Koning worden afgekondigd. De term ‘koninklijk besluit’ zal in stand worden gehouden met betrekking tot  het afkondigen van wetten.[50] Deze term betekent echter niets anders dan een besluit van één of meer ministers.[51]

Ten tweede is de Koning een symbool dat uitdrukking geeft aan de nationale gemeenschap.[52] Het Koninkrijk der Nederlanden wordt gekenmerkt door een pluriforme samenleving. Een dergelijke samenleving kan niet bestaan zonder gemeenschap. Symbolen die uitdrukking geven aan die gemeenschap, zijn daarom zeer belangrijk voor het bij elkaar houden van een pluralistische samenleving.[53] De Koning heeft als symbool van de nationale gemeenschap de taak de pluralistische samenleving te verbinden.[54] Hij kan dit bijvoorbeeld doen door betrokkenheid te laten zien bij wat de gemeenschap raakt en door aandacht te schenken aan nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wordt het gezag van Koning gebruikt voor het algemeen belang en vervult hij een belangrijke rol in het licht van de materiële democratie.[55]

4.3. De Raad van State

Voorts wordt ingegaan op de rol die de Koning heeft binnen de Raad van State. De leden Elissen en Helder zijn echter van mening dat het voorzitterschap de schijn van politieke invloed wekt en dit niet past binnen de idee van de democratie.[56]

Het voorzitterschap van de Raad van State is verbonden aan de functie van de Koning als staatshoofd en niet aan zijn positie binnen de regering. Het betreft een ceremonieel voorzitterschap.[57] Omdat het een ceremoniële rol is, kan er geen politieke invloed worden afgeleid uit deze positie van de Koning. De rol van de Koning binnen de Raad van State is echter niet betekenisloos. Wanneer de Koning geen positie meer inneemt binnen het adviesorgaan, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de wijze waarop de regering en het

parlement met het advies om zullen gaan. Het advies van de Raad van State geldt namelijk als een extra waarborg voor het behoorlijk vervullen van wetgevende taken.[58] Ook in Koninkrijksverband geldt het advies van de Raad van State als een extra waarborg. Het advies van de Raad van State kan immers nuttig zijn bij het bewaken van de autonomie van de verschillende landen binnen het Koninkrijk. Door de Koning het ceremoniële voorzitterschap van de Raad van State te ontnemen, gaat de symbolische waarde van de Koning in deze situatie verloren.[59]

4.4. Continuïteit

Tot slot wil ik nog één argument aanbrengen, dat strekt tot het behoud van het koningschap zoals we dat nu kennen. Het is een constitutioneel vereiste dat de Koning wetsvoorstellen ondertekent voordat deze voorstellen wet worden.[60] “Daarmee is de Koning de constitutionele verankering die veranderingen mogelijk maakt.”[61] Ook na een kabinetsformatie blijft het Koningschap namelijk onveranderd. Veranderingen in het beleid kunnen worden toegerekend aan het parlementaire (democratische) stelsel dat Nederland kent.[62] Het hedendaagse koningschap bevordert dus de continuïteit van het Koninkrijk der Nederlanden.[63] Wanneer de positie van de Koning wordt gereduceerd tot een ceremoniële rol, wordt daarmee een beperkte invulling gegeven aan de rol die de Koning in dit opzicht heeft.[64]

Hoofdstuk 5: Belangenafweging

Nu het hedendaagse koningschap en de gevolgen van de aanhangige wetsvoorstellen uiteengezet zijn, kan er een belangenafweging worden gemaakt. Door het maken van deze belangenafweging kan de centrale vraag in dit stuk worden beantwoord. Deze vraag luidde:

Is het ceremonieel Koningschap, zoals dat door middel van de drie aanhangige wetsvoorstellen zou worden gecreëerd, gewenst in het licht van de democratie?

Voor het beantwoorden van deze vraag wordt ten eerste vastgesteld dat het niet vaststaat of, en zo ja in welke mate, de Koning politieke invloed uit kan oefenen. Er wordt echter in ieder geval de schijn gewekt dat de Koning enige politieke invloed heeft. Deze schijn wordt gewekt door verschillende posities die de Koning inneemt, waarbij voornamelijk moet worden gedacht aan zijn  positie binnen de regering.[65] Met het feit dat de Koning de voorzitter is van de Raad van State wordt de schijn van politieke invloed niet gewekt. Het betreft immers enkel een ceremonieel voorzitterschap van de Raad van State. De Koning heeft geen stemrecht binnen de Raad van State.[66]

De Koning kent geen democratische legitimatie. Het is daarom duidelijk dat er een spanning bestaat tussen de heersende opvattingen van de (formele) democratie en de huidige rol van de Koning. Het hedendaagse koningschap is echter niet alleen maar strijdig met de idee van de democratie. Juist binnen de materiële opvatting van de democratie kan de Koning een zeer belangrijke rol spelen. Er moet een bijzondere waarde worden gehecht aan de symbolische waarde die uitgaat van de Koning. Daarbij wordt vooral gedoeld op de verbindende kracht die uitgaat van de Koning. Het modern koningschap wordt juist gekenmerkt door deze verbindende kracht en maakt de samenleving zo toleranter.[67] Hoewel dit een essentiële taak van de Koning is en er in de literatuur vooral aan dit aspect aandacht wordt besteed, is dit geen steekhoudend argument om de rol van de Koning niet aan te passen. Ook wanneer de Koning slechts staatshoofd is (en dus geen onderdeel van de regering meer), kan de Koning deze verbindende taken uitvoeren.

Het is echter van belang dat de Koning onderdeel blijft van de regering. De Koning bevordert vanuit deze positie immers de continuïteit van het Koninkrijk der Nederlanden en herinnert het bestuur, de wetgevende en de rechterlijke macht aan het feit dat zij in het algemeen belang moeten handelen.[68] Aan deze symbolische waarde moet bijzondere waarde toegekend worden.

Ook is het van belang dat de Koning een positie houdt binnen de Raad van State. Autonomie geldt als één van de kernwaarden van de democratie en het advies van de Raad van State waarborgt de autonomie van de landen die onderdeel zijn van het Koninkrijk.[69] Ook is het van belang dat wetgevende taken nauwkeurig worden uitgevoerd. Hiervoor dienen waarborgen te worden ingebouwd. Het advies van de Raad van State geldt als zo’n waarborg en mag daarom niet minder belangrijk worden.[70]

 

Conclusie

In deze thesis stond de vraag centraal of het invoeren van het ceremonieel koningschap wenselijk is in het licht van de democratie. In het licht van de idee van de formele democratie is het ceremonieel koningschap wel wenselijk. In het licht van de materiele democratie-idee is het ceremonieel koningschap echter niet wenselijk. Er bestaat dus een spanning tussen de idee van de democratie en het hedendaags koningschap. Aan de wetsvoorstellen van Elissen en Helder zitten echter te veel haken en ogen. Er wordt door hen een te beperkte waarde toegekend aan de rol die de Koning speelt bij het bevorderen van democratische waarden als tolerantie en verbondenheid. Ook wordt er te beperkt stilgestaan bij de symbolische kracht die uitgaat van de Koning als onderdeel van de regering. De voorstellen omtrent het wijzigen van het voorzitterschap van de Raad van State komt mij ondoordacht voor en kan de autonomie van de landen van het Koninkrijk aantasten. Ook dit moet niet als wenselijk worden beschouwd. Het antwoord op de centrale vraag in deze thesis moet derhalve ontkennend worden beantwoord. Het ceremonieel koningschap, zoals dat door de drie aanhangige wetsvoorstellen zou worden gecreëerd, is in het licht van de democratie niet wenselijk.

De spanning tussen de huidige opvattingen over democratie en het koningschap zijn echter wel van wezenlijk belang en deze spanning moet zo klein mogelijk gehouden worden. Het koningschap moet daarom wel worden gemoderniseerd. Dit kan worden gedaan door het  toevoegen van nieuwe artikelen aan de Grondwet en het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.

De Staatscommissie Grondwet die bij koninklijk besluit in 2009 is ingesteld, heeft onderzoek gedaan naar de Grondwet. Hoewel zij in haar advies niet ingaat op de rol die de Koning zou moeten spelen, wordt er wel gepleit voor een algemene bepaling over de democratische rechtstaat. Er wordt in de huidige Grondwet niet expliciet vermeld dat Nederland een democratische rechtstaat is.[71] Door deze en aanverwante zaken te codificeren, kan de (schijn van) macht van de Koning worden vormgegeven en ingeperkt. Er hoeven dan geen grote ingrijpende veranderingen te worden doorgevoerd in de Grondwet en het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden om de spanning tussen het koningschap en de democratie-idee weg te nemen. De symbolische waarde die uitgaat van de Koning, omdat hij onderdeel van de regering alsmede staatshoofd is, kan op deze manier gewaarborgd worden. Ook kunnen er bepalingen worden opgenomen omtrent de autonomie van de landen van het Koninkrijk der Nederlanden en kunnen de rechten van de Koning (en diens rechtsopvolger) bij de Raad van State worden gecodificeerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 479-482.

[2] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 1-2.

[3] J.L.W. Broeksteeg, ‘Aanhangige voorstellen tot grondwetsherziening: voorbodes van staatkundige vernieuwing?’, TvCR januari 2014, p. 47-48.

[4] D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 481.

[5] D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 509.

[6] D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 479-484.

[7] J.Th.J. van den Berg, ‘Epiloog: Het nieuwe artikel 139a’, in: J.Th.J. van den Berg (red.), Koning, Kamers, kabinetsformatie. Instituties en conventies bij de coalitievorming in Nederland, Den Haag: Montesquieu Institute 2012, p. 79-85.

[8] J.Th.J. van den Berg, ‘Epiloog: Het nieuwe artikel 139a’, in: J.Th.J. van den Berg (red.), Koning, Kamers, kabinetsformatie. Instituties en conventies bij de coalitievorming in Nederland, Den Haag: Montesquieu Institute 2012, p. 79-85.

[9] P.T.T. Bovend’Eert, ‘Commentaar op artikel 42 GW’, Tekst en Commentaar Grondwet 2009.

[10] P.T.T. Bovend’Eert, ‘Commentaar op artikel 42 GW’, Tekst en Commentaar Grondwet 2009.

[11] J.A. Hofman, ‘Commentaar op artikel 42 GW’, Lexplicatie 2008.

[12] P.T.T. Bovend’Eert, ‘Commentaar op artikel 42 GW’, Tekst en Commentaar Grondwet 2009.

[13] P.T.T. Bovend’Eert, ‘Commentaar op artikel 42 GW’, Tekst en Commentaar Grondwet 2009.

[14] D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 495-499.

[15] P.T.T. Bovend’Eert, ‘Commentaar op artikel 42 GW’, Tekst en Commentaar Grondwet 2009.

[16] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 48.

[17] Artikel 1 jo. artikel 2 jo. artikel 16a Wet op de Raad van State.

[18] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 19.

[19] Artikel 30 jo. artikel 31 Wet op de Raad van State.

[20] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 1-3.

[21] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 2, p. 1.

[22] Kamerstukken II 2010/11, 32 867, nr. 2, p 1.

[23] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 12-13.

[24] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 14-15.

[25] Kamerstukken II 2010/11, 32 866, nr. 2, p. 2.

[26] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 15-17.

[27] Kamerstukken II 2010/11, 32 866, nr. 2, p. 2-3.

[28] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 19-20.

[29] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 17-19.

[30] Artikel 2 lid 2 jo. lid 3 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

[31] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 2, p. 1-2.

[32] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 11-12.

[33] J.L.W. Broeksteeg, ‘Aanhangige voorstellen tot grondwetsherziening: voorbodes van staatkundige vernieuwing?’, TvCR januari 2014, p. 47.

[34] G.A. van der Wal, Formele en materiele democratie’, in: A.W. Musschenga en F.C.L.M Jacobs, De liberale moraal en haar grenzen (Kampen: Kok, 1992), p. 99-123.

[35] Onbekende auteur, ‘Meer volks- en minder koninklijke soevereiniteit’, NJB 2011-1617, p. 2062.

[36] F. de Vries, ‘Heeft de monarchie in Nederland een toekomst? Een staatsrechtelijke reactie op recente voorstellen’, AA 2000-09, p. 640.

[37] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 1-2.

[38] F. de Vries, ‘Heeft de monarchie in Nederland een toekomst? Een staatsrechtelijke reactie op recente voorstellen’, AA 2000-09, p. 638-639.

[39] J.Th.J. van den Berg, ‘Epiloog: Het nieuwe artikel 139a’, in: J.Th.J. van den Berg (red.), Koning, Kamers, kabinetsformatie. Instituties en conventies bij de coalitievorming in Nederland, Den Haag: Montesquieu Institute 2012, p. 79-85.

[40] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 12.

[41] J.J.J. Sillen, ‘De positie van de Koning in het Nederlandse staatsbestel’, Openbaar bestuur 2007-17, p. 12-17.

[42] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 16.

[43] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 1-2.

[44] J.L.W. Broeksteeg, ‘Aanhangige voorstellen tot grondwetsherziening: voorbodes van staatkundige vernieuwing?’, TvCR januari 2014, p. 47.

[45] Bijvoorbeeld: Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 16.

[46] G.A. van der Wal, Formele en materiele democratie’, in: A.W. Musschenga en F.C.L.M Jacobs, De liberale moraal en haar grenzen (Kampen: Kok, 1992), p. 99-123.

[47] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 59-60.  

[48] Onbekende auteur, ‘Koningschap moet zo blijven’, NJB 2011- 1163.

[49] Kamerstukken II 2010/11, 32 791, nr. 1, p. 9-10.

[50] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 13.

[51] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 19.

[52] Kamerstukken II 2010/11, 32 791, nr. 1, p. 10.

[53] Kamerstukken II 2010/11, 32 791, nr. 1, p. 2.

[54] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 59-60.

[55] Kamerstukken II 2010/11, 32 791, nr. 1, p. 10.

[56] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 19-20.

[57] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 45-48.

[58] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 45-48.

[59] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 49.

[60] Art. 47 Grondwet. 

[61] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 52.

[62] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 52.

[63] Kamerstukken II 2010/11, 32865 (R 1957), nr. 3, p. 20.

[64] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 56-58.

[65] Kamerstukken II 2010/11, 32 865 (R 1957), nr. 3, p. 1-2.

[66] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 45-48.

[67] E..M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 59-61.

[68] Kamerstukken II 2010/11, 32 791, nr. 1, p. 9-10.

[69] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 49.

[70] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Tilburg: Driekoningen 2012, p. 45-48.

[71] W. Thomassen (voorzitter van de Staatscommissie Grondwet), Rapport Staatscommissie Grondwet, november 2010, p. 35-39. 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.